Portugees grammatica

Verken 82 grammaticaconcepten — van beginner tot gevorderd.

Dit is de grammaticaboom die Settemila Lingue aandrijft — elk concept wordt een gerichte oefendeck met AI-gegenereerde flashcards.

A1 (37)

Onderwerpsvoornaamwoorden in het PortugeesPronomes do Sujeito

Portugese onderwerpsvoornaamwoorden geven aan wie iets doet: eu, tu, você, ele, ela, nós, vós, vocês, eles en elas. Anders dan in het Nederlands kan het onderwerp vaak wegblijven als de werkwoordsvorm of de context al duidelijk maakt om wie het gaat. Let vooral op het regionale verschil: tu is heel gewoon in Portugal, terwijl você in een groot deel van Brazilië de gebruikelijke aanspreekvorm is.

Geslacht van zelfstandige naamwoorden in het PortugeesGénero dos Substantivos

Elk Portugees zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) is mannelijk of vrouwelijk. Vaak herken je dat aan de uitgang: woorden op -o zijn meestal mannelijk en woorden op -a meestal vrouwelijk. Leer het lidwoord meteen mee — o livro, a casa — want er zijn belangrijke uitzonderingen zoals o dia, o problema, a mão en a foto.

Meervoudsvorming in het PortugeesFormação do Plural

Na een gewone klinker krijgt een Portugees zelfstandig naamwoord meestal -s: livro → livros en cidade → cidades. Bij andere uitgangen gelden vaste patronen, zoals -m → -ns (homem → homens) en -al → -ais (animal → animais); woorden op -ão moet je vaak met hun meervoud leren. Ook het lidwoord en een bijvoeglijk naamwoord gaan mee: o livro novo → os livros novos.

Bepaalde lidwoorden in het PortugeesArtigos Definidos

Het Portugees heeft vier vormen voor het bepaalde lidwoord: o, a, os en as. Je kiest de vorm volgens het grammaticale geslacht en het getal van het zelfstandig naamwoord: o livro, a casa, os livros, as casas. Anders dan het Nederlandse de en het laat het Portugese lidwoord dus niet alleen het geslacht, maar ook altijd enkelvoud of meervoud zien.

Onbepaalde lidwoorden in het PortugeesArtigos Indefinidos

Het Portugese onbepaalde lidwoord heeft vier vormen: um en uma in het enkelvoud, uns en umas in het meervoud. De vorm past bij het geslacht en het getal van het zelfstandig naamwoord: um livro, uma casa, uns amigos, umas amigas. Bij een beroep na ser staat meestal geen lidwoord: Sou médico betekent ‘Ik ben arts’.

Ser in de Portugese tegenwoordige tijdO Verbo Ser - Presente

Het Portugese werkwoord ser betekent meestal ‘zijn’ en heeft in de tegenwoordige tijd de vormen sou, és, é, somos, sois en são. Je gebruikt het onder meer om te zeggen wie of wat iemand is, waar iemand vandaan komt, welk beroep iemand heeft en hoe laat het is: Sou enfermeiro, Ela é de Braga, São três horas. Voor een toestand of plaats gebruik je vaak estar; denk dus niet alleen aan ‘blijvend tegenover tijdelijk’, maar vooral aan identiteit of typering tegenover toestand of situatie.

Estar in de Portugese tegenwoordige tijdO Verbo Estar - Presente

Het Portugese estar betekent vaak ‘zijn’, maar wordt vooral gebruikt voor waar iemand of iets zich bevindt en hoe iemand of iets er op dat moment aan toe is: Estou em casa (Ik ben thuis) en A sopa está fria (De soep is koud). De tegenwoordige vormen zijn estou, estás, está, estamos, estais, estão.

Ser en estar in het PortugeesSer vs Estar - Básico

Het Nederlandse zijn heeft in het Portugees meestal twee vertalingen. Gebruik ser vooral voor identiteit, indeling en kenmerken, en estar voor een toestand of plaats: Ela é médica betekent ‘Zij is arts’, maar Ela está cansada betekent ‘Zij is moe’. Onthoud wel dat ‘blijvend tegenover tijdelijk’ alleen een handig beginpunt is, geen regel zonder uitzonderingen.

Het werkwoord *ter* in het PortugeesO Verbo Ter

Het onregelmatige werkwoord ter betekent meestal ‘hebben’: Tenho um carro is ‘Ik heb een auto’. Je gebruikt het ook voor leeftijd (Tenho trinta anos), lichamelijke gevoelens (Tenho fome) en verplichting (Tenho de ir). De zes vormen in de tegenwoordige tijd zijn tenho, tens, tem, temos, tendes, têm.

Regelmatige werkwoorden op -ar in het PortugeesVerbos Regulares em -AR

Haal bij een regelmatig werkwoord op -ar de uitgang -ar van de infinitief (de onbepaalde vorm) en voeg -o, -as, -a, -amos, -ais, -am toe. Zo wordt falar ‘spreken’: falo, falas, fala, falamos, falais, falam. In het dagelijks taalgebruik zijn vooral de vormen bij eu, tu/você, nós/a gente en vocês/eles/elas belangrijk.

Regelmatige -ER-werkwoorden in het PortugeesVerbos Regulares em -ER

Bij een regelmatig Portugees werkwoord op -er haal je in de tegenwoordige tijd -er van de infinitief (de woordenboekvorm) af en voeg je -o, -es, -e, -emos, -eis, -em toe. Zo wordt comer ‘eten’: como, comes, come, comemos, comeis, comem. De uitgang laat meestal al zien wie iets doet, waardoor een onderwerp als eu of nós vaak kan worden weggelaten.

Regelmatige -IR-werkwoorden in het PortugeesVerbos Regulares em -IR

Bij een regelmatig Portugees werkwoord op -ir haal je in de tegenwoordige tijd -ir van de infinitief (de woordenboekvorm) af. Aan de stam voeg je vervolgens -o, -es, -e, -imos, -is of -em toe: partir wordt parto, partes, parte, partimos, partis, partem. In het dagelijks taalgebruik heb je vooral de vormen met eu, tu/você, ele/ela, nós en vocês/eles/elas nodig.

Het werkwoord *ir* in het PortugeesO Verbo Ir

Het onregelmatige werkwoord ir betekent meestal gaan: vou, vais, vai, vamos, ides, vão. Voor een bestemming staat vaak a, dat met een lidwoord wordt samengetrokken tot bijvoorbeeld ao of à: Vamos à praia. Met ir plus een infinitief druk je bovendien een plan of nabije toekomst uit: Vou comer betekent ‘Ik ga eten’.

Het werkwoord *fazer* in het PortugeesO Verbo Fazer

Fazer betekent meestal doen of maken, maar komt ook voor in vaste uitdrukkingen zoals fazer desporto (sporten), fazer anos (jarig zijn) en faz calor (het is warm). In de tegenwoordige tijd is het onregelmatig: faço, fazes, faz, fazemos, fazeis, fazem. Vooral de vorm faço moet je apart onthouden.

Het werkwoord *poder* in het PortugeesO Verbo Poder

Het onregelmatige werkwoord poder betekent, afhankelijk van de situatie, kunnen, mogen of mogelijk zijn. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen posso, podes, pode, podemos, podeis, podem. Meestal volgt daarna een infinitief (het hele werkwoord): Posso entrar? betekent ‘Mag ik binnenkomen?’

Querer in het PortugeesO Verbo Querer

Querer betekent meestal “willen”. In de tegenwoordige tijd is het onregelmatig: quero, queres, quer, queremos, quereis, querem. Daarna kan een zelfstandig naamwoord staan (quero um café) of een infinitief, de onverbogen werkwoordsvorm (quero sair): “ik wil een koffie” en “ik wil weggaan”.

Reflexieve werkwoorden in het PortugeesVerbos Reflexivos

Een Portugees reflexief werkwoord heeft een voornaamwoord dat naar het onderwerp terugwijst: me, te, se, nos, vos, se. In Europees Portugees staat het in een gewone bevestigende hoofdzin meestal achter het werkwoord: Levanto-me às sete (“Ik sta om zeven uur op”); na não staat het ervoor: Não me levanto cedo. In Braziliaans Portugees is plaatsing vóór het werkwoord juist heel gewoon: Eu me levanto às sete.

Há: er is en er zijn in het PortugeesHá Existencial

Het Portugese há betekent zowel er is als er zijn: Há um problema en Há muitas pessoas. De vorm blijft altijd enkelvoud, ook vóór een meervoud. Há + tijdsduur geeft aan hoelang iets al duurt of hoeveel tijd geleden iets gebeurde: Vivo aqui há dois anos.

Basisontkenning in het PortugeesNegação Básica

Zet voor een gewone ontkennende zin não direct vóór het vervoegde werkwoord: Não entendo betekent ‘Ik begrijp het niet’. Staat een woord als nada, ninguém of nunca ná het werkwoord, dan blijft não meestal nodig: Não vejo ninguém. Staat zo’n ontkennend woord vóór het werkwoord, dan vervalt não: Ninguém veio.

Regelmatige bijvoeglijke naamwoorden in het PortugeesAdjetivos Regulares

Een Portugees bijvoeglijk naamwoord past zich meestal aan het geslacht en het getal van het zelfstandig naamwoord aan: um rapaz alto, uma rapariga alta, dois rapazes altos, duas raparigas altas. Woorden op -e, -l en -z hebben doorgaans geen aparte mannelijke en vrouwelijke vorm, maar krijgen wel een meervoudsvorm: inteligente → inteligentes, fácil → fáceis, feliz → felizes.

Positie van bijvoeglijke naamwoorden in het PortugeesPosição dos Adjetivos

Een Portugees bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt) staat meestal achter het zelfstandig naamwoord: uma casa bonita betekent ‘een mooi huis’. Sommige veelgebruikte bijvoeglijke naamwoorden kunnen ervoor staan; dan gaat het vaak om een oordeel of een andere betekenis: um homem grande is een grote man, terwijl um grande homem een groot of bewonderenswaardig man is.

Bezittelijke woorden in het PortugeesAdjetivos Possessivos

Een Portugees bezittelijk woord past zich aan het bezit aan, niet aan de bezitter: meu livro maar minha casa. Het heeft meestal vier vormen voor mannelijk/vrouwelijk en enkelvoud/meervoud: meu, minha, meus, minhas. Vooral bij seu/sua helpt dele/dela om duidelijk te maken of je ‘van hem’ of ‘van haar’ bedoelt.

Aanwijzende woorden in het PortugeesAdjetivos Demonstrativos

Het Portugees onderscheidt in de basis drie afstanden: este/esta voor iets bij de spreker, esse/essa voor iets bij de aangesprokene en aquele/aquela voor iets ver van beiden. De vorm past zich aan het geslacht en aantal van het zelfstandig naamwoord aan: este livro, esta mesa, estes livros, estas mesas. In het Braziliaans-Portugees wordt esse in de spreektaal vaak ook gebruikt waar de klassieke regel este verwacht.

Voorzetsels van plaats in het PortugeesPreposições de Lugar

Het Portugees gebruikt vooral em voor een plaats waar iets zich bevindt, a of para voor een bestemming en de voor een herkomst: Estou em casa, Vou ao cinema, Venho do trabalho. Voor een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, ding of plaats) smelten em, de en a vaak verplicht samen met het lidwoord: em + a = na, de + o = do, a + o = ao.

Samentrekkingen van voorzetsel en lidwoord in het PortugeesContrações

In het Portugees worden de, em, a en por met een volgend bepaald lidwoord meestal verplicht één vorm: de + o = do, em + a = na, a + o = ao en por + a = pela. Welke vorm je nodig hebt, hangt af van het geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord: no mercado, maar na escola. Schrijf de twee delen dus niet los wanneer er echt een lidwoord staat.

Basisvragen in het PortugeesPerguntas Básicas

Met quem, o que/que, onde, quando, como en por que vraag je naar een persoon, zaak, plaats, tijdstip, manier of reden. Bij een gewone ja-neevraag blijft de Portugese woordvolgorde vaak gelijk: Moras aqui. is ‘Je woont hier’, terwijl Moras aqui? door de intonatie en het vraagteken ‘Woon je hier?’ wordt.

Hoeveelheids- en keuzevragen in het PortugeesPerguntas de Quantidade e Seleção

Gebruik quanto, quanta, quantos en quantas om naar een hoeveelheid of aantal te vragen; de vorm past zich meestal aan het bijbehorende zelfstandig naamwoord aan. Gebruik qual voor één keuze en quais voor meerdere keuzes. Anders dan het Nederlandse hoeveel heeft quanto dus vier vormen, maar qual verandert alleen voor enkelvoud of meervoud.

Hoofdtelwoorden in het PortugeesNúmeros Cardinais

Portugese hoofdtelwoorden geven een aantal aan: zero, um, dois, três enzovoort. Tussen tientallen en eenheden staat e: vinte e um (21), trinta e dois (32). Um/uma en dois/duas passen zich aan het geslacht van het volgende zelfstandig naamwoord aan; precies 100 is cem, maar 101 begint met cento: cento e um.

Rangtelwoorden in het PortugeesNúmeros Ordinais

Portugese rangtelwoorden geven een plaats in een volgorde aan: primeiro (eerste), segundo (tweede) en terceiro (derde). Ze passen zich aan het geslacht en het getal van het bijbehorende zelfstandig naamwoord aan: o primeiro dia, a primeira vez, os primeiros dias. De gebruikelijke afkortingen zijn 1.º voor mannelijk en 1.ª voor vrouwelijk.

Tijd en datums in het PortugeesAs Horas e a Data

Voor de klok gebruik je é bij één uur en são bij alle andere uren: É uma hora, maar São duas horas. Het Nederlandse “half vier” is in het Portugees três e meia: je rekent dus vanaf drie uur, niet vooruit naar vier uur. Een tijdstip krijgt vaak à/às (à uma, às três) en een datum bestaat gewoonlijk uit dag + de + maand: 15 de agosto.

Frequentie- en tijdsbijwoorden in het PortugeesAdvérbios de Frequência e Tempo

Met frequentiebijwoorden zeg je hoe vaak iets gebeurt: sempre (altijd), muitas vezes (vaak), às vezes (soms), raramente (zelden) en nunca (nooit). Met tijdsbijwoorden plaats je iets in de tijd of geef je een volgorde aan: hoje (vandaag), amanhã (morgen), ontem (gisteren), agora (nu), primeiro (eerst), depois (daarna/later) en então (toen/dan/dus). De plaats in de zin is vrijer dan in het Nederlands, maar nunca staat in een eenvoudige ontkenning normaal vóór het werkwoord: Nunca como carne.

Bijwoorden van plaats in het PortugeesAdvérbios de Lugar

Portugese bijwoorden van plaats geven aan waar iets is of waarheen iemand beweegt. Onthoud eerst deze eenvoudige driedeling: aqui of cá is ‘hier bij mij’, aí is ‘daar bij jou’ en ali of lá is ‘daar, verder van ons vandaan’. Met perto, longe, dentro, fora, em cima en em baixo beschrijf je vervolgens afstanden en posities.

Muito en pouco in het PortugeesMuito e Pouco

Voor een zelfstandig naamwoord passen muito en pouco zich aan het geslacht en het aantal aan: muita água, muitos amigos, poucas perguntas. Zeggen ze iets over een werkwoord, een eigenschap of een ander bijwoord, dan blijven ze onveranderd: trabalho muito, muito bonita, muito bem. Denk dus niet alleen aan de Nederlandse vertaling, maar kijk vooral naar het woord waarop muito of pouco betrekking heeft.

Lijdend-voorwerpsvoornaamwoorden in het PortugeesPronomes de Objeto Direto

De Portugese woorden me, te, o, a, nos, vos, os en as vervangen een lijdend voorwerp: Vejo a Ana wordt bijvoorbeeld Vejo-a in Portugal. In Europees Portugees staat zo'n voornaamwoord in een gewone bevestigende hoofdzin meestal achter het werkwoord; in Braziliaans Portugees staat het in de omgangstaal meestal ervoor: vejo-te tegenover te vejo. Bij een ontkenning staat het in beide varianten vóór het werkwoord: Não te vejo.

Meewerkend-voorwerpvoornaamwoorden in het PortugeesPronomes de Objeto Indireto

De onbeklemtoonde vormen me, te, lhe, nos, vos en lhes geven meestal aan aan wie of voor wie iets gebeurt: Dou-te o livro betekent ‘Ik geef jou het boek’. Lhe kan ‘aan hem’, ‘aan haar’ of formeel ‘aan u’ betekenen; lhes verwijst naar meer dan één persoon. In Portugal staat het voornaamwoord in een gewone bevestigende hoofdzin vaak achter het werkwoord, terwijl het in gesproken Braziliaans meestal ervoor staat.

Gostar in het PortugeesO Verbo Gostar

Met gostar de zeg je dat iemand iets of iemand leuk vindt, of iets graag doet: Gosto de café en Gosto de cozinhar. Gostar wordt gewoon vervoegd naar degene die de voorkeur heeft; de hoort bij het werkwoord en mag je niet weglaten. Staat er een bepaald lidwoord na de, dan trek je beide woorden samen: de + o = do, de + a = da.

Basisvoegwoorden in het PortugeesConjunções Básicas

Met e (en), ou (of), mas (maar), porém (echter), porque (omdat/want), então (dus/toen) en portanto (dus/daarom) verbind je eenvoudige ideeën. De belangrijkste valkuil voor Nederlandstaligen is de woordvolgorde: na porque gaat het werkwoord niet naar het einde van de bijzin zoals na het Nederlandse omdat.

A2 (10)

Pretérito perfeito simples in het PortugeesPretérito Perfeito Simples

Met de pretérito perfeito simples vertel je dat een handeling of gebeurtenis in het verleden is afgerond: Ontem trabalhei betekent ‘Gisteren heb ik gewerkt’ of ‘Gisteren werkte ik’. Bij regelmatige werkwoorden vervang je -ar, -er of -ir door een persoonsuitgang. Anders dan in het Nederlands heb je daarbij geen hulpwerkwoord als hebben of zijn nodig.

Onregelmatige pretérito-vormen in het PortugeesPretéritos Irregulares

De pretérito perfeito simples stelt een handeling of gebeurtenis als afgerond voor. Veel zeer gangbare Portugese werkwoorden hebben daarin een onregelmatige vorm: fui (ik ging/was), tive (ik had), fiz (ik deed/maakte) en disse (ik zei). Meestal heb je in het Portugees maar één werkwoordsvorm nodig waar het Nederlands vaak een voltooid tegenwoordige tijd gebruikt: Fiz o jantar kan dus zowel “Ik maakte het avondeten” als “Ik heb het avondeten gemaakt” betekenen.

Pretérito imperfeito in het PortugeesPretérito Imperfeito

De pretérito imperfeito gebruik je voor wat vroeger gewoonlijk gebeurde, hoe een situatie toen was of wat op een bepaald moment nog bezig was: morávamos em Lisboa betekent “we woonden toen in Lissabon”. Bij werkwoorden op -ar zie je uitgangen met -ava; bij -er en -ir uitgangen met -ia. Voor één afgeronde gebeurtenis kies je meestal de pretérito perfeito.

Nabije toekomst met *ir* + infinitief in het PortugeesFuturo Próximo

Voor een plan, voornemen of verwachting gebruik je in het Portugees vaak een vorm van ir + een infinitief (de basisvorm van het werkwoord): Vou cozinhar betekent ‘Ik ga koken’. Alleen ir wordt vervoegd; cozinhar blijft onveranderd. Tussen beide werkwoorden komt geen a: dus vou estudar, niet vou a estudar.

De tegenwoordige duurvorm in het PortugeesEstar + Gerúndio

Voor een handeling die nu bezig is, gebruikt Braziliaans Portugees meestal estar + gerúndio: Estou comendo betekent ‘Ik ben aan het eten’. In Portugal is estar a + infinitivo gebruikelijker: Estou a comer. Vervoeg in beide gevallen alleen estar; de vorm van het hoofdwerkwoord blijft voor alle personen gelijk.

Vergelijkingen in het PortugeesOs Comparativos

Voor een verschil zet je meestal mais (meer) of menos (minder) vóór een eigenschap: mais alto do que eu (langer dan ik). Voor gelijkheid gebruik je tão ... como bij eigenschappen en tanto/tanta/tantos/tantas ... como bij hoeveelheden. Vier veelgebruikte vergelijkende vormen moet je apart kennen: melhor, pior, maior en menor.

De gebiedende wijs in het PortugeesImperativo

De Portugese gebiedende wijs heet de imperativo. Voor een bevestigend bevel aan tu gebruik je meestal de vorm zonder de -s van de gewone tegenwoordige tijd: falas wordt Fala! Bij você en vocês, en bij elk ontkennend bevel, gebruik je vormen van de conjuntivo (de aanvoegende wijs): Coma!, Não fales! en Não falem!

Relatieve voornaamwoorden *que* en *quem* in het PortugeesPronomes Relativos: que, quem

Gebruik meestal que om extra informatie over een persoon of zaak aan een zin toe te voegen: o homem que fala en o livro que leio. Que verandert nooit van vorm. Gebruik quem vooral voor personen na een voorzetsel: a pessoa com quem falei.

Gecombineerde voorwerpsvoornaamwoorden in het PortugeesPronomes Combinados

Wanneer een Portugees werkwoord zowel een meewerkend als een lijdend voorwerpsvoornaamwoord krijgt, smelten die twee vaak samen: me + o = mo, te + a = ta en lhe + os = lhos. In Europees Portugees zijn zulke vormen heel normaal; in alledaags Braziliaans Portugees kiest men meestal voor een lossere formulering, zoals te dou isso of expliquei isso para ela.

Reflexieve werkwoorden in de Portugese verleden tijdVerbos Reflexivos no Passado

Bij een reflexief werkwoord verwijst me, te, se, nos, vos of se terug naar degene die de handeling uitvoert: levantei-me betekent ‘ik stond op’. Zet het werkwoord in de passende verleden tijd en laat het voornaamwoord met de persoon meegaan. In Portugal staat dat voornaamwoord in een gewone bevestigende hoofdzin meestal achter het werkwoord; in Brazilië staat het in alledaagse taal meestal ervoor.

B1 (14)

Futuro simples in het PortugeesFuturo Simples

De Portugese futuro simples vormt één werkwoord van de infinitief (de onbepaalde vorm, zoals falar) plus een uitgang: falarei, falarás, falará, falaremos, falareis, falarão. Alleen fazer, dizer en trazer hebben veelgebruikte afwijkende stammen: far-, dir- en trar-. In gesprekken klinkt ir + infinitief vaak natuurlijker, terwijl de futuro simples veel voorkomt in formele mededelingen, geschreven voorspellingen en nadrukkelijke toezeggingen.

De condicional in het PortugeesCondicional

De Portugese condicional komt vaak overeen met Nederlands zou/zouden + werkwoord: viajaria betekent bijvoorbeeld ‘ik/hij/zij zou reizen’. Je vormt hem meestal door -ia, -ias, -ia, -íamos, -íeis, -iam achter de infinitief te zetten. Je gebruikt deze vorm vooral voor beleefde wensen en verzoeken, hypothetische gevolgen en een toekomst die vanuit een moment in het verleden wordt bekeken.

Perfeito en imperfeito in het PortugeesPerfeito vs Imperfeito

Gebruik de pretérito perfeito voor een gebeurtenis die je als afgerond en begrensd voorstelt: Saí às oito (ik vertrok om acht uur). Gebruik de pretérito imperfeito voor wat vroeger gewoonlijk gebeurde, hoe iets toen was of wat al aan de gang was: Chovia quando saí (het regende toen ik vertrok). In een verhaal levert de imperfeito vaak het decor en brengt de perfeito de gebeurtenissen op gang.

Conjuntivo presente in het PortugeesConjuntivo Presente

De conjuntivo presente drukt niet zomaar een feit uit, maar bijvoorbeeld een wens, twijfel, emotie of noodzaak: Espero que estejas bem betekent ‘Ik hoop dat het goed met je gaat’. Je maakt de regelmatige vormen vanuit de eu-vorm van de tegenwoordige tijd: haal de laatste -o weg en gebruik bij werkwoorden op -ar de uitgangen met e, en bij werkwoorden op -er en -ir die met a.

Triggers voor de conjuntivo in het PortugeesUsos do Conjuntivo

De Portugese conjuntivo (een werkwoordsvorm voor onder meer wensen, twijfel en nog niet vaststaande gebeurtenissen) verschijnt vaak na herkenbare woorden en uitdrukkingen. Denk aan quero que, é necessário que, é possível que, antes que, para que, embora en oxalá. Bij quando gebruik je voor een toekomstige gebeurtenis meestal de futuro do conjuntivo: Quando chegares, telefona-me.

De mais-que-perfeito in het PortugeesMais-que-perfeito

Met de mais-que-perfeito plaats je een gebeurtenis vóór een ander moment in het verleden: Quando cheguei, ela já tinha saído — ‘Toen ik aankwam, was ze al vertrokken.’ In alledaags Portugees gebruik je meestal een vorm van ter in de onvoltooid verleden tijd plus een voltooid deelwoord: tinha/tínhamos + falado, comido, partido.

De overtreffende trap in het PortugeesO Superlativo

Voor ‘de grootste’, ‘het interessantst’ of ‘de minst dure’ gebruikt het Portugees meestal een bepaald lidwoord plus mais of menos: a cidade mais antiga en o carro menos caro. Bom, mau, grande en pequeno hebben vaak de onregelmatige vormen melhor, pior, maior en menor. Wie alleen ‘heel’ of ‘uiterst’ bedoelt, gebruikt muito of een vorm op -íssimo: muito bonito of lindíssimo.

Onde, cujo en o qual in het PortugeesPronomes Relativos: onde, cujo

Gebruik onde als het voorafgaande woord een plaats is: a cidade onde moro. Gebruik bij tijd meestal em que: o dia em que cheguei. Cujo, cuja, cujos, cujas drukken bezit uit en richten zich naar het bezeten woord, terwijl o qual, a qual, os quais, as quais vooral na een voorzetsel nuttig zijn: a razão pela qual vim.

De lijdende vorm in het PortugeesVoz Passiva

De Portugese lijdende vorm legt de nadruk op wie of wat een handeling ondergaat. Je maakt hem meestal met een vorm van ser + een voltooid deelwoord dat zich aanpast aan het onderwerp: A carta foi escrita (‘De brief werd geschreven’). Als de handelende persoon niet belangrijk is, gebruikt het Portugees ook vaak se: Vendem-se casas (‘Huizen te koop’).

Indirecte rede in het PortugeesDiscurso Indireto

Met de indirecte rede (discurso indireto) vertel je iemands woorden na zonder ze letterlijk te citeren. Na dizer en responder leidt que meestal een mededeling in; bij een ja/nee-vraag gebruik je se en bij een opdracht vaak para + infinitief: Disse que vinha, Perguntou se eu podia ir, Disse-me para esperar. Staat het inleidende werkwoord in het verleden, dan kunnen ook de werkwoordstijd, voornaamwoorden en woorden als hoje en aqui verschuiven.

De persoonlijke infinitief in het PortugeesInfinitivo Pessoal

De Portugese infinitivo pessoal is een infinitief die laat zien wie de handeling uitvoert: É importante estudarmos betekent ‘Het is belangrijk dat wij studeren’. Je voegt aan de gewone infinitief alleen bij tu, nós, vós en de derde persoon meervoud een uitgang toe: -es, -mos, -des, -em. Gebruik deze vorm vooral wanneer een infinitiefzin een eigen, duidelijk of benadrukt onderwerp heeft.

Onpersoonlijke constructies in het PortugeesConstruções Impessoais

Met é preciso, é necessário, é possível en é importante geef je een algemene noodzaak, mogelijkheid of beoordeling zonder een persoon als onderwerp te noemen. Daarna volgt meestal een infinitief voor een algemene handeling (É preciso estudar) of que + de aanvoegende wijs wanneer de zin een concreet onderwerp heeft (É preciso que estudes). Há que + infinitief betekent ongeveer ‘men moet’.

Voorwaardelijke zinnen met *se* in het PortugeesOrações Condicionais

Een haalbare voorwaarde in de toekomst krijgt in het Portugees meestal se + futuro do conjuntivo: Se tiver tempo, vou contigo (Als ik tijd heb, ga ik met je mee). Voor een denkbeeldige of onwaarschijnlijke situatie gebruik je se + imperfeito do conjuntivo, met meestal de condicional in de hoofdzin: Se tivesse tempo, iria contigo (Als ik tijd had, zou ik met je meegaan). Juist dat verschil in werkwoordsvorm is voor Nederlandstaligen belangrijk, want het Nederlands gebruikt na als vaak gewoon een tegenwoordige of verleden tijd.

Gevorderd gebruik van *ser* en *estar* in het PortugeesSer vs Estar - Avançado

Gebruik ser om iemand of iets te typeren, identificeren of classificeren, en estar om een toestand of waargenomen situatie te beschrijven. Bij sommige bijvoeglijke naamwoorden verandert daardoor de betekenis: Ele é esperto betekent dat hij slim is, terwijl Ele está esperto zegt dat hij alert is. Met een voltooid deelwoord legt ser de nadruk op de handeling en estar op het resultaat: A janela foi aberta tegenover A janela está aberta.

B2 (9)

Conjuntivo imperfeito in het PortugeesConjuntivo Imperfeito

De conjuntivo imperfeito drukt meestal een gewenste, betwijfelde, denkbeeldige of niet-verwezenlijkte situatie uit vanuit een verleden standpunt: Queria que viesses betekent ‘Ik wilde dat je kwam’. Je vormt deze tijd vanuit de derde persoon meervoud van de pretérito perfeito: haal -ram weg en voeg -sse, -sses, -sse, -ssemos, -sseis, -ssem toe. In een onwerkelijke voorwaarde staat vaak se + conjuntivo imperfeito, met een voorwaardelijke vorm in de hoofdzin: Se pudesse, faria isso.

De conjuntivo futuro in het PortugeesConjuntivo Futuro

De conjuntivo futuro drukt in een bijzin een toekomstige gebeurtenis uit die nog niet vaststaat: Quando chegares, telefona-me — ‘Bel me wanneer je aankomt.’ Je ziet deze vorm vooral na woorden als quando (wanneer), se (als), enquanto (zolang/terwijl) en assim que (zodra). Regelmatige vormen lijken op de infinitief, maar veel veelgebruikte werkwoorden hebben een afwijkende stam: tiver, vier, puder, fizer.

De voltooide conjunctief in het PortugeesConjuntivo Perfeito

De Portugese conjuntivo perfeito vorm je met de tegenwoordige conjunctief van ter plus een voltooid deelwoord: tenha chegado, tenhas visto, tenham feito. Je gebruikt deze vorm wanneer iets al gebeurd kan zijn, terwijl de zin dat niet simpelweg als feit presenteert, maar bijvoorbeeld als hoop, twijfel, mogelijkheid of emotionele beoordeling: Espero que tenha chegado — ‘Ik hoop dat hij of zij is aangekomen.’

Condicional composto in het PortugeesCondicional Composto

De condicional composto bestaat uit een vorm van teria plus een voltooid deelwoord: teria aceitado betekent ‘zou hebben aanvaard’. Je gebruikt deze vorm vooral voor een mogelijk of denkbeeldig gevolg in het verleden, voor gemiste kansen en voor terugblikkende uitspraken met werkwoorden als poder, dever en querer.

Verleden voorwaardelijke zinnen in het PortugeesCondicionais Passadas

Voor een verleden dat in werkelijkheid anders is gelopen, gebruikt het Portugees meestal se + tivesse + voltooid deelwoord voor de voorwaarde en teria + voltooid deelwoord voor het gevolg: Se tivesse sabido, teria vindo — “Als ik het geweten had, was ik gekomen.” Ligt het gevolg nog in het heden, dan staat daar vaak de enkelvoudige voorwaardelijke wijs: Se tivesse estudado, seria médico agora — “Als ik had gestudeerd, zou ik nu arts zijn.”

Voltooid verleden conjunctief in het PortugeesMais-que-perfeito Composto do Conjuntivo

De Portugese voltooid verleden conjunctief bestaat uit tivesse — vervoegd naar de persoon — plus een voltooid deelwoord: se eu tivesse sabido betekent ‘als ik het had geweten’. Je gebruikt deze vorm om vanuit een later moment terug te kijken op een eerdere, niet als feit gepresenteerde handeling, bijvoorbeeld in een onvervulde voorwaarde, een wens of twijfel over het verleden.

Futuro composto in het PortugeesFuturo Composto

Het Portugese futuro composto bestaat uit de toekomende tijd van ter plus een voltooid deelwoord: terei terminado — ‘ik zal klaar zijn’ of ‘ik zal het afgerond hebben’. Je gebruikt deze vorm vooral voor iets dat vóór een toekomstig ijkpunt voltooid zal zijn. Dezelfde vorm kan ook een vermoeden over het verleden uitdrukken: Terá esquecido betekent dan ‘hij of zij zal het wel vergeten zijn’.

Plaatsing van voornaamwoorden in het PortugeesColocação dos Pronomes

Een onbeklemtoond voornaamwoord als me, te, o of lhe kan in het Portugees vóór het werkwoord staan (não o vi), er met een koppelteken achter staan (dou-te) of, in formele toekomstvormen, midden in het werkwoord staan (dar-te-ei). Ontkenningen, vraagwoorden en veel onderschikkende woorden trekken het voornaamwoord naar voren. Zonder zo’n aantrekker kiest de Europese standaardtaal vaak voor plaatsing achter het werkwoord, terwijl gesproken Braziliaans meestal plaatsing ervoor verkiest.

Bijwoorden op -mente in het PortugeesAdvérbios em -mente

Een Portugees bijwoord op -mente maak je meestal van de vrouwelijke enkelvoudsvorm van een bijvoeglijk naamwoord: lento → lenta → lentamente. Heeft het bijvoeglijk naamwoord voor mannelijk en vrouwelijk dezelfde vorm, dan voeg je -mente rechtstreeks toe: feliz → felizmente. In een reeks kan alleen het laatste woord -mente krijgen: clara e diretamente.

C1 (7)

Mais-que-perfeito simples in het PortugeesMais-que-perfeito Simples

Het mais-que-perfeito simples drukt uit dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden: Quando cheguei, ela já partira betekent ‘Toen ik aankwam, was zij al vertrokken.’ De vorm bestaat uit één werkwoord, zoals falara, comera of partira, maar in gewone spreektaal gebruikt men meestal de samengestelde vorm met tinha: tinha falado, tinha comido, tinha partido.

Gevorderde persoonlijke infinitief in het PortugeesInfinitivo Pessoal Avançado

Het Portugese infinitivo pessoal kan een eigen onderwerp en persoonsuitgang hebben: depois de chegarmos betekent ‘nadat wij waren aangekomen’. Op gevorderd niveau combineer je die vorm met ter + voltooid deelwoord (termos chegado) en ser + voltooid deelwoord (serem aprovados). Vaak levert dat een compact alternatief op voor een bijzin met de conjuntivo, maar beide constructies zijn niet altijd zonder betekenisverschil uitwisselbaar.

Tijdsvolgorde in het PortugeesConcordância dos Tempos

Bij de Portugese concordância dos tempos stem je de werkwoordsvorm van een bijzin af op het tijdsperspectief van de hoofdzin. Vergelijk Quero que venhas met Queria que viesses: na een tegenwoordige hoofdzin staat meestal de tegenwoordige conjunctief, na een verleden hoofdzin meestal de onvoltooid verleden conjunctief. Een handeling die op dat verleden tijdstip al voltooid was, krijgt vaak tivesse + voltooid deelwoord.

Formeel register in het PortugeesRegisto Formal

Formeel Portugees is niet simpelweg Portugees met moeilijke woorden. Het is een samenhangende stijl voor professionele, academische, zakelijke en juridische situaties: precies, beleefd en minder persoonlijk, met formuleringen als mediante, não obstante, em virtude de, no âmbito de en venho por este meio. Welke vorm passend is, hangt af van het teksttype en van de afstand tussen schrijver en lezer.

Nominalisatie in het PortugeesNominalização

Bij nominalisatie druk je een handeling, proces of eigenschap uit met een zelfstandig naamwoord: desenvolver wordt bijvoorbeeld desenvolvimento en possível wordt possibilidade. Dat is vooral nuttig in zakelijke, wetenschappelijke en bestuurlijke teksten. De vorming is niet volledig voorspelbaar: leer daarom naast het achtervoegsel ook het geslacht en de vaste voorzetsels van het nieuwe woord.

Nadrukstructuren in het PortugeesEstruturas de Ênfase

Het Portugees kan een persoon, zaak, tijdstip of reden extra nadruk geven door de zin als het ware in tweeën te splitsen: Foi a Maria que fez isto legt de aandacht op a Maria. Ook o que...é, quem...foi, é que en vooropplaatsing zijn heel gebruikelijk. Waar het Nederlands vaak alleen klemtoon gebruikt, kiest het Portugees geregeld voor zo'n vaste zinsbouw.

Verkleinwoorden en vergrotingsvormen in het PortugeesDiminutivos e Aumentativos

Portugese achtervoegsels zoals -inho/-inha en -zinho/-zinha maken iets niet alleen kleiner: ze kunnen ook genegenheid, beleefdheid, verzachting of ironie uitdrukken. -ão/-ona en -aço/-aça maken iets groter of sterker en geven vaak meteen een oordeel mee. De context en intonatie bepalen daarom evenveel als de letterlijke grootte.

C2 (5)

Braziliaans en Europees PortugeesVariação Brasil/Portugal

Braziliaans Portugees (BR) en Europees Portugees (PT) zijn varianten van dezelfde taal en zijn grotendeels wederzijds verstaanbaar. De verschillen zijn echter systematisch: estou fazendo tegenover estou a fazer, me diga tegenover diga-me, en vaak você tegenover tu. Er bestaat bovendien niet één Braziliaans of één Portugees accent; regio, leeftijd, situatie en spreektaal of schrijftaal bepalen welke vorm natuurlijk klinkt.

Informele omgangstaal in het PortugeesRegisto Coloquial

Informeel Portugees is geen vaste lijst met slangwoorden, maar een samenspel van woordkeuze, verkorte uitspraak, aanspreekvormen en gespreksmarkeerders zoals pá, tipo, pronto en né. Portugal en Brazilië hebben elk herkenbare gewoonten: bué fixe klinkt typisch Portugees, terwijl que legal typisch Braziliaans is. Begrijpen komt vóór nadoen: kies vormen die passen bij de regio, de relatie en de situatie.

Discoursverbinders in het PortugeesConectores do Discurso

Portugese discoursverbinders maken zichtbaar hoe een gedachte zich tot de vorige verhoudt: als tegenstelling, gevolg, bevestiging of nadrukkelijke toevoeging. Op C2-niveau gaat het niet alleen om de betekenis van no entanto, contudo of por conseguinte, maar ook om register, plaatsing en de logische relatie die je werkelijk wilt uitdrukken. Nederlandse woorden als echter, dus en inderdaad geven richting, maar zijn geen automatische één-op-éénvertalingen.

Retorische middelen in het PortugeesRecursos Retóricos

Portugese retorische middelen veranderen niet zozeer wat een zin letterlijk zegt, maar vooral hoe die boodschap aankomt. Met ontkenning, overdrijving, herhaling, omkering, een schijnvraag of een onvolledige zin kun je bijvoorbeeld ironie, nadruk, ritme of terughoudendheid creëren. Op C2-niveau gaat het er vooral om dat je het bedoelde effect uit de context afleidt en het middel alleen gebruikt wanneer het bij tekstsoort en situatie past.

Administratieve taal in het PortugeesLinguagem Administrativa

Portugese administratieve taal is het formele register van besluiten, verklaringen, reglementen, officiële brieven en juridische stukken. Kenmerkend zijn onpersoonlijke formuleringen, passieven, zelfstandige naamwoorden voor handelingen en vaste frasen zoals para os devidos efeitos. Op C2-niveau moet je zulke taal vooral precies kunnen interpreteren en vervolgens kiezen tussen een traditionele formule en een duidelijkere, modernere formulering.

Klaar om Portugees te leren? Probeer Settemila Lingue gratis — geen creditcard, geen verplichtingen. Oefen met AI-gegenereerde flashcards als je klaar bent om rond te kijken.

Gratis beginnen