A1

Estar in de Portugese tegenwoordige tijd

O Verbo Estar - Presente

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Portugees op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Het Portugese estar betekent vaak ‘zijn’, maar wordt vooral gebruikt voor waar iemand of iets zich bevindt en hoe iemand of iets er op dat moment aan toe is: Estou em casa (Ik ben thuis) en A sopa está fria (De soep is koud). De tegenwoordige vormen zijn estou, estás, está, estamos, estais, estão.

Overzicht

In het Nederlands hebben we één veelgebruikt werkwoord zijn. Het Portugees verdeelt een groot deel van dat werk over ser en estar. Met estar spreek je meestal over een plaats, een gevoel, een toestand die op een bepaald moment geldt, of het resultaat van een verandering. Denk aan Ela está no trabalho (Zij is op haar werk), Estou contente (Ik ben blij) en A porta está aberta (De deur staat open).

Dit is basisstof op A1-niveau, omdat je estar voortdurend nodig hebt: om te zeggen waar je bent, te vragen hoe het met iemand gaat en eenvoudige situaties te beschrijven. Estar is onregelmatig. Je kunt de vormen dus niet volledig afleiden uit een vast patroon; leer ze als een reeks.

De vuistregel ‘ser is blijvend en estar is tijdelijk’ helpt in het begin, maar is niet de hele waarheid. Bij estar gaat het vooral om een toestand of situatie, niet om de vraag hoelang die duurt. Iemand kan bijvoorbeeld está morto (is dood) zijn, hoewel dat niet tijdelijk is. De uitgebreidere tegenstelling met ser komt later in dit artikel aan bod.

Hoe het werkt

De vervoeging

De infinitief (de onbepaalde vorm, zoals zijn of lopen) is estar. In de tegenwoordige tijd verandert die vorm volgens het onderwerp: wie of wat zich ergens bevindt of in een bepaalde toestand verkeert.

Persoon Onderwerp Vorm van estar Nederlandse betekenis
1e persoon enkelvoud eu estou ik ben
2e persoon enkelvoud tu estás jij bent
3e persoon enkelvoud ele, ela, você está hij/zij is, u/jij bent
1e persoon meervoud nós estamos wij zijn
2e persoon meervoud vós estais jullie zijn
3e persoon meervoud eles, elas, vocês estão zij zijn, jullie zijn

Let goed op de accenten in estás en está, en op de uitgang van estão. Zonder accent is esta geen werkwoordsvorm maar bijvoorbeeld het aanwijzende woord ‘deze’: esta casa (dit huis) tegenover a casa está vazia (het huis is leeg).

In het Portugees kan het onderwerpvoornaamwoord vaak weg, omdat de werkwoordsvorm al veel informatie geeft:

  • Eu estou cansado.Estou cansado.
  • Nós estamos prontos.Estamos prontos.
  • Eles estão aqui.Estão aqui.

Bij está kan het weglaten van het onderwerp wel onduidelijkheid geven: de vorm kan bij ele, ela, você of een zelfstandig naamwoord horen. De context maakt meestal duidelijk wie bedoeld wordt.

Plaats: waar iemand of iets is

Gebruik estar voor de plaats van personen, dieren en voorwerpen:

  • estar + em + plaats: Estou em Lisboa. (Ik ben in Lissabon.)
  • estar + aqui/ali/lá: O livro está aqui. (Het boek ligt hier.)
  • estar + plaatsbepaling: O café está perto. (Het café is dichtbij.)

Het voorzetsel em (in, op, bij) trekt vaak samen met een lidwoord: em + o = no en em + a = na. Daarom zeg je no escritório (op kantoor) en na cozinha (in de keuken). Dat is een eigenschap van het voorzetsel en lidwoord; de keuze voor estar verandert er niet door.

Er is één belangrijke uitzondering om alvast te herkennen: voor de plaats van een evenement gebruikt het Portugees gewoonlijk ser. Vergelijk:

  • A Ana está no café. — Ana is in het café.
  • A reunião é no café. — De vergadering is in het café.

Een persoon of ding bevindt zich ergens; een evenement vindt plaats ergens. Voor Nederlandstaligen voelt dat onderscheid niet vanzelfsprekend, omdat in beide Nederlandse zinnen zijn kan staan.

Toestand, gevoel en gezondheid

Met estar beschrijf je hoe iemand of iets er nu aan toe is:

  • Estou bem. — Het gaat goed met me.
  • Ele está doente. — Hij is ziek.
  • Estamos cansados. — Wij zijn moe.
  • A sopa está fria. — De soep is koud.

Een bijvoeglijk naamwoord — een woord dat een eigenschap noemt, zoals moe of koud — past zich in het Portugees vaak aan geslacht en aantal aan. Een man zegt Estou cansado, een vrouw Estou cansada; een gemengde groep kan zeggen Estamos cansados en een groep vrouwen Estamos cansadas. De vorm van estar hangt af van het onderwerp, en de vorm van het bijvoeglijk naamwoord moet daar eveneens bij passen.

Voor sommige lichamelijke gewaarwordingen gebruikt het Portugees niet rechtstreeks een bijvoeglijk naamwoord, maar estar com (‘zijn met’):

  • Estou com fome. — Ik heb honger.
  • Ela está com frio. — Zij heeft het koud.
  • Estamos com sono. — We hebben slaap.

Hier is de Nederlandse vertaling met hebben of het ... hebben natuurlijker. Een letterlijke vertaling helpt dus niet altijd bij het kiezen van de Portugese constructie.

Een toestand als resultaat

Estar kan aangeven dat een handeling tot een zichtbare toestand heeft geleid:

  • A porta está fechada. — De deur is dicht.
  • As janelas estão abertas. — De ramen staan open.
  • O jantar está preparado. — Het avondeten is klaar.

Woorden als fechada en preparado zijn hier voltooide deelwoorden (vormen zoals Nederlands gesloten of voorbereid) die als beschrijving van een resultaat dienen. Ook deze woorden passen zich vaak aan het zelfstandig naamwoord aan: a porta fechada, os restaurantes fechados.

Vragen en ontkenningen

Voor een ja-neevraag hoef je de woordvolgorde meestal niet om te draaien. De intonatie en het vraagteken maken er een vraag van:

  • Estás em casa? — Ben je thuis?
  • Vocês estão prontos? — Zijn jullie klaar?
  • Como está? — Hoe gaat het met u/je?

Voor een ontkenning staat não direct vóór de vervoegde vorm:

  • Não estou cansado. — Ik ben niet moe.
  • A loja não está aberta. — De winkel is niet open.

Dat lijkt meer op Nederlands ik ben niet dan op een ingewikkelde hulpwerkwoordconstructie: er komt geen extra werkwoord bij.

Voorbeelden in context

Portugees Nederlands Toelichting
Estou em casa. Ik ben thuis. Plaats, eerste persoon enkelvoud
Como estás? Hoe gaat het met je? Informeel enkelvoud met tu
A sopa está fria. De soep is koud. Toestand op dit moment
Estamos cansados. We zijn moe. Meervoud; het bijvoeglijk naamwoord past zich aan
O Pedro está no trabalho. Pedro is op zijn werk. em + o wordt no
As chaves estão na mesa. De sleutels liggen op tafel. Nederlands gebruikt hier vaak liggen
Hoje ela está muito contente. Vandaag is ze erg blij. Gevoel op een bepaald moment
Não estou com fome. Ik heb geen honger. Ontkenning en de constructie estar com
Vocês estão prontos? Zijn jullie klaar? Vocês krijgt de derde persoon meervoud
A janela está aberta. Het raam staat open. Resultaat van openen
Os museus estão fechados hoje. De musea zijn vandaag gesloten. fechados past bij mannelijk meervoud
Nós estamos aqui, mas a Rita está lá. Wij zijn hier, maar Rita is daar. Twee verschillende plaatsen
O café está perto da estação. Het café ligt dicht bij het station. Plaats van een gebouw
A festa é na casa do Luís. Het feest is bij Luís thuis. Evenement: hier staat ser, niet estar

Veelgemaakte fouten

Ser gebruiken voor elke Nederlandse vorm van ‘zijn’

  • Onjuist: Eu sou em casa.
  • Juist: Eu estou em casa.
  • Waarom: Voor de plaats van een persoon of voorwerp gebruik je estar. Het Nederlandse zijn vertelt je niet automatisch welk Portugees werkwoord nodig is.

De verkeerde vorm bij você of vocês

  • Onjuist: Você estás bem? / Vocês estais prontos?
  • Juist: Você está bem? / Vocês estão prontos?
  • Waarom: Você verwijst naar de aangesprokene, maar neemt grammaticaal de derde persoon enkelvoud. Vocês neemt de derde persoon meervoud.

Het accent vergeten

  • Onjuist: Ela esta cansada.
  • Juist: Ela está cansada.
  • Waarom: Está is de werkwoordsvorm. Esta zonder accent betekent meestal ‘deze’ bij een vrouwelijk woord, zoals in esta cadeira.

Het bijvoeglijk naamwoord niet laten meeveranderen

  • Onjuist: As meninas estão cansado.
  • Juist: As meninas estão cansadas.
  • Waarom: Meninas is vrouwelijk meervoud. De beschrijving cansadas krijgt daarom eveneens de vrouwelijke meervoudsvorm.

Een Nederlandse constructie letterlijk overnemen

  • Onjuist: Estou fome.
  • Juist: Estou com fome.
  • Waarom: Voor honger, dorst, kou en enkele andere gewaarwordingen gebruikt het Portugees vaste constructies. Bij honger is dat estar com fome; ook ter fome komt voor. Leer de hele woordgroep, niet alleen het losse zelfstandig naamwoord.

Estar gebruiken voor de locatie van een evenement

  • Onjuist: O concerto está no parque.
  • Juist: O concerto é no parque.
  • Waarom: De plaats waar een evenement plaatsvindt wordt gewoonlijk met ser uitgedrukt. Een muzikant kan daarentegen wel está no parque zijn.

Gebruiksnotities

Tu, você en regionale verschillen

In Portugal is tu estás gebruikelijk bij één persoon die je informeel aanspreekt. In Brazilië is você está in veel regio’s heel gewoon, ook in informele situaties. Tu komt in Brazilië eveneens voor, maar het precieze gebruik en de bijbehorende werkwoordsvorm verschillen per regio. Voor een duidelijke standaardbasis kun je tu estás en você está aanhouden.

Voor meerdere aangesproken personen is vocês estão in zowel Brazilië als het hedendaagse Portugal de normale vorm. Vós estais hoort wel bij de volledige vervoeging, maar is in het dagelijkse taalgebruik zeldzaam. Je ziet of hoort het vooral in oudere, plechtige of religieuze taal en in beperkt regionaal gebruik.

Het onderwerp wordt vaak weggelaten

Estou bem klinkt volkomen volledig; eu is niet verplicht. Zet het onderwerp er vooral bij voor nadruk of tegenstelling: Eu estou bem, mas ele está doente (Met míj gaat het goed, maar hij is ziek). Nederlandstaligen zetten uit gewoonte vaak overal een voornaamwoord. Dat is grammaticaal niet per se fout, maar kan onnodig nadrukkelijk klinken.

Nederlands kiest vaak een ander werkwoord

Waar het Portugees estar gebruikt, kiest het Nederlands geregeld staan, liggen, zitten of zich bevinden: O copo está na mesa kan ‘Het glas staat op tafel’ betekenen en Lisboa está em Portugal ‘Lissabon ligt in Portugal’. Het Portugees verplicht je hier doorgaans niet om de houding van het voorwerp te benoemen. Vertaal daarom de betekenis van de hele zin, niet elk werkwoord afzonderlijk.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze maken duidelijk waarom alleen ‘tijdelijk tegenover blijvend’ geen betrouwbare eindregel is.

Ser en estar kiezen een ander perspectief

Met ser kenmerk je of identificeer je iemand of iets; met estar beschrijf je de toestand waarin die persoon of zaak zich bevindt. Dezelfde beschrijving kan daardoor een andere betekenis of invalshoek krijgen:

Met ser Met estar Verschil
Ele é nervoso. Ele está nervoso. Hij is van nature nerveus tegenover hij is nu zenuwachtig.
Ela é bonita. Ela está bonita. Zij is mooi tegenover zij ziet er nu mooi uit.
A sopa é boa. A sopa está boa. De soep is in het algemeen goed tegenover deze soep smaakt/is nu goed.
Ele é rico. Este bolo está rico. Hij is rijk tegenover deze cake is lekker; rico verandert hier van betekenis.

Dit is geen simpele tijdsmeting. Está morto beschrijft bijvoorbeeld een toestand, ook al is die definitief. En bij woorden als casado kunnen ser en estar allebei voorkomen, afhankelijk van regio, context en de gekozen nadruk. Leer daarom na de beginnervuistregel steeds vaker vaste combinaties en echte zinnen.

Een handeling die bezig is

Estar vormt ook constructies voor iets dat op dit moment gaande is. In Braziliaans Portugees is estar + gerúndio gebruikelijk; het gerúndio is een werkwoordsvorm op bijvoorbeeld -ando, -endo of -indo:

  • Estou trabalhando. — Ik ben aan het werk.
  • Eles estão dormindo. — Zij zijn aan het slapen.

In Europees Portugees hoor je vaak estar a + infinitief:

  • Estou a trabalhar. — Ik ben aan het werk.
  • Eles estão a dormir. — Zij zijn aan het slapen.

Dit regionale verschil hoort bij het afzonderlijke onderwerp over de tegenwoordige duurvorm. In beide constructies moet je eerst de juiste tegenwoordige vorm van estar kiezen.

Veelvoorkomende vaste combinaties

Estar komt voor in tal van woordgroepen die je het best als geheel leert:

  • estar de férias — met vakantie zijn
  • estar com pressa — haast hebben
  • estar com medo — bang zijn
  • estar sem dinheiro — zonder geld zitten
  • estar de acordo — het eens zijn
  • estar à vontade — zich op zijn gemak voelen

Deze combinaties tonen opnieuw dat een woord-voor-woordvertaling vanuit het Nederlands misleidend kan zijn.

Oefentips

  1. Leer de vormen in drie paren: estou–estamos, estás–estais en está–estão. Maak daarna voor elke vorm één zin over plaats en één over toestand. Zo leer je niet alleen een rijtje, maar ook het gebruik.
  2. Beschrijf je directe omgeving: zeg bijvoorbeeld Estou na cozinha, As chaves estão na mesa en A porta está aberta. Controleer tegelijk de samentrekkingen no/na en de aanpassing van woorden als aberto/aberta.
  3. Oefen contrasten met het Nederlands: vertaal zinnen met zijn, staan, liggen en zich voelen naar het Portugees. Vraag bij elke zin: gaat dit om plaats, een toestand, een resultaat of een evenement? Dat voorkomt dat je blind één Nederlands werkwoord kopieert.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het PortugeesA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen O Verbo Estar - Presente in Portugees met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Portugees · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen