A1

Estar in de tegenwoordige tijd in het Spaans

El Verbo Estar - Presente

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Spaans op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Estar is een van de twee Spaanse werkwoorden voor het Nederlandse zijn. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen estoy, estás, está, estamos, estáis en están. Gebruik estar vooral voor waar iemand of iets zich bevindt en voor een toestand, gevoel of resultaat: Estoy en casa en La puerta está abierta.

Overzicht

In het Nederlands kan één werkwoord, zijn, heel verschillende dingen uitdrukken: wie iemand is, waar iemand is en hoe iemand zich voelt. Het Spaans verdeelt dat werk vooral over ser en estar. Dit artikel gaat over de tegenwoordige tijd van estar. Je gebruikt die vormen dagelijks: om te vertellen waar je bent, te vragen hoe het gaat of een actuele toestand te beschrijven.

Dit is basisstof op A1-niveau. De eenvoudigste kapstok is: estar voor plaats en toestand. Denk aan Estamos en Madrid (we zijn in Madrid) en Estamos cansados (we zijn moe). De vaak gehoorde regel „ser is blijvend, estar is tijdelijk” helpt soms, maar is niet betrouwbaar genoeg. Madrid ligt bijvoorbeeld blijvend in Spanje, en toch zeg je Madrid está en España. De betekenissoort — plaats, toestand of resultaat — is belangrijker dan de duur.

Estar is onregelmatig: je kunt niet alle vormen maken door alleen de gewone uitgangen achter de stam te zetten. Daarom loont het om de zes vormen als één ritme te leren. Het onderwerp (wie of wat de toestand heeft) hoeft in het Spaans bovendien niet altijd genoemd te worden, omdat de werkwoordsvorm vaak al duidelijk genoeg is.

Hoe het werkt

De zes vormen

De infinitief (de onverbogen vorm van het werkwoord) is estar. In de tegenwoordige tijd wordt die zo vervoegd:

Persoon Spaans Vorm Nederlandse betekenis
eerste persoon enkelvoud yo estoy ik ben
tweede persoon enkelvoud estás jij bent
derde persoon enkelvoud él, ella, usted está hij/zij is, u bent
eerste persoon meervoud nosotros/nosotras estamos wij zijn
tweede persoon meervoud vosotros/vosotras estáis jullie zijn
derde persoon meervoud ellos, ellas, ustedes están zij zijn, u/jullie zijn

Let op de accenten in estás, está, estáis en están. Estoy en estamos hebben geen accentteken. Zo'n teken is geen versiering: het hoort bij de spelling en geeft hier ook aan waar de klemtoon valt.

Het onderwerp kan weg als uit de vorm of de situatie duidelijk is over wie het gaat:

  • Estoy bien. — Ik maak het goed.
  • ¿Estáis preparados? — Zijn jullie er klaar voor?
  • Están en el trabajo. — Ze zijn op het werk.

Bij está en están kan een genoemd onderwerp juist nodig zijn om dubbelzinnigheid te voorkomen. Está cansada kan zonder verdere context „zij is moe” of „u bent moe” betekenen.

1. Plaats van personen en dingen

Gebruik estar + plaatsbepaling om te zeggen waar iemand of iets zich bevindt. Dit geldt ook wanneer die plaats helemaal niet tijdelijk is.

  • El baño está arriba. — De badkamer is boven.
  • Mis llaves están en la mesa. — Mijn sleutels liggen op tafel.
  • Ámsterdam está en los Países Bajos. — Amsterdam ligt in Nederland.

Het Nederlands kiest afhankelijk van de zaak soms staan, liggen of zitten. Het Spaans kan in al deze gevallen gewoon estar gebruiken. Vertaal dus niet woord voor woord: Las botellas están en la nevera kan natuurlijk Nederlands worden als „De flessen staan in de koelkast”.

Een belangrijke uitzondering hoort eigenlijk bij het onderscheid tussen ser en estar: voor de plaats waar een evenement plaatsvindt gebruikt het Spaans doorgaans ser. Vergelijk La fiesta es en casa de Ana (het feest is bij Ana thuis) met Ana está en casa (Ana is thuis).

2. Lichamelijke en emotionele toestand

Met estar beschrijf je hoe iemand of iets er op dat moment aan toe is:

  • Estoy cansado/cansada. — Ik ben moe.
  • ¿Cómo estás? — Hoe gaat het met je?
  • Los niños están contentos. — De kinderen zijn blij.

Een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap of toestand noemt) past zich vaak aan het geslacht en getal van het onderwerp aan. Een man zegt Estoy cansado; een vrouw zegt Estoy cansada. Bij een gemengde groep is Estamos cansados de gebruikelijke vorm; bij een groep die alleen uit vrouwen bestaat, Estamos cansadas. Woorden op bijvoorbeeld -e, zoals triste, hebben vaak geen aparte mannelijke en vrouwelijke vorm: Él está triste en Ella está triste.

3. Toestand en resultaat

Estar kan ook de toestand van een zaak beschrijven, vaak als resultaat van een handeling of verandering:

  • La puerta está cerrada. — De deur is dicht.
  • La comida está preparada. — Het eten is klaar.
  • Los vasos están limpios. — De glazen zijn schoon.

Woorden als cerrado en preparado zijn hier voltooid deelwoorden (vormen zoals Nederlands gesloten en voorbereid) die als bijvoeglijk naamwoord functioneren. Daarom stemmen ze af op het onderwerp: la puerta está cerrada, maar las puertas están cerradas.

Dit gebruik gaat niet noodzakelijk over iets kortstondigs. El edificio está destruido kan een langdurige toestand beschrijven. Ook Está muerto gebruikt estar: dood zijn is niet tijdelijk, maar wordt in het Spaans opgevat als een toestand of het resultaat van sterven. Dat laat opnieuw zien waarom „tijdelijk tegenover blijvend” slechts een geheugensteuntje is.

4. Ontkenningen en vragen

Voor een ontkenning zet je no direct voor de vervoegde vorm:

  • No estoy enfermo. — Ik ben niet ziek.
  • No estamos en casa. — We zijn niet thuis.

Bij een vraag kan de woordvolgorde gelijk blijven; vraagintonatie en de omgekeerde vraagtekens maken duidelijk dat het een vraag is:

  • ¿Estás bien? — Gaat het goed met je?
  • ¿Dónde están los baños? — Waar zijn de toiletten?

Bij een vraagwoord staat dat gewoonlijk vooraan: ¿dónde? (waar), ¿cómo? (hoe) of ¿por qué? (waarom). Vergeet in verzorgd Spaans het openende vraagteken ¿ niet.

Voorbeelden in context

Spaans Nederlands Toelichting
Estoy en casa. Ik ben thuis. Plaats; yo is weggelaten.
¿Cómo estás? Hoe gaat het met je? Alledaagse vraag aan één bekende persoon.
La sopa está fría. De soep is koud. Actuele toestand van iets.
Estamos cansados. We zijn moe. Meervoud; de uitgang past bij de groep.
Mi móvil está en la mochila. Mijn mobiel zit in de rugzak. Nederlands zitten wordt hier Spaans estar.
¿Dónde está la estación? Waar is het station? Een vaste locatie krijgt toch estar.
Hoy Ana está muy contenta. Vandaag is Ana erg blij. Gevoel op dit moment.
Usted está en la habitación 12. U bent in kamer 12. Beleefde aanspreekvorm met derde persoon enkelvoud.
Las tiendas están cerradas. De winkels zijn gesloten. Resultaat; cerradas stemt af op tiendas.
No estoy preocupado. Ik maak me geen zorgen. Ontkenning met no vóór het werkwoord.
¿Estáis listos para salir? Zijn jullie klaar om te vertrekken? Vosotros-vorm, vooral gebruikelijk in Spanje.
Mis padres están de vacaciones. Mijn ouders zijn op vakantie. Vaste combinatie estar de vacaciones.
El café está demasiado caliente. De koffie is te heet. Waarneembare toestand.
Madrid está en el centro de España. Madrid ligt in het midden van Spanje. Geografische ligging, niet per se tijdelijk.

Veelgemaakte fouten

Ser gebruiken voor een gewone locatie

  • Onjuist: Mis amigos son en el parque.
  • Juist: Mis amigos están en el parque.
  • Waarom: Voor de locatie van personen en dingen gebruik je estar. Alleen de locatie van een evenement wordt doorgaans met ser gegeven.

De Nederlandse werkwoorden staan, liggen en zitten letterlijk vertalen

  • Onjuist bedoeld: El libro es sobre la mesa.
  • Juist: El libro está sobre la mesa.
  • Waarom: Nederlands benoemt vaak de houding of plaatsing; Spaans gebruikt voor de gewone locatie meestal estar.

Het accentteken vergeten

  • Onjuist: Tu estas cansado.
  • Juist: Tú estás cansado.
  • Waarom: De werkwoordsvorm estás heeft een accent. Ook als persoonlijk voornaamwoord heeft er een; tu zonder accent betekent „jouw”.

Het bijvoeglijk naamwoord niet laten overeenkomen

  • Onjuist: Las ventanas están abierto.
  • Juist: Las ventanas están abiertas.
  • Waarom: Abiertas hoort bij het vrouwelijke meervoud las ventanas. Zowel het werkwoord (están) als de uitgang van het bijvoeglijk naamwoord moet kloppen.

Estar verwarren met Nederlandse uitdrukkingen met hebben

  • Onjuist: Estoy hambre.
  • Juist: Tengo hambre.
  • Waarom: Spaans zegt letterlijk „ik heb honger” met tener. Ook tener sed, tener frío en tener sueño gebruiken niet estar.

Denken dat estar altijd „tijdelijk” betekent

  • Onjuist: Barcelona es en Cataluña.
  • Juist: Barcelona está en Cataluña.
  • Waarom: Ligging wordt met estar uitgedrukt, ook als die blijvend is. Leer functies zoals plaats en toestand, niet alleen het paar tijdelijk–blijvend.

Gebruiksnotities

In Spanje is vosotros/vosotras estáis de gewone informele meervoudsvorm. In vrijwel heel Latijns-Amerika gebruikt men ustedes están voor „jullie”, zowel informeel als formeel. Usted está is een beleefde vorm voor één persoon. Het bijbehorende onderwerp wordt vaak genoemd om duidelijk te maken dat está „u bent” en niet „hij/zij is” betekent.

¿Cómo estás? is informeel. Tegen iemand die je met usted aanspreekt, zeg je ¿Cómo está? In veel situaties is ¿Qué tal? een nog lossere begroeting. Mogelijke antwoorden zijn Estoy bien, Muy bien of Regular. In een kort antwoord laat men estoy soms weg, maar als oefening is de volledige zin nuttig.

Er bestaan veel alledaagse combinaties met estar + voorzetsel of bijwoord: estar en casa (thuis zijn), estar de vacaciones (op vakantie zijn), estar de acuerdo (het eens zijn), estar bien/mal (in orde/niet in orde zijn) en estar listo (klaar zijn). Leer zulke combinaties als kleine gehelen; hun natuurlijke Nederlandse vertaling bevat niet altijd zijn.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1-niveau nog niet volledig te beheersen, maar ze verklaren vormen die je al snel tegenkomt.

Estar met het gerundium

Estar + gerundium drukt uit dat een handeling op dat moment bezig is. Het gerundium is hier een werkwoordsvorm op meestal -ando of -iendo:

  • Estoy trabajando. — Ik ben aan het werk.
  • Estamos comiendo. — We zijn aan het eten.
  • ¿Qué estás haciendo? — Wat ben je aan het doen?

Dit lijkt op Nederlands aan het + infinitief, maar de talen gebruiken hun voortgangsvorm niet altijd in precies dezelfde situaties. In het Spaans kan de gewone tegenwoordige tijd ook een actuele handeling weergeven. De volledige vorming en uitzonderingen horen bij het vervolgartikel over estar + gerundio.

Een ander werkwoord, een andere interpretatie

Bij sommige bijvoeglijke naamwoorden verandert de betekenis of invalshoek afhankelijk van ser of estar:

Met ser Met estar Verschil
Es listo. Está listo. Hij is slim. / Hij is klaar.
Es aburrido. Está aburrido. Hij/het is saai. / Hij verveelt zich.
Es bueno. Está bueno. Hij/het is goed. / Het smaakt goed; hij/zij ziet er goed uit, afhankelijk van de context.

Soms blijft de kernbetekenis gelijk, maar kiest de spreker met estar bewust voor de toestand zoals die nu wordt waargenomen: La niña está alta kan betekenen dat het meisje opvallend groot is geworden. La niña es alta presenteert lang zijn neutraler als kenmerk. Dit is subtieler dan de beginnersregel en hangt sterk van context en bijvoeglijk naamwoord af.

Resultaat tegenover handeling

La puerta está cerrada beschrijft de toestand: de deur is dicht. La puerta es cerrada por el guardia probeert een handeling in de lijdende vorm te beschrijven, maar klinkt in een gewone actuele situatie vaak onnatuurlijk; meestal zeg je actief El guardia cierra la puerta. Het nuttige onderscheid is: estar + voltooid deelwoord richt de aandacht op het bereikte resultaat, niet op wie de handeling uitvoert.

Oefentips

  1. Leer de vormen hardop als twee rijtjes: estoy, estás, está en estamos, estáis, están. Maak daarna voor elke vorm één korte zin over plaats of gevoel. Zo koppel je de vorm meteen aan betekenis.
  2. Kijk om je heen en benoem locaties: El café está en la mesa, las llaves están en mi bolso. Vertaal Nederlandse staan, liggen en zitten bewust met estar wanneer je alleen de plaats bedoelt.
  3. Oefen overeenstemming met paren: verander El vaso está limpio in Los vasos están limpios en La ventana está abierta in Las ventanas están abiertas. Controleer zowel de werkwoordsvorm als de uitgang van het bijvoeglijk naamwoord.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het SpaansA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen El Verbo Estar - Presente in Spaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Spaans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen