Spaans grammatica
Verken 97 grammaticaconcepten — van beginner tot gevorderd.
Dit is de grammaticaboom die Settemila Lingue aandrijft — elk concept wordt een gerichte oefendeck met AI-gegenereerde flashcards.
Geen resultaten gevonden
A1 (40)
Spaanse onderwerpsvoornaamwoorden geven aan wie iets doet: yo (ik), tú (jij), él/ella/usted (hij/zij/u), nosotros/as (wij), vosotros/as (jullie) en ellos/ellas/ustedes (zij/jullie/u). Anders dan in het Nederlands laat je ze vaak weg, omdat de werkwoordsvorm al laat zien om welke persoon het gaat: Hablo español betekent gewoon ‘Ik spreek Spaans’. Gebruik het voornaamwoord vooral als het nodig is voor duidelijkheid, nadruk of contrast.
Elk Spaans zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) is grammaticaal mannelijk of vrouwelijk. Woorden op -o zijn meestal mannelijk en woorden op -a meestal vrouwelijk: el libro, la casa. Leer het lidwoord meteen mee, want bekende uitzonderingen zijn onder meer el problema, el día, la mano en la foto.
Eindigt een Spaans zelfstandig naamwoord op een onbeklemtoonde klinker, dan voeg je meestal -s toe: libro → libros. Na een medeklinker komt meestal -es: ciudad → ciudades. Een slot-z verandert in -ces: pez → peces.
Het Spaanse bepaalde lidwoord heeft vier vormen: el, la, los en las. De keuze hangt af van het geslacht en het getal van het zelfstandig naamwoord: el libro, la casa, los libros, las casas. Een belangrijke uitzondering in het enkelvoud is el agua: agua blijft vrouwelijk, maar krijgt el omdat het met een beklemtoonde a- begint.
Het Spaans heeft vier onbepaalde lidwoorden: un en una in het enkelvoud, unos en unas in het meervoud. De vorm past bij het geslacht en het aantal van het zelfstandig naamwoord: un libro, una casa, unos amigos, unas llaves. Bij een beroep of nationaliteit na ser staat meestal geen lidwoord: Soy médico betekent “Ik ben arts” of “Ik ben een arts”.
Het Spaanse werkwoord ser betekent vaak zijn en heeft in de tegenwoordige tijd zes onregelmatige vormen: soy, eres, es, somos, sois, son. Je gebruikt ser onder meer om te zeggen wie of wat iemand is, waar iemand vandaan komt, wat iemands beroep is, hoe laat het is en welke eigenschap iets heeft. Voor een plaats of toestand is meestal estar nodig.
Estar is een van de twee Spaanse werkwoorden voor het Nederlandse zijn. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen estoy, estás, está, estamos, estáis en están. Gebruik estar vooral voor waar iemand of iets zich bevindt en voor een toestand, gevoel of resultaat: Estoy en casa en La puerta está abierta.
Het Nederlandse zijn heeft in het Spaans meestal twee vertalingen. Gebruik ser voor identiteit, indeling en kenmerken, en estar voor een toestand of de locatie van personen en dingen: Ana es médica, maar Ana está cansada. Bij de plaats van een evenement gebruik je juist ser: La fiesta es en mi casa.
Tener betekent vaak hebben, maar het Spaans gebruikt het ook in uitdrukkingen waarvoor het Nederlands soms zijn gebruikt: tengo veinte años betekent ‘ik ben twintig’. De tegenwoordige tijd is onregelmatig: tengo, tienes, tiene, tenemos, tenéis, tienen. Met tener que + infinitief druk je een persoonlijke noodzaak uit: Tenemos que irnos — ‘We moeten weggaan’.
Bij een regelmatig Spaans werkwoord op -ar haal je -ar van de infinitief (de onverbogen vorm) en voeg je -o, -as, -a, -amos, -áis, -an toe. Zo wordt hablar ‘spreken’: hablo, hablas, habla, hablamos, habláis, hablan. De uitgang laat meestal al zien wie iets doet, zodat het persoonlijk voornaamwoord vaak wegblijft.
Haal bij een regelmatig Spaans werkwoord op -er de laatste twee letters van de infinitief (de woordenboekvorm) en voeg -o, -es, -e, -emos, -éis of -en toe. Zo wordt comer achtereenvolgens como, comes, come, comemos, coméis, comen. Het onderwerp kan vaak weg, omdat de werkwoordsuitgang al laat zien wie er handelt.
Bij een regelmatig Spaans werkwoord op -ir haal je in de tegenwoordige tijd -ir van de infinitief (de onverbogen vorm) af. Aan de stam voeg je -o, -es, -e, -imos, -ís, -en toe: vivir wordt vivo, vives, vive, vivimos, vivís, viven. De uitgang laat meestal al zien wie iets doet, zodat het onderwerp vaak kan worden weggelaten.
Het onregelmatige werkwoord ir betekent meestal gaan en heeft in de tegenwoordige tijd de vormen voy, vas, va, vamos, vais, van. Voor een bestemming gebruik je ir + a + plaats: Voy al trabajo. Met ir a + infinitief zeg je wat iemand van plan is of binnenkort gaat doen: Vamos a comer.
Hacer betekent vaak “doen” of “maken”. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen hago, haces, hace, hacemos, hacéis, hacen; alleen hago wijkt sterk af van het patroon van regelmatige werkwoorden op -er. Je gebruikt hacer ook in vaste combinaties zoals hacer deporte en in onpersoonlijke weerzinnen zoals Hace calor.
Poder betekent meestal kunnen of mogen. In de tegenwoordige tijd zeg je puedo, puedes, puede, podemos, podéis, pueden; daarna komt doorgaans een infinitief (het hele werkwoord): Puedo venir betekent ‘Ik kan komen’. Let op de stamwisseling o → ue, behalve bij nosotros en vosotros.
Querer betekent meestal willen: Quiero un café is ‘Ik wil koffie’. Voor een handeling gebruik je querer + infinitief: Queremos viajar (‘We willen reizen’). De tegenwoordige tijd is onregelmatig: in vier vormen verandert e in ie, maar bij nosotros en vosotros niet.
Bij een groep Spaanse werkwoorden verandert in de tegenwoordige tijd een e in de stam in ie wanneer die lettergreep de klemtoon krijgt: pensar wordt pienso. De verandering komt voor bij yo, tú, él/ella/usted en ellos/ellas/ustedes, maar niet bij nosotros en vosotros: pensamos, pensáis. De gewone uitgangen van -ar, -er en -ir blijven behouden.
Bij veel Spaanse werkwoorden verandert de o van de stam in ue wanneer die lettergreep de klemtoon krijgt: dormir → duermo, volver → vuelves. In de tegenwoordige tijd gebeurt dat bij yo, tú, él/ella/usted en ellos/ellas/ustedes, maar niet bij nosotros en vosotros: dormimos, dormís. De gewone persoonsuitgangen blijven staan.
Bij een Spaans reflexief werkwoord verwijst het wederkerend voornaamwoord terug naar het onderwerp (wie de handeling uitvoert): me, te, se, nos, os, se. Je vervoegt het werkwoord zoals gewoonlijk en past ook het voornaamwoord aan: me levanto (ik sta op), te levantas (jij staat op), se levanta (hij, zij of u staat op). In de infinitief staat se vast aan het werkwoord, zoals in levantarse.
Hay betekent zowel ‘er is’ als ‘er zijn’. De vorm verandert niet: Hay un problema en Hay muchos problemas. Voor een ontkenning zet je no ervoor (No hay...); voor een vraag gebruik je dezelfde vorm tussen vraagtekens: ¿Hay...?
Zet no direct vóór het vervoegde werkwoord: Trabajo wordt No trabajo en Entiendo wordt No entiendo. Woorden als nada, nadie en nunca mogen na het werkwoord samen met no staan: No veo a nadie. Staat zo'n negatief woord vóór het werkwoord, dan valt no juist weg: Nadie viene.
Een Spaans bijvoeglijk naamwoord past zich meestal aan het geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en het getal (enkelvoud of meervoud) van het zelfstandig naamwoord aan. Zo krijg je un chico alto, una chica alta, chicos altos en chicas altas. Bijvoeglijke naamwoorden op -e hebben voor beide geslachten dezelfde vorm: inteligente; in het meervoud wordt dat inteligentes.
Een Spaans bijvoeglijk naamwoord staat meestal na het zelfstandig naamwoord: una casa blanca (een wit huis). Sommige veelgebruikte woorden staan vaak ervoor, zoals un buen día en una gran idea. De plaats kan ook de betekenis veranderen: un hombre grande is een grote man, maar un gran hombre een groot of bijzonder mens.
Zet de korte Spaanse bezittelijke vorm vóór het zelfstandig naamwoord (het woord voor een persoon, dier, ding of begrip): mi libro, tus llaves, nuestra casa. De vorm past zich aan het bezit aan, niet aan de bezitter: één vriendin is mi amiga, meerdere vriendinnen zijn mis amigas. Alleen nuestro en vuestro veranderen bovendien naar mannelijk of vrouwelijk.
Het Spaans onderscheidt drie afstanden: este voor iets dichtbij de spreker, ese voor iets wat verder weg of bij de luisteraar is, en aquel voor iets ver van beiden. De vorm past zich aan het geslacht en het aantal van het zelfstandig naamwoord aan: este libro, esta casa, estos libros, estas casas. Het aanwijzende woord staat meestal vóór het zelfstandig naamwoord en er komt dan geen lidwoord bij.
Gebruik meestal en voor een plaats waar iemand of iets zich bevindt, a voor een bestemming en de voor een herkomst: Estoy en casa, Voy al cine, Vengo de Madrid. Voor een preciezere positie gebruik je onder meer entre, sobre, debajo de, delante de en detrás de. Leer deze laatste vormen als één geheel, inclusief de.
Staat een concrete of als individu bedoelde persoon als lijdend voorwerp in de zin, dan zet het Spaans er meestal a voor: Veo a María — ‘Ik zie María.’ Het Nederlands heeft daar geen apart woord voor. Bij zaken gebruik je deze a normaal niet, en bij een niet nader bepaalde persoon kan het verschil in betekenis bepalen of a wel of niet verschijnt.
In het Spaans worden a + el en de + el verplicht samengetrokken: al en del. Je zegt dus Voy al cine en Vengo del trabajo, niet a el cine of de el trabajo. Met la, los en las trek je niets samen; ook het voornaamwoord él valt nooit onder deze regel.
Spaanse vraagwoorden als quién, qué, dónde, cuándo, cómo en por qué krijgen in vragen een accentteken. Een directe vraag staat tussen ¿ en ?: ¿Dónde vives? Bij een ja/nee-vraag is geen Nederlands-achtige omkering verplicht; ¿Vives aquí? verschilt van Vives aquí vooral door intonatie en leestekens.
Gebruik cuánto, cuánta, cuántos, cuántas voor ‘hoeveel’; vóór een zelfstandig naamwoord past de vorm zich aan geslacht en aantal aan: cuánto pan, cuántas personas. Gebruik cuál of cuáles om een keuze of identificatie te vragen: ¿Cuál prefieres? en ¿Cuáles son tuyos? In vragen hebben deze woorden altijd een accentteken.
Spaanse hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan: uno, dos, tres en zo verder. Van 16 tot en met 29 schrijf je het getal als één woord; vanaf 31 verbind je tientallen en eenheden met y: veintidós, maar treinta y dos. Let vooral op uno → un vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord en op cien voor precies honderd tegenover ciento in samengestelde getallen.
Spaanse rangtelwoorden geven een plaats in een volgorde aan: primero (eerste), segundo (tweede), tercero (derde) enzovoort. Ze gedragen zich meestal als bijvoeglijke naamwoorden en passen zich daarom aan het geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord aan: el segundo día, la segunda semana, los segundos días. Vóór een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord worden primero en tercero verkort tot primer en tercer: el primer día, el tercer piso.
Voor de klok gebruik je Es la una bij één uur en Son las dos, tres... bij alle andere uren. Een tijdstip krijgt a la/a las, weekdagen en maanden schrijf je met een kleine letter, en een datum bouw je als el + dag + de + maand: el 15 de agosto. Let als Nederlandstalige vooral op las tres y media: dat is “half vier”, niet “half drie”.
Met bijwoorden van frequentie vertel je hoe vaak iets gebeurt: siempre (altijd), a menudo (vaak), a veces (soms), raramente (zelden) en nunca (nooit). Bijwoorden van tijd zeggen wanneer iets gebeurt of in welke volgorde: hoy, mañana, ayer, ahora, primero, luego, después en entonces. Ze staan vaak voor het vervoegde werkwoord of aan het begin of einde van de zin, maar de beste plaats hangt af van wat je wilt benadrukken.
Spaanse bijwoorden van plaats vertellen waar iets is of waarheen iemand beweegt: aquí betekent “hier”, ahí meestal “daar” op een aangewezen of nabijgelegen plek en allí “daar verderop”. Woorden als cerca, lejos, dentro, fuera, arriba en abajo geven afstand, binnen of buiten en hoogte aan. Ze veranderen niet van vorm, maar krijgen vaak de als er een referentie volgt: cerca de la estación (“dicht bij het station”).
Gebruik mucho en poco bij een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of begrip) en laat ze daarmee overeenkomen: muchos amigos, poca agua. Bij een werkwoord blijven ze onveranderd: Trabaja mucho. Muy betekent ‘erg’ of ‘heel’, blijft altijd onveranderd en staat vóór een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord: muy bonito, muy bien.
Een Spaans direct objectvoornaamwoord vervangt het lijdend voorwerp: Compro el libro wordt Lo compro (‘Ik koop het’). Meestal staat me, te, lo, la, nos, os, los of las vóór een vervoegd werkwoord; bij een infinitief, gerundium of bevestigende gebiedende wijs kan of moet het aan het werkwoord vast.
De Spaanse vormen me, te, le, nos, os, les geven aan aan wie of voor wie iets gebeurt: Le doy el libro betekent ‘Ik geef hem/haar het boek’. Bij een vervoegd werkwoord staat dit voornaamwoord normaal vóór het werkwoord. Een toevoeging met a, zoals a María of a mí, kan verduidelijken of nadruk leggen, maar vervangt het korte voornaamwoord vaak niet.
Bij gustar is de geliefde of aantrekkelijke zaak grammaticaal het onderwerp: Me gusta la pizza betekent letterlijk ongeveer ‘De pizza bevalt mij’. Daarom kies je meestal gusta bij één ding of een werkwoord, en gustan bij meerdere dingen. Wie iets leuk vindt, geef je aan met me, te, le, nos, os of les.
Met y (en), o (of), pero (maar), sino (maar juist), porque (omdat) en así que (dus) verbind je woorden en eenvoudige zinnen. Voor een i-klank verandert y in e; voor een o-klank verandert o in u. Gebruik pero voor een tegenstelling en sino om na een ontkenning iets te corrigeren.
A2 (13)
Met de pretérito indefinido vertel je over een handeling of gebeurtenis die in een afgesloten verleden plaatsvond: Ayer comí pizza (Gisteren at ik pizza). Regelmatige werkwoorden krijgen eigen uitgangen: hablé, comí, viví. In het Nederlands komt deze tijd vaak overeen met zowel de onvoltooid verleden tijd (ik at) als de voltooid tegenwoordige tijd (ik heb gegeten); de Spaanse keuze hangt vooral af van hoe de spreker de periode afbakent.
Veel veelgebruikte Spaanse werkwoorden krijgen in de pretérito indefinido een onregelmatige stam: tener wordt bijvoorbeeld tuve en hacer wordt hice. Een grote groep gebruikt dezelfde uitgangen -e, -iste, -o, -imos, -isteis, -ieron, zonder accentteken. Ser en ir delen bovendien precies dezelfde vormen: fui, fuiste, fue, fuimos, fuisteis, fueron.
De pretérito perfecto maak je met de tegenwoordige tijd van haber plus een voltooid deelwoord: he hablado, has comido, hemos salido. Je gebruikt deze tijd voor een voorbije handeling die de spreker met het heden verbindt, bijvoorbeeld binnen hoy of als levenservaring. Anders dan in het Nederlands staat er altijd haber, nooit tener, en het voltooid deelwoord verandert niet mee.
In samengestelde tijden gebruikt het Spaans haber + voltooid deelwoord: he hecho, has visto, han vuelto. De meest voorkomende onregelmatige vormen moet je apart leren, zoals hacer → hecho, escribir → escrito, ver → visto en decir → dicho. Na haber blijft het deelwoord onveranderd: María ha escrito en María y Ana han escrito.
De pretérito imperfecto gebruik je voor gewoonten, beschrijvingen en situaties die in het verleden bezig waren: De niño jugaba fuera (Als kind speelde ik buiten). Regelmatige werkwoorden krijgen -aba na een stam op -ar en -ía na een stam op -er of -ir. Er zijn maar drie onregelmatige werkwoorden: ser → era, ir → iba en ver → veía.
Met ir + a + infinitief zeg je wat iemand van plan is te doen of wat binnenkort waarschijnlijk gebeurt: Voy a cocinar betekent ‘Ik ga koken’. Alleen ir wordt vervoegd; a en de infinitief (de onvervoegde vorm, zoals comer of salir) blijven gelijk.
Met estar + gerundio benadruk je dat een handeling op een bepaald moment bezig is: Estoy comiendo betekent “Ik ben aan het eten.” Je vervoegt estar; de gerundio blijft onveranderd: estoy comiendo, estamos comiendo. Voor regelmatige werkwoorden gebruik je -ando na -ar en -iendo na -er en -ir.
Gebruik para als je vooruitkijkt naar een doel, bestemming, ontvanger of uiterste termijn: Este regalo es para ti. Gebruik por voor een oorzaak, route, duur, middel of ruil: Gracias por tu ayuda. Het Nederlandse voor kan beide betekenen, dus vertaal niet woord voor woord maar bepaal eerst welke relatie je bedoelt.
In het Spaans vergelijk je met más ... que (meer ... dan), menos ... que (minder ... dan), tan ... como (even ... als) en tanto/a/os/as ... como (evenveel ... als). Gebruik tan vóór een eigenschap of manier, maar tanto bij een hoeveelheid of handeling. Veelvoorkomende onregelmatige vormen zijn mejor, peor, mayor en menor.
Voor een bevestigend bevel kiest het Spaans een vorm die past bij de aangesproken persoon: habla voor tú, hable voor usted, hablemos voor nosotros, hablad voor vosotros en hablen voor ustedes. Bij zo'n bevel worden onbeklemtoonde voornaamwoorden achter het werkwoord geschreven: escríbeme, siéntate, dámelo. Vooral dat verschil in aanspreekvorm en die vaste voornaamwoorden maken het Spaans anders dan het Nederlands.
Gebruik meestal que om extra informatie over een persoon of zaak te geven: el libro que leo en la mujer que vive aquí. Que verandert nooit. Quien en quienes verwijzen alleen naar personen en staan vooral na een voorzetsel: la amiga con quien viajé.
Als twee Spaanse objectvoornaamwoorden samen staan, komt eerst het meewerkend voorwerp en daarna het lijdend voorwerp: Te lo doy (“Ik geef het je”). Vóór lo, la, los en las veranderen le en les altijd in se: Se lo expliqué, nooit le lo expliqué.
Bij een reflexief werkwoord hoort een voornaamwoord dat bij het onderwerp past: me, te, se, nos, os, se. Dat voornaamwoord blijft vóór de vervoegde werkwoordsvorm staan: me levanté en nos hemos divertido. In de voltooide tijd gebruik je haber, en het voltooid deelwoord verandert niet: se ha vestido, se han vestido.
B1 (15)
De Spaanse futuro simple maak je meestal door dezelfde uitgangen aan de hele infinitief (de onverbogen vorm, zoals hablar of comer) toe te voegen: -é, -ás, -á, -emos, -éis, -án. Zo krijg je hablaré ‘ik zal spreken’ en comerán ‘zij zullen eten’. Een aantal veelgebruikte werkwoorden heeft een afwijkende stam, bijvoorbeeld tener → tendré en hacer → haré.
De condicional simple drukt meestal uit wat iemand zou doen of wat er zou gebeuren. Je vormt hem door aan de infinitief (de onbepaalde vorm, zoals hablar) de uitgangen -ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían toe te voegen: viajaría betekent ‘ik/hij/zij zou reizen’. Dezelfde vorm dient ook voor beleefde verzoeken en voor een toekomst gezien vanuit een moment in het verleden.
Met de indefinido presenteer je een gebeurtenis als afgerond: Ayer compré un libro. Met de imperfecto kijk je als het ware midden in een vroegere situatie, gewoonte of handeling: De niño leía mucho. In verhalen vormt de imperfecto vaak het decor, terwijl de indefinido vertelt wat er vervolgens gebeurde.
De subjuntivo presente is de tegenwoordige tijd van de Spaanse aanvoegende wijs: een werkwoordsvorm waarmee je onder meer wensen, twijfel, gevoelens, verzoeken en oordelen uitdrukt. Vaak staat hij in een bijzin met que: Quiero que vengas betekent “Ik wil dat je komt.” Waar het Nederlands gewoon komt gebruikt, kiest het Spaans hier dus een aparte vorm: vengas.
De Spaanse subjuntivo (aanvoegende wijs: een werkwoordsvorm voor onder meer wensen, noodzaak, twijfel en nog niet gerealiseerde situaties) volgt vaak op herkenbare uitdrukkingen. Gebruik hem bijvoorbeeld na quiero que, es necesario que, ojalá, para que en antes de que. Bij cuando en soms aunque hangt de keuze af van de betekenis: een toekomstige of onzekere situatie krijgt de subjuntivo, een feit of gewoonte meestal de indicativo.
Het Spaanse pluscuamperfecto drukt uit dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden: Cuando llegué, Ana ya había salido betekent “Toen ik aankwam, was Ana al vertrokken.” Je vormt het met había, habías, había, habíamos, habíais of habían plus een voltooid deelwoord, bijvoorbeeld comido, salido of hecho.
De gewone Spaanse overtreffende trap bestaat meestal uit el/la/los/las + más of menos + bijvoeglijk naamwoord: el más alto (“de langste”) en la menos cara (“de minst dure”). Bij een zelfstandig naamwoord staat het lidwoord ervoor: el edificio más alto. Mejor, peor, mayor en menor zijn belangrijke korte vormen; -ísimo/a betekent juist “zeer” of “ontzettend” en vergelijkt niet noodzakelijk met een groep.
Gebruik donde wanneer het antecedent een plaats is: la casa donde vivo (het huis waar ik woon). De vormen el cual, la cual, los cuales, las cuales verwijzen duidelijk en vaak wat formeler naar een eerder genoemd zelfstandig naamwoord, vooral na een voorzetsel. Zonder concreet zelfstandig naamwoord betekent lo que meestal ‘wat’; lo cual verwijst doorgaans terug naar een hele voorafgaande mededeling.
De gewone Spaanse lijdende vorm bestaat uit ser + voltooid deelwoord: El libro fue escrito por Cervantes (“Het boek werd door Cervantes geschreven”). Het deelwoord past zich aan het onderwerp aan: la carta fue escrita, los libros fueron escritos. In dagelijks Spaans heeft een constructie met se vaak de voorkeur: Aquí se habla español.
Een ontkennend bevel bestaat in het Spaans uit no + presente de subjuntivo: No hables (praat niet), No coma (eet niet) en No salgáis (ga niet naar buiten). Dat geldt voor alle aanspreekvormen. Een onbeklemtoond voornaamwoord staat vóór de werkwoordsvorm: No lo hagas (doe het niet), nooit no hagaslo.
Met de indirecte rede (discurso indirecto) vertel je wat iemand zegt zonder de precieze woorden te citeren. Een mededeling sluit je meestal aan met que, een ja-neevraag met si en een vraag met een vraagwoord met datzelfde vraagwoord: Dice que viene, Pregunta si vienes, Pregunta cuándo vienes. Staat het werkwoord van zeggen in het verleden, dan verschuift de werkwoordstijd vaak mee: Dijo: «Vendré» wordt Dijo que vendría.
Met een onpersoonlijke constructie beschrijf je een noodzaak, mogelijkheid, gewoonte of algemene mening zonder te zeggen wie precies handelt. De belangrijkste patronen zijn hay que + infinitief, se + werkwoord en es + bijvoeglijk naamwoord + infinitief/que + subjuntivo: Hay que reservar, Se puede pagar con tarjeta en Es importante que llegues a tiempo.
Bij een reële of goed mogelijke voorwaarde gebruikt het Spaans si + tegenwoordige tijd: Si vienes, te ayudo of Si vienes, te ayudaré. Bij een onwerkelijke of hypothetische situatie volgt op si de imperfecto de subjuntivo en in de andere zin de condicional: Si vinieras, te ayudaría. Zet in een gewone voorwaardelijke si-zin dus geen toekomende tijd of condicional direct na si.
De bekende regel “ser is blijvend, estar is tijdelijk” is niet betrouwbaar genoeg. Ser deelt iemand of iets meestal in, identificeert of typeert; estar presenteert een toestand, waarneming of resultaat. Daardoor kan hetzelfde bijvoeglijke naamwoord van betekenis veranderen: es listo betekent “hij is slim”, terwijl está listo “hij is klaar” betekent.
De Spaanse gerundio is een onveranderlijke werkwoordsvorm op -ando of -iendo. Naast estar + gerundio gebruikt het Spaans deze vorm onder meer voor doorgaan (sigo leyendo), een tijdsduur tot nu toe (llevo dos horas leyendo), een geleidelijke ontwikkeling (va mejorando) en de manier waarop iets gebeurt (vino corriendo). Gebruik de gerundio niet als zelfstandig naamwoord: voor “lezen is ontspannend” heb je de infinitief nodig, leer.
B2 (11)
De imperfecto de subjuntivo is een verleden vorm van de Spaanse aanvoegende wijs: een werkwoordsvorm voor onder meer wensen, twijfel, reacties en niet-werkelijke situaties. Je vormt hem vanuit de ellos/ellas-vorm van de pretérito indefinido: hablaron → hablara, tuvieron → tuviera. De twee reeksen op -ra en -se betekenen meestal hetzelfde, maar de vormen op -ra zijn in het hedendaagse Spaans veel gebruikelijker.
Het subjuntivo perfecto vorm je met haya, hayas, haya, hayamos, hayáis, hayan + voltooid deelwoord: Espero que haya llegado betekent ‘Ik hoop dat hij of zij is aangekomen.’ Je gebruikt deze vorm voor een handeling die al heeft plaatsgevonden of als voltooid wordt gezien, binnen een context die om de subjuntivo vraagt, zoals twijfel, emotie, beoordeling of mogelijkheid.
De condicional compuesto drukt uit wat onder andere omstandigheden in het verleden zou zijn gebeurd: Habría ido, pero estaba enfermo — ‘Ik zou zijn gegaan, maar ik was ziek.’ Je vormt deze tijd met de condicional van haber (habría, habrías...) plus een voltooid deelwoord zoals hablado, comido of vivido.
Voor een onwerkelijke situatie in het verleden gebruikt het Spaans meestal si + pluscuamperfecto de subjuntivo in de voorwaarde en de condicional compuesto in het gevolg: Si hubiera sabido, habría venido — ‘Als ik het had geweten, zou ik zijn gekomen.’ De spreker weet dus dat de voorwaarde niet is vervuld: ik wist het niet en ik ben niet gekomen.
Het pluscuamperfecto de subjuntivo maak je met hubiera of hubiese in de juiste persoonsvorm + een voltooid deelwoord: hubieras venido, hubiésemos hablado. Je gebruikt het vooral voor een niet-gerealiseerde mogelijkheid, wens, emotie of twijfel die naar een eerder moment in het verleden verwijst: Ojalá hubieras venido — Was je maar gekomen.
Bij gevorderd gebruik wijst por vaak op de aanleiding, tussenpersoon, tegenprestatie of maatstaf van een handeling; para kiest juist een standpunt, bestemming of norm waartegen je iets beoordeelt. In vaste constructies is het verschil extra duidelijk: estar por drukt onder meer een neiging, keuze of nog uit te voeren handeling uit, terwijl estar para beschikbaarheid, geschiktheid of een naderend moment kan aangeven.
Cuyo, cuya, cuyos en cuyas drukken bezit of een andere nauwe relatie uit en betekenen meestal wiens, wier, van wie de of waarvan de. De vorm richt zich naar het zelfstandig naamwoord dat er direct op volgt: la autora cuyo libro leí maar la autora cuyas novelas leí. In alledaagse gesprekken is cuyo minder gewoon; in verzorgde en formele taal komt het veel voor.
De futuro perfecto bestaat uit de toekomstige tijd van haber plus een voltooid deelwoord: habré terminado betekent ‘ik zal klaar zijn’ of ‘ik zal het hebben afgemaakt’. Je gebruikt deze tijd vooral voor iets dat vóór een toekomstig moment voltooid zal zijn, maar ook voor een vermoeden over het verleden: Habrá olvidado betekent dan ‘hij of zij zal het wel vergeten zijn’.
In Spaanse tijdzinnen gebruik je meestal de indicativo voor feiten, gewoonten en gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden, maar de subjuntivo voor een toekomstige gebeurtenis die nog moet plaatsvinden: Cuando llegues, llámame. Na antes de que staat altijd de subjuntivo. Anders dan in het Nederlands zet je na cuando dus normaal geen toekomstige tijd als je naar de toekomst verwijst.
Een Spaans bijwoord op -mente ontstaat meestal door -mente achter de vrouwelijke enkelvoudsvorm van een bijvoeglijk naamwoord te zetten: lento → lenta → lentamente en rápido → rápida → rápidamente. De vorm blijft daarna onveranderd. Bij een reeks krijgt gewoonlijk alleen het laatste woord -mente: lenta y cuidadosamente.
Het Nederlandse worden heeft in het Spaans geen enkel vast equivalent. Je kiest een werkwoord op grond van het soort verandering: ponerse voor een toestand of emotie, volverse voor een verandering van aard, hacerse voor ontwikkeling of een gekozen rol, convertirse en voor een transformatie, quedarse voor de toestand die na iets overblijft en llegar a ser voor een bereikt eindpunt.
C1 (10)
De pretérito anterior is een zeldzame, vooral literaire verleden tijd met hube, hubiste, hubo, hubimos, hubisteis, hubieron + voltooid deelwoord: Cuando hubo terminado, se fue. De vorm geeft aan dat een handeling afgerond was vlak voordat een volgende gebeurtenis plaatsvond. In hedendaags Spaans kiest men meestal een pretérito indefinido, een pluscuamperfecto of een constructie als después de haber terminado; voor de meeste leerders is herkennen daarom belangrijker dan spontaan gebruiken.
De subjuntivo futuro is een verouderde vorm van de aanvoegende wijs, waarmee een toekomstige mogelijkheid of voorwaarde niet als vaststaand feit wordt voorgesteld. In gewoon modern Spaans zeg je meestal cuando venga, si lo hace of quien sea, niet cuando viniere, si lo hiciere of quien fuere. Leer deze vorm daarom vooral herkennen in wetten, oudere teksten, spreekwoorden en vaste formuleringen.
Bij een hoofdzin in het heden of de toekomst staat een afhankelijke aanvoegende wijs doorgaans in de tegenwoordige of voltooid tegenwoordige tijd: Quiero que vengas en Espero que hayas llegado. Staat de hoofdzin in het verleden of in de voorwaardelijke wijs, dan verschuift de bijzin meestal mee: Quería que vinieras en Esperaba que hubieras llegado. De gekozen tijd drukt daarnaast uit of de handeling in de bijzin gelijktijdig, later of al voltooid is.
In de algemene standaardtaal vervangt lo/la een lijdend voorwerp en le een meewerkend voorwerp. Bij leísmo verschijnt le waar je lo verwacht, bij laísmo verschijnt la waar le hoort en bij loísmo verschijnt lo waar le hoort. Alleen beperkt leísmo — vooral le voor één mannelijke persoon, zoals Le vi — geldt ook in de verzorgde standaardtaal als aanvaard.
Een Spaanse perífrasis verbal combineert een vervoegd hulpwerkwoord met een infinitief (de onbepaalde vorm, zoals hablar) en geeft daarmee herhaling, begin, einde, recentheid, waarschijnlijkheid of een bereikt resultaat aan. In Volvió a llamar betekent volver a + infinitivo dus niet letterlijk ‘terugkeren’, maar ‘opnieuw iets doen’. Het voorzetsel hoort bij de constructie en mag je niet weglaten of vervangen.
Formeel Spaans is niet alleen alledaags Spaans met moeilijkere woorden. Het gebruikt vaste verbindingen zoals no obstante en en virtud de, een onpersoonlijke stijl en beleefde constructies met usted en vaak de subjuntivo: Le ruego que confirme la recepción. De beste stijl is precies en gepast; overdreven ambtelijke taal maakt een tekst niet automatisch beter.
Bij nominalisatie druk je een handeling of eigenschap uit met een zelfstandig naamwoord: la economía se desarrolla wordt bijvoorbeeld el desarrollo de la economía. Spaans gebruikt zulke constructies veel in journalistieke, academische, bestuurlijke en zakelijke teksten. De vorm is niet altijd voorspelbaar: naast implementación en posibilidad bestaan ook vaste vormen zonder zo'n herkenbaar achtervoegsel, zoals desarrollo en mejora.
Met de pasiva refleja druk je een passieve betekenis uit als se + werkwoord in de derde persoon: Se vende una casa en Se venden casas. Het werkwoord komt in getal overeen met wat verkocht, gezocht of gedaan wordt. Dat onderscheidt deze constructie vaak van se impersonal, dat geen concreet grammaticaal onderwerp heeft: Aquí se vive bien.
Het Spaans kan één zinsdeel uitlichten met patronen als Es María quien lo hizo en Lo que quiero es paz, een bewering kracht bijzetten met sí que, en een uiterste mogelijkheid uitsluiten met ni siquiera. Bij vooropplaatsing wordt een voorwerp vaak nog eens opgenomen met een voornaamwoord: A María, la vi ayer. Deze vormen veranderen vooral waar de nadruk ligt, niet de feiten die de zin meedeelt.
Spaanse achtervoegsels zoals -ito/-ita, -illo/-illa, -ón/-ona, -azo/-aza en -ote/-ota geven niet alleen grootte aan. Ze kunnen ook genegenheid, beleefdheid, bewondering, spot of ergernis uitdrukken. De precieze betekenis hangt daarom evenzeer af van de situatie en de intonatie als van het grondwoord.
C2 (8)
De keuze tussen indicativo en subjuntivo hangt vaak af van de manier waarop de spreker informatie neerzet. No creo que venga betwijfelt zijn komst, terwijl Creo que no viene als overtuiging presenteert dat hij niet komt. Bij aunque wijst indicativo meestal op een vastgesteld feit en subjuntivo op een mogelijkheid óf op informatie die al bekend is en niet centraal staat.
Spaans is een internationale taal met meerdere gelijkwaardige regionale normen. Een gevorderde spreker herkent onder meer vos tenés naast tú tienes, ustedes naast vosotros en coche, carro of auto voor hetzelfde voertuig. Kies niet willekeurig uit alle varianten: begrijp ze breed, maar spreek zelf zo consequent mogelijk volgens één passende regionale norm.
Informeel Spaans is geen aparte grammatica, maar een combinatie van woordkeus, intonatie en gesprekssignalen: ¡venga!, vale, pues, o sea, súper, profe. Zulke vormen maken een gesprek spontaan en vertrouwd, maar ze zijn niet overal en tegenover iedereen passend. Op C2-niveau draait het daarom vooral om herkennen, regionaal plaatsen en zorgvuldig doseren.
Een complexe Spaanse zin ordent meerdere gedachten met onderschikking, inbedding, vaste paren zoals no solo... sino también en opmerkingen tussen gedachtestreepjes of komma’s. Op C2-niveau draait het niet om zo lang mogelijke zinnen, maar om controle: verwante delen krijgen dezelfde vorm, afhankelijke zinnen de juiste werkwoordsvorm en de hoofdgedachte blijft zichtbaar.
Retorische middelen geven een uitspraak nadruk, ritme, contrast of een extra betekenislaag. In het Spaans gebeurt dat onder meer door iets bewust af te zwakken (No está mal), uit te vergroten (Me muero de hambre), als vraag te formuleren, in een spiegelstructuur te zetten of met dezelfde woorden te laten beginnen. Op C2-niveau gaat het niet alleen om herkennen: je moet ook kunnen beoordelen welk effect een vorm heeft en of die bij de situatie past.
Spaanse discoursverbinders (conectores del discurso) maken duidelijk hoe een nieuwe gedachte zich verhoudt tot wat eraan voorafgaat: als tegenwerping, contrast, gevolg, samenvatting of terzijde. Kies daarom niet alleen op basis van een Nederlandse vertaling: sin embargo, en cambio en por el contrario kunnen alle drie een tegenstelling aangeven, maar sturen de redenering elk op een andere manier.
Spaanse bestuurlijke taal gebruikt vaste formules, onpersoonlijke constructies en zelfstandige naamwoorden om besluiten, procedures en verplichtingen precies en zakelijk weer te geven. Formules als se comunica, visto lo dispuesto en a los efectos oportunos zijn vooral belangrijk om te herkennen; wie zelf schrijft, kiest bij voorkeur de duidelijkste formulering die juridisch niets aan nauwkeurigheid verliest.
Een Spaanse idiomatische uitdrukking is een min of meer vaste combinatie waarvan de bedoelde betekenis niet simpelweg de som van de losse woorden is. Ir al grano gaat bijvoorbeeld niet letterlijk over een graankorrel, maar betekent ‘ter zake komen’. Leer daarom niet alleen een Nederlandse vertaling, maar ook de vaste vorm, de grammaticale varianten, het register en de situaties waarin Spaanstaligen de uitdrukking werkelijk gebruiken.
Klaar om Spaans te leren? Probeer Settemila Lingue gratis — geen creditcard, geen verplichtingen. Oefen met AI-gegenereerde flashcards als je klaar bent om rond te kijken.
Gratis beginnen