A1

Reflexieve werkwoorden in het Spaans

Verbos Reflexivos

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Spaans op Settemila Lingue.

In het kort

Bij een Spaans reflexief werkwoord verwijst het wederkerend voornaamwoord terug naar het onderwerp (wie de handeling uitvoert): me, te, se, nos, os, se. Je vervoegt het werkwoord zoals gewoonlijk en past ook het voornaamwoord aan: me levanto (ik sta op), te levantas (jij staat op), se levanta (hij, zij of u staat op). In de infinitief staat se vast aan het werkwoord, zoals in levantarse.

Overzicht

Reflexieve werkwoorden beschrijven vaak iets wat iemand met zichzelf of zijn eigen lichaam doet: zich wassen, aankleden of naar bed gaan. Ze zijn ook heel gewoon bij dagelijkse routines, emoties en persoonlijke gegevens. Daarom kom je ze al op A1-niveau tegen in zinnen als Me llamo Ana en Nos duchamos por la mañana.

In het Nederlands staat er soms ook me, je of zich: me wassen, je aankleden, zich vergissen. Toch lopen de twee talen niet altijd gelijk. Het Nederlands zegt bijvoorbeeld opstaan, zonder wederkerend woord, maar het Spaans gebruikt levantarse. Andersom kan een Nederlandse vertaling een gewoon werkwoord hebben waar het Spaans een voornaamwoordelijk werkwoord gebruikt: Me llamo Pablo betekent natuurlijk „Ik heet Pablo”, niet letterlijk „Ik noem mezelf Pablo”. Leer daarom bij elk nieuw werkwoord of -se erbij hoort.

Een reflexief werkwoord is in het woordenboek herkenbaar aan -se: lavarse, vestirse, acostarse. Die vorm heet de infinitief (de onbepaalde vorm, zoals wassen of slapen). Bij vervoeging haal je -se eraf, kies je het juiste wederkerende voornaamwoord en vervoeg je het werkwoord voor dezelfde persoon.

Hoe het werkt

De zes wederkerende voornaamwoorden

Het onderwerp en het wederkerende voornaamwoord moeten bij dezelfde persoon horen. Het onderwerp is degene over wie de zin gaat en die de handeling uitvoert.

Persoon Onderwerp Wederkerend voornaamwoord Voorbeeld
1e persoon enkelvoud yo me me lavo — ik was me
2e persoon enkelvoud te te lavas — jij wast je
3e persoon enkelvoud él, ella, usted se se lava — hij, zij of u wast zich
1e persoon meervoud nosotros/nosotras nos nos lavamos — wij wassen ons
2e persoon meervoud vosotros/vosotras os os laváis — jullie wassen je
3e persoon meervoud ellos, ellas, ustedes se se lavan — zij of jullie wassen zich

Usted en ustedes krijgen derde-persoonsvormen. Daarom zeg je usted se llama en ustedes se llaman. In het grootste deel van Latijns-Amerika gebruikt men ustedes in plaats van vosotros, ook wanneer de aanspreekvorm informeel is.

Stap voor stap: levantarse

  1. Neem de infinitief levantarse.
  2. Haal -se weg: levantar.
  3. Vervoeg levantar volgens het onderwerp.
  4. Zet het bijpassende voornaamwoord vóór de vervoegde vorm.
Persoon Vorm Nederlandse betekenis
yo me levanto ik sta op
te levantas jij staat op
él/ella/usted se levanta hij/zij staat op; u staat op
nosotros/nosotras nos levantamos wij staan op
vosotros/vosotras os levantáis jullie staan op
ellos/ellas/ustedes se levantan zij staan op; jullie staan op

Het voornaamwoord is geen vervanging voor de werkwoordsuitgang. In nos levantamos laten zowel nos als -amos zien dat het om „wij” gaat. Dat lijkt dubbel vanuit het Nederlands, maar beide delen zijn in het Spaans nodig.

Het werkwoord kan zelf onregelmatig zijn

-Se maakt een werkwoord niet automatisch regelmatig. Je past de gewone vervoegingsregels van het basiswerkwoord toe:

  • acostarse: me acuesto, te acuestas, se acuesta, maar nos acostamos en os acostáis;
  • vestirse: me visto, te vistes, se viste, maar nos vestimos en os vestís;
  • despertarse: me despierto, maar nos despertamos.

Bij deze werkwoorden verandert de klinker in bepaalde vormen omdat de klemtoon daar op de stam valt. Het wederkerende voornaamwoord verandert die regel niet.

Waar staat het voornaamwoord?

Bij één vervoegd werkwoord staat het voornaamwoord normaal ervoor:

  • Me ducho ahora. — Ik douche nu.
  • No se acuesta temprano. — Hij/zij gaat niet vroeg naar bed.
  • ¿Te llamas Eva? — Heet je Eva?

Bij een infinitief kan het eraan vast blijven zitten. Na een vervoegd hulp- of modaal werkwoord zijn vaak twee posities mogelijk:

  • Voy a ducharme. / Me voy a duchar. — Ik ga douchen.
  • Tenemos que levantarnos. / Nos tenemos que levantar. — We moeten opstaan.
  • Quiero acostarme pronto. / Me quiero acostar pronto. — Ik wil vroeg naar bed.

Het voornaamwoord hoort niet ergens los achter een gewone vervoegde vorm: niet levanto me, maar me levanto.

Reflexief of niet-reflexief

Veel werkwoorden bestaan zowel met als zonder -se. Het verschil is dan wie of wat de handeling ondergaat.

Zonder -se Met -se Verschil
Lavo al niño. — Ik was het kind. Me lavo. — Ik was me. Een ander tegenover jezelf
Ana viste al bebé. — Ana kleedt de baby aan. Ana se viste. — Ana kleedt zich aan. Het voorwerp tegenover Ana zelf
Acuesto a los niños. — Ik leg de kinderen in bed. Me acuesto. — Ik ga naar bed. Iemand naar bed brengen tegenover zelf gaan slapen
Llamo a Marta. — Ik bel Marta. Me llamo Marta. — Ik heet Marta. Een andere betekenis van llamarse

Het lijdend voorwerp (wie of wat rechtstreeks de handeling ondergaat) staat in de linkerzinnen apart genoemd. In de rechterzinnen verwijst het wederkerende voornaamwoord terug naar het onderwerp.

Lichaamsdelen: meestal geen bezittelijk woord

Bij lichaamsverzorging gebruikt het Spaans meestal een bepaald lidwoord, zoals el, la, los, las, waar het Nederlands mijn, je of zijn gebruikt:

  • Me lavo las manos — Ik was mijn handen.
  • Se cepilla los dientes — Hij/zij poetst zijn/haar tanden.
  • Nos secamos el pelo — We drogen ons haar.

Het voornaamwoord maakt al duidelijk van wie het lichaamsdeel is. Me lavo mis manos klinkt in een neutrale dagelijkse zin onnatuurlijk nadrukkelijk.

Voorbeelden in context

Spaans Nederlands Opmerking
¿Cómo te llamas? Hoe heet je? Vaste, alledaagse vraag met llamarse
Me llamo Sofía. Ik heet Sofía. Niet letterlijk vertalen met „mezelf noemen”
Me levanto a las siete. Ik sta om zeven uur op. Dagelijkse routine
Primero me ducho y después me visto. Eerst douche ik en daarna kleed ik me aan. Twee reflexieve handelingen
¿A qué hora os acostáis? Hoe laat gaan jullie naar bed? Vosotros-vorm, vooral in Spanje
Se acuesta tarde los viernes. Hij/zij gaat op vrijdag laat naar bed. Se kan naar meerdere onderwerpen verwijzen
Nos divertimos mucho en la fiesta. We hebben veel plezier op het feest. Divertirse heeft een klinkerwisseling buiten de nosotros-vorm
Los niños se lavan las manos antes de comer. De kinderen wassen voor het eten hun handen. Lidwoord bij een lichaamsdeel
¿Usted se siente bien? Voelt u zich goed? Beleefde aanspreekvorm met derde persoon
Hoy no me encuentro bien. Vandaag voel ik me niet goed. Encontrarse kan „zich voelen” betekenen
Tenemos que despertarnos temprano. We moeten vroeg wakker worden. Voornaamwoord vast aan de infinitief
Mi hermana y yo nos preparamos para salir. Mijn zus en ik maken ons klaar om uit te gaan. Nos past bij een meervoudig onderwerp
Carlos se afeita cada mañana. Carlos scheert zich elke ochtend. De naam is onderwerp; se verwijst naar Carlos
No te preocupes. Maak je geen zorgen. Veelgebruikte ontkennende gebiedende wijs

Veelgemaakte fouten

1. Se bij elke persoon gebruiken

  • Onjuist: Yo se levanto a las siete.
  • Juist: Yo me levanto a las siete.
  • Waarom: Het voornaamwoord past bij het onderwerp: yo → me, tú → te, él/ella/usted → se. Bovendien hoort bij yo de vorm levanto.

2. Het voornaamwoord helemaal weglaten

  • Onjuist: Llamo Pedro als je „Ik heet Pedro” bedoelt.
  • Juist: Me llamo Pedro.
  • Waarom: Llamar betekent onder meer „bellen” of „noemen”; llamarse betekent „heten”. De Nederlandse vertaling bevat geen zichtbaar wederkerend woord, maar de Spaanse zin wel.

3. Alleen -se aanpassen en het werkwoord niet vervoegen

  • Onjuist: Nos levantar a las ocho.
  • Juist: Nos levantamos a las ocho.
  • Waarom: In een zelfstandige zin heeft het werkwoord een vervoegde vorm nodig. Zowel nos als -amos hoort bij nosotros.

4. Het voornaamwoord achter de vervoegde vorm zetten

  • Onjuist: Ducho me por la mañana.
  • Juist: Me ducho por la mañana.
  • Waarom: Voor een gewone vervoegde vorm staat het onbeklemtoonde voornaamwoord ervoor. Vastplakken kan wel bij een infinitief: Voy a ducharme.

5. Een bezittelijk woord bij lichaamsdelen overnemen uit het Nederlands

  • Minder natuurlijk: Me cepillo mis dientes.
  • Neutraal en natuurlijk: Me cepillo los dientes.
  • Waarom: Me geeft al aan om wiens tanden het gaat. Het Spaans kiest daarom gewoonlijk het lidwoord los.

6. Een onregelmatige stam vergeten

  • Onjuist: Me acosto a las once.
  • Juist: Me acuesto a las once.
  • Waarom: Acostarse heeft in deze vorm de klinkerwisseling o → ue. In nos acostamos treedt die wisseling niet op.

Gebruiksnotities

In Spanje is os normaal bij informeel meervoud: ¿Os levantáis temprano? In Latijns-Amerika gebruikt men doorgaans ustedes se: ¿Ustedes se levantan temprano? Beide patronen zijn correct; kies het patroon van de regio waarop je je richt en herken het andere.

Een uitgesproken onderwerp is vaak niet nodig, omdat de werkwoordsuitgang de persoon al toont. Me levanto temprano klinkt volledig. Voeg yo toe bij contrast of nadruk: Yo me levanto temprano, pero él se levanta tarde — ik sta vroeg op, maar hij staat laat op.

Niet elk Spaans werkwoord met -se is letterlijk reflexief. Bij arrepentirse (spijt hebben), quejarse (klagen), darse cuenta de (beseffen) en atreverse a (durven) is -se gewoon deel van het werkwoord. Probeer daar geen letterlijke handeling „op zichzelf” in te zien. Woordenboeken noemen zulke vormen vaak pronominale werkwoorden: werkwoorden die met een voornaamwoord worden gebruikt.

Verder dan de basis

De volgende patronen hoef je op A1-niveau nog niet allemaal actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Vastplakken aan gerundium en gebiedende wijs

Bij een gerundium (een vorm op -ando of -iendo die een lopende handeling uitdrukt) kan het voornaamwoord vast aan de vorm staan: Estoy duchándome — ik ben aan het douchen. Ook Me estoy duchando is correct. Door het vastplakken is soms een accentteken nodig om de oorspronkelijke klemtoon te bewaren.

Bij een bevestigend bevel staat het voornaamwoord achteraan: ¡Levántate! — sta op!; ¡Siéntense! — gaat u zitten/ga zitten, jullie! Bij een ontkennend bevel staat het ervoor: ¡No te levantes! — sta niet op! De werkwoordsvormen van zulke bevelen horen bij een later grammaticaniveau.

Verleden tijden

In samengestelde verleden tijden staat het voornaamwoord vóór het hulpwerkwoord haber:

  • Me he levantado temprano. — Ik ben vroeg opgestaan.
  • Nos hemos divertido mucho. — We hebben veel plezier gehad.

Het voltooid deelwoord (de vorm zoals levantado of divertido) verandert hierbij niet mee met persoon of geslacht. Je zegt dus ook Ana se ha levantado, niet levantada.

Wederkerig gebruik

In het meervoud kunnen nos, os en se ook „elkaar” betekenen:

  • Nos vemos todos los días. — We zien elkaar elke dag.
  • Ana y Luis se ayudan. — Ana en Luis helpen elkaar.

De context bepaalt of de betekenis reflexief of wederkerig is. Se miran kan betekenen dat mensen zichzelf bekijken of elkaar aankijken. Voeg zo nodig el uno al otro of la una a la otra toe om „elkaar” expliciet te maken.

Se heeft meer functies

Niet iedere se die je ziet, hoort bij een reflexief werkwoord. In Se habla español aquí („Hier wordt Spaans gesproken”) maakt se de zin onpersoonlijk of passief; er is geen persoon die zichzelf spreekt. Daarnaast kan se in combinaties met andere voornaamwoorden verschijnen. Behandel die constructies als aparte onderwerpen en gebruik bij twijfel de infinitief uit een woordenboek: staat daar lavarse, dan hoort se bij het werkwoord.

Sommige werkwoorden krijgen met -se een betekenisnuance. Ir is „gaan”, maar irse is „weggaan”; dormir is „slapen”, maar dormirse legt de nadruk op in slaap vallen. Dit is niet altijd voorspelbaar. Leer zulke paren met een korte voorbeeldzin in plaats van alleen met een Nederlandse vertaling.

Oefentips

  1. Maak een routineketting. Beschrijf je ochtend met vijf vormen: me despierto, me levanto, me ducho, me visto, me cepillo los dientes. Verander daarna het onderwerp naar ella en nosotros; zo oefen je voornaamwoord én werkwoordsuitgang samen.
  2. Leer het werkwoord inclusief -se. Schrijf niet alleen acostar, maar noteer acostarse — me acuesto — nos acostamos. Daarmee onthoud je tegelijk dat het werkwoord reflexief is en waar de klinkerwisseling ontbreekt.
  3. Vertaal niet woord voor woord uit het Nederlands. Maak twee lijstjes: werkwoorden die in beide talen wederkerend zijn (lavarse — zich wassen) en werkwoorden waarbij het Spaans anders werkt (levantarse — opstaan, llamarse — heten). Zeg de Spaanse voorbeeldzinnen hardop.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige werkwoorden op -ar in het SpaansA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verbos Reflexivos in Spaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Spaans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen