Reflexieve werkwoorden in het Noors
Refleksive Verb
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Noors op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Bij een reflexief werkwoord verwijst het voornaamwoord terug naar het onderwerp: Jeg vasker meg betekent ‘Ik was me’. Kies meg, deg, seg, oss of dere op basis van wie de handeling uitvoert; seg hoort alleen bij de derde persoon. Het voornaamwoord staat in een gewone hoofdzin meestal direct na het vervoegde werkwoord: Hun føler seg trøtt.
Overzicht
Een werkwoord is reflexief wanneer degene die iets doet ook degene is op wie de handeling gericht is. In Jeg vasker meg is jeg het onderwerp (wie de handeling uitvoert) en verwijst meg naar diezelfde persoon. Het reflexieve voornaamwoord is hier het lijdend voorwerp: de persoon die de handeling ondergaat. Net als in het Nederlands veranderen zulke voornaamwoorden met de persoon: ik was me, jij wast je, hij wast zich.
De basis komt op A2-niveau aan bod, maar reflexieve vormen zijn al snel nodig in dagelijkse gesprekken. Je gebruikt ze voor lichaamsverzorging (vaske seg, zich wassen), houding en beweging (sette seg, gaan zitten), gevoelens (føle seg, zich voelen) en vaste uitdrukkingen zoals glede seg til (ergens naar uitkijken). Sommige Noorse combinaties lijken sterk op het Nederlands. Andere moet je als één geheel leren: gifte seg betekent gewoon ‘trouwen’, niet letterlijk ‘zich trouwen’.
In woordenboeken staat de infinitief (de onverbogen vorm van het werkwoord) meestal met seg: å vaske seg. Dat betekent niet dat seg bij iedere persoon blijft staan. Zodra het onderwerp bekend is, pas je het voornaamwoord aan: jeg vasker meg, du vasker deg, vi vasker oss.
Hoe het werkt
De reflexieve voornaamwoorden
| Persoon | Onderwerp | Reflexief voornaamwoord | Nederlands voorbeeld |
|---|---|---|---|
| eerste persoon enkelvoud | jeg | meg | ik was me |
| tweede persoon enkelvoud | du | deg | jij wast je |
| derde persoon enkelvoud | han, hun, den, det | seg | hij/zij/het wast zich |
| eerste persoon meervoud | vi | oss | wij wassen ons |
| tweede persoon meervoud | dere | dere | jullie wassen je |
| derde persoon meervoud | de | seg | zij wassen zich |
De eenvoudige beginnersregel is dus:
onderwerp + vervoegd werkwoord + passend reflexief voornaamwoord
- Jeg barberer meg. — Ik scheer me.
- Du kler på deg. — Jij kleedt je aan.
- Hun setter seg. — Zij gaat zitten.
- Vi skynder oss. — Wij haasten ons.
- Dere koser dere. — Jullie vermaken je.
- De legger seg. — Zij gaan naar bed.
Let vooral op seg. Het Nederlandse zich en het Noorse seg lijken op elkaar, maar seg kan alleen terugwijzen naar han, hun, den, det of de. Bij jeg hoort dus nooit seg: het is Jeg vasker meg.
Het werkwoord wordt gewoon vervoegd
Het reflexieve voornaamwoord verandert de vervoeging niet. In de tegenwoordige tijd krijgt een regelmatig werkwoord doorgaans de normale uitgang -r; het voornaamwoord komt er als een los woord achter.
| Vorm | Noors | Nederlands |
|---|---|---|
| infinitief | å vaske seg | zich wassen |
| tegenwoordige tijd | vasker seg | wast zich |
| verleden tijd | vasket seg | waste zich |
| voltooid tegenwoordige tijd | har vasket seg | heeft zich gewassen |
| bevelvorm | vask deg! | was je! |
Bij samengestelde tijden staat het voornaamwoord na het voltooid deelwoord (de werkwoordsvorm die met har wordt gebruikt):
- Hun har lagt seg. — Zij is naar bed gegaan.
- Vi hadde gledet oss til turen. — We hadden naar de tocht uitgekeken.
Na een modaal werkwoord zoals må (moeten), kan (kunnen) of vil (willen) staat de infinitief zonder å. Het reflexieve voornaamwoord hoort bij die infinitief:
- Jeg må skynde meg. — Ik moet me haasten.
- Kan du sette deg her? — Kun je hier gaan zitten?
- De vil gifte seg. — Zij willen trouwen.
Woordvolgorde in hoofdzin, vraag en bijzin
In een gewone hoofdzin staat het voornaamwoord meestal na het werkwoord of de werkwoordelijke combinatie:
- Jeg føler meg bedre i dag. — Ik voel me vandaag beter.
- I dag føler jeg meg bedre. — Vandaag voel ik me beter.
Begint de zin met een ander zinsdeel, dan komt het vervoegde werkwoord nog steeds op de tweede plaats. Het onderwerp schuift erachter, maar het reflexieve voornaamwoord blijft bij het werkwoord: I dag føler jeg meg bedre, niet I dag jeg føler meg bedre.
In een ja-neevraag staat het werkwoord voorop:
- Føler du deg bedre? — Voel je je beter?
- Har hun bestemt seg? — Heeft zij een besluit genomen?
Bij een ontkenning staat ikke in een hoofdzin normaal na een kort, onbeklemtoond reflexief voornaamwoord:
- Jeg føler meg ikke bra. — Ik voel me niet goed.
- Han barberer seg ikke hver dag. — Hij scheert zich niet elke dag.
In een bijzin staat ikke vóór het vervoegde werkwoord, terwijl het reflexieve voornaamwoord na het werkwoord blijft:
- Jeg blir hjemme fordi jeg ikke føler meg bra. — Ik blijf thuis omdat ik me niet goed voel.
- Hun sier at de ikke har bestemt seg. — Zij zegt dat ze nog geen besluit hebben genomen.
Drie soorten reflexief gebruik
Niet elke combinatie vertaalt op dezelfde manier naar het Nederlands. Het helpt om drie groepen te herkennen.
1. Een echte handeling op jezelf
Het werkwoord kan ook een ander voorwerp hebben. Vergelijk:
- Jeg vasker barnet. — Ik was het kind.
- Jeg vasker meg. — Ik was me.
Het voornaamwoord maakt duidelijk dat onderwerp en voorwerp dezelfde persoon zijn. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld barbere seg (zich scheren) en tørke seg (zich afdrogen).
2. Een vaste reflexieve combinatie
Sommige werkwoorden worden in een bepaalde betekenis standaard met een reflexief voornaamwoord gebruikt:
- å føle seg — zich voelen
- å skynde seg — zich haasten
- å oppføre seg — zich gedragen
- å glede seg til — uitkijken naar
- å bestemme seg — een besluit nemen, besluiten
Leer bij deze werkwoorden ook de eventuele voorzetsels. Het is glede seg til noe en bestemme seg for noe.
3. Een betekenis die het Nederlands niet reflexief uitdrukt
- å sette seg — gaan zitten
- å legge seg — naar bed gaan, gaan liggen
- å gifte seg — trouwen
- å lære seg noe — iets aanleren, iets onder de knie krijgen
Een letterlijke vertaling klinkt hier vaak onnatuurlijk. Sett deg ned! is ‘Ga zitten!’, niet ‘Zet jezelf neer!’.
Voorbeelden in context
| Noors | Nederlands | Opmerking |
|---|---|---|
| Jeg vasker meg før frokost. | Ik was me voor het ontbijt. | Eerste persoon: meg |
| Du må kle på deg nå. | Je moet je nu aankleden. | Na må volgt de infinitief |
| Hun føler seg trøtt etter jobb. | Zij voelt zich moe na het werk. | Vaste combinatie: føle seg |
| Han barberer seg hver morgen. | Hij scheert zich elke ochtend. | Derde persoon: seg |
| Vi skynder oss til bussen. | We haasten ons naar de bus. | Eerste persoon meervoud: oss |
| Koser dere dere på festen? | Vermaken jullie je op het feest? | Onderwerp en reflexief zijn beide dere |
| Barna legger seg klokka åtte. | De kinderen gaan om acht uur naar bed. | Meervoudig zelfstandig onderwerp: seg |
| Sett deg ned, så henter jeg kaffe. | Ga zitten, dan haal ik koffie. | Bevel aan één persoon |
| De gifter seg i juni. | Ze trouwen in juni. | In het Nederlands niet reflexief |
| Jeg gleder meg til helgen. | Ik kijk uit naar het weekend. | glede seg til + zelfstandig naamwoord |
| Har dere bestemt dere for en dato? | Hebben jullie een datum gekozen? | bestemme seg for betekent een besluit nemen over iets |
| Hun har lært seg norsk på kort tid. | Ze heeft in korte tijd Noors geleerd. | lære seg benadrukt dat zij de vaardigheid heeft verworven |
| Han oppførte seg rolig under møtet. | Hij gedroeg zich rustig tijdens de vergadering. | Verleden tijd: oppførte |
| Jeg blir hjemme fordi jeg ikke føler meg bra. | Ik blijf thuis omdat ik me niet goed voel. | ikke staat in de bijzin vóór føler |
Veelgemaakte fouten
Bij iedere persoon seg gebruiken
- Fout: Jeg vasker seg.
- Goed: Jeg vasker meg.
- Waarom: Seg hoort alleen bij de derde persoon. Het voornaamwoord moet naar het onderwerp terugwijzen: jeg–meg, du–deg, vi–oss.
Het voornaamwoord weglaten bij een vaste combinatie
- Fout: Hun føler trøtt.
- Goed: Hun føler seg trøtt.
- Waarom: Voor de betekenis ‘zich voelen’ heeft føle een reflexief voornaamwoord nodig. Zonder seg is de zin niet de normale Noorse manier om te zeggen dat iemand moe is.
De Nederlandse constructie letterlijk overnemen
- Fout: Han sitter seg på sofaen.
- Goed: Han setter seg på sofaen.
- Waarom: sitte betekent ‘zitten’, een toestand; sette seg betekent ‘gaan zitten’, een beweging naar die toestand. Het Nederlands gebruikt hier vaak gaan zitten, niet een reflexief werkwoord met zetten.
Het voornaamwoord vóór de infinitief zetten
- Fout: Jeg må meg skynde.
- Goed: Jeg må skynde meg.
- Waarom: Na het modale werkwoord staat eerst de infinitief en daarna het reflexieve voornaamwoord.
Ikke op de verkeerde plek zetten
- Fout: Jeg føler ikke meg bra.
- Goed: Jeg føler meg ikke bra.
- Waarom: Een kort, onbeklemtoond voornaamwoord staat in een gewone hoofdzin doorgaans vóór ikke. Alleen bij nadrukkelijk contrast kan een andere plaatsing mogelijk zijn, bijvoorbeeld ‘niet míj maar hem’; dat is niet de neutrale betekenis.
Reflexief en wederkerig door elkaar halen
- Onbedoeld: De vasker seg.
- Bedoeld bij wederzijdse handeling: De vasker hverandre.
- Waarom: Seg betekent hier dat ieder zichzelf wast. Hverandre betekent ‘elkaar’: de personen voeren de handeling wederzijds uit.
Gebruiksnotities
Lichaamsdelen: vaak geen bezittelijk voornaamwoord
In het Noors krijgt een lichaamsdeel vaak de bepaalde vorm wanneer duidelijk is van wie het is. Waar een Nederlandstalige snel mijn of zijn gebruikt, zegt het Noors bijvoorbeeld:
- Jeg vasker hendene. — Ik was mijn handen.
- Hun pusser tennene. — Zij poetst haar tanden.
- Han skadet beinet. — Hij bezeerde zijn been.
Dat is niet precies dezelfde constructie als Jeg vasker meg: hendene is het lijdend voorwerp en er staat geen reflexief voornaamwoord. Zeg dus niet automatisch Jeg vasker mine hender; dat legt onnodige nadruk op ‘mijn’.
Leer werkwoord, voornaamwoord en voorzetsel samen
Bij vaste combinaties draagt een voorzetsel vaak een deel van de betekenis. Noteer daarom niet alleen glede, maar de hele eenheid glede seg til. Veelvoorkomende patronen zijn:
- glede seg til noe — naar iets uitkijken
- bestemme seg for noe — voor iets kiezen, tot iets besluiten
- venne seg til noe — aan iets wennen
- konsentrere seg om noe — zich op iets concentreren
- bry seg om noen/noe — om iemand/iets geven
Noe betekent hier ‘iets’ en laat zien waar het voorzetsel zijn aanvulling krijgt. In een echte zin vervang je het: Jeg gleder meg til ferien.
Uitspraak en alledaags taalgebruik
De voornaamwoorden meg, deg en seg zijn meestal onbeklemtoond. Hun uitspraak wijkt daardoor af van wat een Nederlandstalige op basis van de spelling zou verwachten; luister goed naar moedertaalsprekers en behandel de combinatie als één ritmische eenheid. In informele geschreven taal kun je uitspraaknabije vormen tegenkomen, maar in neutraal Bokmål schrijf je meg, deg, seg.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar ze helpen bij het lezen en luisteren op een hoger niveau.
Sin is bezittelijk, niet hetzelfde als seg
Noors heeft ook het reflexieve bezittelijke woord sin/si/sitt/sine. Dat betekent ‘zijn/haar/hun eigen’ en past zich aan het bezit aan:
- Hun vasker bilen sin. — Zij wast haar eigen auto.
- Hun vasker seg. — Zij wast zich.
Seg vervangt een persoon als voorwerp; sin hoort bij een zelfstandig naamwoord. Verwar ze niet alleen omdat beide naar het onderwerp terugwijzen.
Nadruk met selv
Voor de gewone reflexieve betekenis is meg/deg/seg voldoende. Voeg selv toe wanneer ‘zelf’ echt nadruk krijgt:
- Han barberer seg. — Hij scheert zich.
- Han gjorde det selv. — Hij deed het zelf.
- Hun snakker om seg selv. — Zij praat over zichzelf.
Na een voorzetsel is de combinatie met selv vaak duidelijker wanneer je nadrukkelijk ‘zichzelf’ bedoelt. Selv is dus geen verplicht onderdeel van elk reflexief werkwoord.
Reflexief, wederkerig en werkwoorden op -s
Deze vormen kunnen qua betekenis dicht bij elkaar liggen, maar grammaticaal zijn ze niet hetzelfde:
| Vorm | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|
| reflexief voornaamwoord | De vasker seg. | Zij wassen ieder zichzelf. |
| wederkerig voornaamwoord | De hjelper hverandre. | Zij helpen elkaar. |
| werkwoord op -s | Vi møtes i morgen. | We ontmoeten elkaar morgen. |
Sommige werkwoorden op -s, zoals møtes en ses, drukken een wederzijdse handeling uit. Andere -s-vormen hebben een passieve betekenis. Analyseer zo'n uitgang daarom niet automatisch als een verkorte vorm van seg.
Een reflexieve vorm kan de betekenis verfijnen
Soms zijn zowel een vorm met als zonder reflexief voornaamwoord mogelijk, maar is de betekenis anders:
- Jeg lærer norsk. — Ik leer Noors.
- Jeg lærer meg norsk. — Ik leer mezelf Noors / ik maak me het Noors eigen.
- Hun legger boka på bordet. — Zij legt het boek op tafel.
- Hun legger seg. — Zij gaat liggen of naar bed.
Het is daarom veiliger om veelgebruikte reflexieve combinaties als afzonderlijke woordenschat te leren dan om seg achter elk willekeurig werkwoord te zetten.
Oefentips
- Maak persoonsreeksen. Neem één werkwoord en zeg zes korte zinnen hardop: jeg vasker meg, du vasker deg, han vasker seg, vi vasker oss, dere vasker dere, de vasker seg. Zo koppel je het voornaamwoord automatisch aan het onderwerp.
- Leer vaste combinaties op kaartjes. Schrijf aan één kant å glede seg til en aan de andere kant ‘uitkijken naar’, met een volledige voorbeeldzin. Neem het voorzetsel altijd mee.
- Oefen drie zinstypen naast elkaar. Maak van Hun føler seg bra ook de vraag Føler hun seg bra? en de bijzin fordi hun ikke føler seg bra. Daarmee train je tegelijk het reflexieve voornaamwoord en de Noorse woordvolgorde.
Verwante onderwerpen
- Eerst leren: Tegenwoordige tijd — de gewone vervoeging in het presens vormt de basis voor zinnen als Jeg vasker meg en Hun føler seg trøtt.
Vereiste kennis
Tegenwoordige tijd in het NoorsA1Meer A2-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Refleksive Verb in Noors met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Noors · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen