A2

Reflexieve werkwoorden in het Zweeds

Reflexiva Verb

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Zweeds op Settemila Lingue.

In het kort

Bij een reflexief werkwoord verwijst het voornaamwoord terug naar het onderwerp: Jag tvättar mig betekent ‘Ik was me’. Kies de vorm die bij het onderwerp hoort: mig, dig, sig, oss, er, sig. Vooral sig is belangrijk: die ene vorm hoort bij alle onderwerpen in de derde persoon, zowel enkelvoud als meervoud.

Overzicht

Een werkwoord is reflexief wanneer de handeling teruggaat naar degene die haar uitvoert. In Hon tvättar sig is hon het onderwerp (degene die iets doet) en sig het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat). Het gaat dus om dezelfde persoon: zij wast zichzelf.

Dit onderwerp komt op A2-niveau aan bod, nadat je de gewone Zweedse werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd hebt geleerd. De vervoeging van het werkwoord blijft normaal. Wat erbij komt, is een kort reflexief voornaamwoord zoals mig of sig. Sommige werkwoorden kunnen zowel met als zonder zo'n voornaamwoord voorkomen, terwijl andere als vaste reflexieve combinatie worden geleerd: känna sig ‘zich voelen’, sätta sig ‘gaan zitten’, skynda sig ‘opschieten, zich haasten’ en gifta sig ‘trouwen’.

Voor Nederlandstaligen is het basisidee herkenbaar: ik was me, jij haast je en zij voelt zich moe. Toch kun je niet steeds woord voor woord vertalen. Nederlands ‘trouwen’, ‘gaan zitten’ en ‘wennen aan’ worden in het Zweeds bijvoorbeeld vaak gifta sig, sätta sig en vänja sig vid. Omgekeerd hoeft een Nederlandse wederkerende formulering niet automatisch dezelfde Zweedse bouw te hebben. Leer daarom niet alleen het losse werkwoord, maar de hele combinatie.

Zo werkt het

De vormen bij elk onderwerp

De infinitief (de onverbogen vorm die in woordenboeken staat) wordt meestal met sig gegeven, bijvoorbeeld att tvätta sig. In een echte zin verandert het voornaamwoord mee met het onderwerp.

Onderwerp Reflexieve vorm Nederlands Voorbeeld
jag mig me, mijzelf Jag tvättar mig.
du dig je, jezelf Du tvättar dig.
han, hon, hen, den, det sig zich, zichzelf Hon tvättar sig.
vi oss ons, onszelf Vi tvättar oss.
ni er je/u/jullie, jezelf/uzelf/julliezelf Ni tvättar er.
de sig zich, zichzelf De tvättar sig.

De Zweedse werkwoordsvorm verandert niet per persoon: jag tvättar, du tvättar en de tvättar. Alleen het voornaamwoord verschilt. Dat maakt de kernreeks overzichtelijk:

jag–mig, du–dig, han/hon/hen–sig, vi–oss, ni–er, de–sig

In de uitspraak klinken mig, dig en sig in gewone spreektaal meestal ongeveer als mej, dej, sej. Die uitspraak is normaal, maar in neutrale geschreven taal gebruik je doorgaans de spelling mig, dig, sig.

Waarom sig anders is dan honom, henne en dem

Bij de eerste en tweede persoon zijn de reflexieve vormen gelijk aan de gewone objectvormen: Hon ser mig en Jag tvättar mig bevatten allebei mig. In de derde persoon maakt het Zweeds een belangrijk onderscheid:

  • Erik tvättar sig. — Erik wast zichzelf.
  • Erik tvättar honom. — Erik wast hem, dus een andere man of jongen.
  • Sara såg sig i spegeln. — Sara zag zichzelf in de spiegel.
  • Sara såg henne i spegeln. — Sara zag haar, dus een andere vrouw of meisje, in de spiegel.
  • Barnen klär på sig. — De kinderen kleden zichzelf aan.
  • Föräldrarna klär på dem. — De ouders kleden hen aan.

Sig verwijst dus terug naar een onderwerp in de derde persoon. Het heeft geen aparte mannelijke, vrouwelijke of meervoudsvorm. Dat lijkt sterk op Nederlands zich, maar het Zweedse onderscheid met honom, henne en dem moet je wel bewust bewaren.

Gewone plaats in de zin

In een eenvoudige hoofdzin staat het reflexieve voornaamwoord normaal na het verbogen werkwoord:

onderwerp + werkwoord + reflexief voornaamwoord

  • Jag känner mig trött. — Ik voel me moe.
  • Hon sätter sig här. — Zij gaat hier zitten.
  • Vi skyndar oss. — Wij haasten ons.

Begint de zin met een tijds- of plaatsbepaling, dan staat het verbogen werkwoord nog steeds op de tweede zinsplaats. Het onderwerp schuift erachter, maar het reflexieve voornaamwoord blijft bij het werkwoordelijke deel:

  • På morgonen rakar han sig. — 's Ochtends scheert hij zich.
  • Efter jobbet sätter vi oss på ett kafé. — Na het werk gaan we in een café zitten.

Bij een eenvoudig verb komt een kort voornaamwoord gewoonlijk vóór inte:

  • Jag känner mig inte trött. — Ik voel me niet moe.
  • De skyndade sig inte. — Ze haastten zich niet.

Met een hulpwerkwoord staat inte meestal na het verbogen hulpwerkwoord, terwijl het reflexieve voornaamwoord bij de infinitief of het voltooid deel blijft:

  • Jag vill inte lägga mig än. — Ik wil nog niet naar bed gaan.
  • Hon har inte bestämt sig. — Zij heeft nog geen besluit genomen.

In een bijzin staat een zinsbijwoord zoals inte vóór het verbogen werkwoord. Een bijzin is een zinsdeel dat niet zelfstandig de hoofdmededeling vormt, bijvoorbeeld het deel na ‘omdat’:

  • …eftersom jag inte känner mig frisk. — …omdat ik me niet gezond voel.
  • …att de inte har gift sig än. — …dat ze nog niet getrouwd zijn.

Met een hulpwerkwoord, in het verleden en in de gebiedende wijs

Het werkwoord krijgt de vorm die de tijd of constructie vraagt; het reflexieve voornaamwoord blijft bij de bedoelde persoon.

Constructie Zweeds Nederlands
infinitief att tvätta sig zich wassen
tegenwoordige tijd Hon tvättar sig. Zij wast zich.
verleden tijd Hon tvättade sig. Zij waste zich.
perfectum Hon har tvättat sig. Zij heeft zich gewassen.
hulpwerkwoord Hon måste tvätta sig. Zij moet zich wassen.
gebiedende wijs Tvätta dig! Was je!

Het onderwerp van de infinitief bepaalt de keuze. Vergelijk:

  • Jag vill sätta mig. — Ik wil gaan zitten.
  • Hon vill sätta sig. — Zij wil gaan zitten.
  • Vi måste skynda oss. — Wij moeten opschieten.

In een bevel laat je het onderwerp meestal weg, maar het reflexieve voornaamwoord blijft staan:

  • Sätt dig ner! — Ga zitten!
  • Skynda er! — Schiet op! / Schieten jullie op!
  • Oroa dig inte! — Maak je geen zorgen!

Drie soorten combinaties

Niet elk reflexief werkwoord werkt precies hetzelfde. Het helpt om drie groepen te herkennen.

1. Dezelfde handeling kan ook op iemand anders gericht zijn

Bij tvätta en raka kan het voorwerp dezelfde persoon als het onderwerp zijn, maar ook iemand anders.

  • Jag tvättar mig. — Ik was me.
  • Jag tvättar barnet. — Ik was het kind.
  • Han rakar sig. — Hij scheert zich.
  • Frisören rakar honom. — De kapper scheert hem.

Hier is de reflexieve betekenis vrij letterlijk.

2. De reflexieve vorm heeft een eigen, vaste betekenis

Sommige combinaties vertaal je beter als één geheel:

Zweedse combinatie Natuurlijke Nederlandse betekenis
känna sig zich voelen
sätta sig gaan zitten
lägga sig gaan liggen; naar bed gaan
resa sig opstaan, overeind komen
gifta sig trouwen
skynda sig opschieten, zich haasten
bete sig zich gedragen
befinna sig zich bevinden
bestämma sig besluiten, een besluit nemen
vänja sig vid wennen aan
oroa sig för zich zorgen maken over

Let vooral op het verschil tussen sitta en sätta sig. Hon sitter på stolen beschrijft een toestand: zij zit op de stoel. Hon sätter sig på stolen beschrijft de overgang: zij gaat op de stoel zitten. Op dezelfde manier betekent ligga ‘liggen’, terwijl lägga sig ‘gaan liggen’ kan betekenen.

3. Een partikel hoort bij de combinatie

Een partikel is een kort, meestal beklemtoond woord dat samen met het werkwoord een betekenis vormt. Bij klä på sig ‘zich aankleden’ en ta av sig ‘iets uittrekken’ staat de partikel vóór het reflexieve voornaamwoord:

  • Jag klär på mig. — Ik kleed me aan.
  • Hon tar av sig jackan. — Zij trekt haar jas uit.
  • Klä på dig! — Kleed je aan!

Dit wijkt af van de Nederlandse volgorde ik kleed me aan. Laat je dus niet verleiden tot een Zweedse volgorde naar Nederlands model. Leer de reeks als één blok: klä på sig, ta av sig, ta på sig.

Voorbeelden in context

Zweeds Nederlands Toelichting
Jag tvättar mig före frukosten. Ik was me voor het ontbijt. Letterlijk reflexieve handeling met mig.
Han rakar sig varje morgon. Hij scheert zich elke ochtend. Derde persoon enkelvoud: sig.
Känner du dig bättre idag? Voel je je vandaag beter? Vraag met dig bij du.
Hon känner sig trött efter resan. Zij voelt zich moe na de reis. Känna sig wordt gevolgd door een beschrijving.
Vi sätter oss vid fönstret. We gaan bij het raam zitten. Sätta sig drukt een overgang uit.
Sätt dig ner! Ga zitten! Bevel aan één persoon.
Ni kan ta av er skorna här. Jullie kunnen hier je schoenen uittrekken. Er hoort bij ni; de partikel av staat ervoor.
Barnet klär på sig själv. Het kind kleedt zichzelf aan. Själv legt extra nadruk op ‘zelf’.
Jag vill lägga mig tidigt i kväll. Ik wil vanavond vroeg naar bed gaan. Na vill staat de infinitief; mig verwijst naar jag.
De gifter sig i juni. Ze trouwen in juni. Gifta sig is een vaste reflexieve combinatie.
Du måste skynda dig till bussen. Je moet je haasten om de bus te halen. Dig blijft bij de infinitief skynda.
Hon har bestämt sig för att flytta. Zij heeft besloten te verhuizen. Vaste bouw: bestämma sig för att.
Han oroar sig för provet. Hij maakt zich zorgen over het examen. Vaste bouw met för.
Eftersom jag inte känner mig frisk stannar jag hemma. Omdat ik me niet gezond voel, blijf ik thuis. In de bijzin staat inte vóór het verbogen werkwoord.
Efter några veckor vande vi oss vid kylan. Na enkele weken raakten we gewend aan de kou. Vänja sig vid met verleden tijd en oss.

Veelgemaakte fouten

Altijd sig gebruiken

  • Onjuist: Jag tvättar sig.
  • Juist: Jag tvättar mig.
  • Waarom: Sig hoort alleen bij een onderwerp in de derde persoon. Bij jag gebruik je mig, bij du dig, bij vi oss en bij ni er.

Een gewoon object gebruiken wanneer de persoon naar zichzelf verwijst

  • Onjuist: Anna såg henne i spegeln als je bedoelt dat Anna zichzelf zag.
  • Juist: Anna såg sig i spegeln.
  • Waarom: Henne verwijst naar een andere vrouw of meisje. Omdat Anna onderwerp én bekeken persoon is, heb je sig nodig.

Het Nederlandse werkwoord letterlijk overnemen

  • Onjuist: De gifter i juni.
  • Juist: De gifter sig i juni.
  • Waarom: Nederlands ‘trouwen’ is niet reflexief, maar Zweeds gifta sig is een vaste combinatie. Hetzelfde soort verschil zie je bij sätta sig ‘gaan zitten’ en vänja sig vid ‘wennen aan’.

Het voornaamwoord vóór de partikel zetten

  • Onjuist: Jag klär mig på.
  • Juist: Jag klär på mig.
  • Waarom: In het Zweedse partikelwerkwoord klä på sig staat de beklemtoonde partikel vóór het voornaamwoord. De Nederlandse volgorde ‘ik kleed me aan’ is hier misleidend.

Sig gebruiken om ‘elkaar’ te bedoelen

  • Onjuist: De hjälper sig als je bedoelt ‘Ze helpen elkaar’.
  • Juist: De hjälper varandra.
  • Waarom: Sig verwijst normaal terug naar ieder onderwerp zelf; varandra betekent ‘elkaar’. De hjälper sig krijgt dus eerder een reflexieve lezing dan een wederkerige.

Het voornaamwoord bij een bevel weglaten

  • Onjuist: Sätt ner! als je gewoon ‘Ga zitten!’ bedoelt.
  • Juist: Sätt dig ner!
  • Waarom: Het onderwerp du wordt in de gebiedende wijs weggelaten, maar dig hoort bij de combinatie sätta sig en blijft staan.

Gebruiksnotities

Leer ook het vaste voorzetsel

Sommige reflexieve werkwoorden verlangen een vaste aanvulling. Een voorzetsel is een kort woord zoals ‘aan’, ‘op’ of ‘over’ dat de relatie met het volgende deel aangeeft. Het Zweedse voorzetsel komt niet altijd overeen met het Nederlandse:

  • vänja sig vid något — aan iets wennen
  • oroa sig för något — zich zorgen maken over iets
  • bestämma sig för något — voor iets kiezen, iets besluiten
  • koncentrera sig något — zich op iets concentreren
  • intressera sig för något — belangstelling hebben voor iets

Leer zulke reeksen als één geheel. Alleen oroa sig onthouden is minder nuttig dan meteen oroa sig för något leren.

Er kan enkelvoudig of meervoudig zijn

Er hoort grammaticaal bij ni. Meestal is ni ‘jullie’, zodat er ‘je/julliezelf’ betekent: Ni måste skynda er. Ni kan in bepaalde situaties ook als beleefde aanspreekvorm voor één persoon voorkomen. Dan blijft de reflexieve vorm er, maar modern Zweeds gebruikt vaak liever een directe formulering zonder een algemene, overal passende formele aanspreekvorm.

Lichaamsdelen krijgen vaak een bepaald lidwoord

Waar het Nederlands vaak een bezittelijk woord gebruikt, kiest het Zweeds bij verzorging geregeld voor een lichaamsdeel in de bepaalde vorm:

  • Jag borstar tänderna. — Ik poets mijn tanden.
  • Hon tvättar händerna. — Zij wast haar handen.

Daar is niet altijd een reflexief voornaamwoord nodig. Gebruik dus niet automatisch sig zodra de handeling iemands eigen lichaam betreft. Vergelijk wel Hon tvättar sig ‘Zij wast zich’ met Hon tvättar händerna ‘Zij wast haar handen’.

Verder dan de basis

De volgende verschillen hoef je op A2 nog niet allemaal actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Reflexief, wederkerig en passief zijn niet hetzelfde

Zweeds heeft meerdere vormen die voor een Nederlandstalige op elkaar kunnen lijken:

  • Reflexief: De tvättar sig. — Ze wassen zichzelf.
  • Wederkerig: De hjälper varandra. — Ze helpen elkaar.
  • Werkwoord op -s: Vi träffas i morgon. — We ontmoeten elkaar morgen.
  • Passief op -s: Dörren stängs klockan tio. — De deur wordt om tien uur gesloten.

De uitgang -s is dus niet hetzelfde als het losse voornaamwoord sig. Bovendien hebben sommige werkwoorden op -s een vaste actieve betekenis, zoals hoppas ‘hopen’ en lyckas ‘slagen’. Behandel reflexieve werkwoorden, wederkerige betekenissen en vormen op -s als aparte patronen.

Sig själv legt nadruk

Een gewoon sig is meestal voldoende. Voeg själv toe wanneer ‘zelf’ echt nadruk krijgt of een tegenstelling vormt:

  • Barnet klär på sig. — Het kind kleedt zich aan.
  • Barnet klär på sig själv. — Het kind kleedt zichzelf aan, zonder hulp.
  • Hon gjorde det själv. — Zij deed het zelf.

In de laatste zin is själv geen reflexief object: het benadrukt alleen wie de handeling uitvoerde. Zweeds maakt dus, net als het Nederlands, verschil tussen ‘zich’ en het nadrukkelijke ‘zelf’.

Sin, sitt en sina drukken reflexief bezit uit

De woorden sin, sitt, sina verwijzen naar iets dat bij het onderwerp in de derde persoon hoort:

  • Anna tog sin jacka. — Anna pakte haar eigen jas.
  • Anna tog hennes jacka. — Anna pakte de jas van een andere vrouw.

Dit heet reflexief bezit, maar het is niet hetzelfde als een reflexief werkwoord. Sin/sitt/sina staan bij een zelfstandig naamwoord; sig staat zelfstandig als object of na een voorzetsel. De keuze tussen sin en sitt hangt bovendien af van het woord dat erop volgt: sin jacka, maar sitt pass.

De verwijzing volgt de handelende persoon in de infinitief

In langere zinnen kijk je naar wie de handeling van de infinitief uitvoert:

  • Jag lovade att skynda mig. — Ik beloofde dat ik zou opschieten.
  • Jag bad barnen att skynda sig. — Ik vroeg de kinderen op te schieten.

In de eerste zin voert jag het haasten uit en staat er mig. In de tweede zin zijn barnen de bedoelde uitvoerders en staat er sig. Zulke langere constructies worden belangrijker zodra je meer bijzinnen en infinitiefconstructies gebruikt.

Oefentips

  1. Leer werkwoord en voornaamwoord samen. Noteer niet alleen gifta, maar gifta sig; niet alleen vänja, maar vänja sig vid. Maak daarna drie korte zinnen met verschillende personen: jag vänjer mig, du vänjer dig, de vänjer sig.
  2. Oefen de hele personenreeks hardop. Gebruik één bekend werkwoord: jag tvättar mig, du tvättar dig, hon tvättar sig, vi tvättar oss, ni tvättar er, de tvättar sig. Zo wordt vooral het verschil tussen mig/dig en sig automatisch.
  3. Markeer vaste woordblokken tijdens het lezen. Onderstreep in Hon har bestämt sig för att flytta niet alleen bestämt, maar bestämt sig för. Let bij luisteren ook op de uitspraak mej, dej, sej en bij partikelwerkwoorden op de volgorde klär på sig.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Presens en werkwoordsgroepen in het ZweedsA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Reflexiva Verb in Zweeds met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Zweeds · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen