A1

Duitse reflexieve voornaamwoorden in de accusatief

Reflexivpronomen im Akkusativ

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

In het kort

Een Duits reflexief voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp: Ich wasche mich betekent ‘Ik was me’. In de accusatief zijn de vormen mich, dich, sich, uns, euch, sich. Kies de vorm altijd bij de persoon van het onderwerp en leer bij elk nieuw werkwoord of het in het Duits reflexief is.

Overzicht

Een reflexief voornaamwoord verwijst naar dezelfde persoon of zaak als het onderwerp. Het onderwerp is degene die de handeling uitvoert. In Er rasiert sich voert er de handeling uit en verwijst sich terug naar hemzelf. Het voornaamwoord staat hier in de accusatief, een naamval die vaak wordt gebruikt voor het lijdend voorwerp (wie of wat rechtstreeks door de handeling wordt getroffen).

Dit is een onderwerp van niveau A1, omdat reflexieve werkwoorden veel voorkomen in alledaagse situaties: sich waschen (zich wassen), sich anziehen (zich aankleden), sich beeilen (zich haasten) en sich freuen (blij zijn of zich verheugen). De basisregel is overzichtelijk: het onderwerp en het reflexieve voornaamwoord horen bij dezelfde persoon.

Voor Nederlandstaligen is het idee bekend, maar de talen lopen niet altijd gelijk. Duits sich freuen vertaal je vaak als ‘blij zijn’, zonder Nederlands reflexief voornaamwoord. Omgekeerd kan een Nederlandse vertaling met zich in het Duits een andere constructie krijgen. Leer daarom niet alleen de Nederlandse betekenis, maar de Duitse infinitief mét sich.

Hoe het werkt

De vormen

Bij ich en du verschillen de reflexieve vormen van de datiefvormen; bij de overige personen zijn enkele vormen gelijk. Voor dit onderwerp heb je de volgende accusatiefvormen nodig:

Persoon Onderwerp Reflexief voornaamwoord Voorbeeld
eerste persoon enkelvoud ich mich Ich wasche mich.
tweede persoon enkelvoud du dich Du wäschst dich.
derde persoon enkelvoud er / sie / es sich Er wäscht sich.
eerste persoon meervoud wir uns Wir waschen uns.
tweede persoon meervoud ihr euch Ihr wascht euch.
derde persoon meervoud sie sich Sie waschen sich.
beleefd enkelvoud of meervoud Sie sich Waschen Sie sich?

De vorm volgt dus het onderwerp:

  • ich → mich, niet sich
  • du → dich, niet sich
  • er, sie, es → sich
  • wir → uns
  • ihr → euch
  • sie/Sie → sich

Sich verandert niet naar geslacht of getal. Daarom staan er dezelfde woorden in Er setzt sich, Sie setzt sich en Sie setzen sich. Alleen de werkwoordsvorm en de context maken duidelijk om wie het gaat.

Het onderwerp handelt op zichzelf

Vergelijk een gewone en een reflexieve zin:

  • Ich wasche das Kind. — Ik was het kind.
  • Ich wasche mich. — Ik was me.

In de eerste zin is das Kind iemand anders dan ich. In de tweede zin zijn uitvoerder en getroffen persoon dezelfde. Ook bij Du siehst dich im Spiegel zijn du en dich dezelfde persoon.

Werkwoorden die je met sich leert

Sommige werkwoorden zijn in hun gebruik vast reflexief. Het voornaamwoord hoort dan bij de constructie:

  • sich beeilen — zich haasten
  • sich befinden — zich bevinden
  • sich irren — zich vergissen
  • sich schämen — zich schamen
  • sich freuen — blij zijn; zich verheugen

Andere werkwoorden kunnen zowel gewoon als reflexief voorkomen. De betekenis hangt af van het voorwerp:

  • Sie wäscht das Baby. — Ze wast de baby.
  • Sie wäscht sich. — Ze wast zich.
  • Er zieht den Jungen an. — Hij kleedt de jongen aan.
  • Er zieht sich an. — Hij kleedt zich aan.

Noteer een vast reflexief werkwoord in je woordenlijst met sich, bijvoorbeeld sich beeilen, maar pas sich in een echte zin aan: ich beeile mich, du beeilst dich.

Plaats in de hoofdzin

In een gewone mededelende hoofdzin staat de vervoegde werkwoordsvorm op de tweede zinsplaats. Het reflexieve voornaamwoord staat meestal kort daarna:

  • Ich wasche mich jeden Morgen.
  • Wir freuen uns sehr.
  • Heute rasiert er sich nicht.

Begint de zin met een ander zinsdeel, dan komen werkwoord en onderwerp vóór het reflexieve voornaamwoord: Am Abend entspanne ich mich zu Hause. Zet dus niet automatisch mich direct na het eerste woord.

Bij een ja-neevraag of bevel staat het vervoegde werkwoord vooraan:

  • Beeilst du dich? — Haast je je?
  • Setzen Sie sich! — Gaat u zitten!
  • Wasch dich! — Was je!

Scheidbare werkwoorden, modale werkwoorden en bijzinnen

Bij een scheidbaar werkwoord komt het voorvoegsel in een hoofdzin achteraan:

  • Ich ziehe mich an. — Ik kleed me aan.
  • Wir ruhen uns aus. — We rusten uit.

Met een modaal werkwoord zoals müssen of können staat de infinitief (de hele werkwoordsvorm uit het woordenboek) achteraan. Het reflexieve voornaamwoord blijft bij het onderwerp in het middendeel:

  • Ich muss mich beeilen. — Ik moet me haasten.
  • Du kannst dich hier hinsetzen. — Je kunt hier gaan zitten.

In een bijzin met bijvoorbeeld weil staat de vervoegde werkwoordsvorm achteraan:

  • Ich gehe früh schlafen, weil ich mich müde fühle. — Ik ga vroeg slapen omdat ik me moe voel.
  • Sie sagt, dass sie sich freut. — Ze zegt dat ze blij is.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Ich wasche mich jeden Morgen. Ik was me elke ochtend. ich → mich
Du siehst dich im Spiegel. Je ziet jezelf in de spiegel. du → dich
Er rasiert sich vor der Arbeit. Hij scheert zich voor het werk. er → sich
Anna setzt sich ans Fenster. Anna gaat bij het raam zitten. Een zelfstandig naamwoord als onderwerp leidt tot sich.
Wir freuen uns auf das Wochenende. We verheugen ons op het weekend. wir → uns; toekomstgerichte verwachting met auf
Freut ihr euch über das Geschenk? Zijn jullie blij met het cadeau? ihr → euch; reactie op iets met über
Die Kinder ziehen sich schnell an. De kinderen kleden zich snel aan. anziehen is scheidbaar.
Bitte beeilen Sie sich. Haast u alstublieft. Beleefd Sie → sich
Heute fühle ich mich besser. Vandaag voel ik me beter. Na het werkwoord volgt eerst het onderwerp ich, dan mich.
Ich muss mich noch duschen. Ik moet nog douchen. Bij müssen staat duschen achteraan.
Paul ruht sich nach dem Essen aus. Paul rust uit na het eten. sich ausruhen is scheidbaar.
Sie bleibt zu Hause, weil sie sich nicht gut fühlt. Ze blijft thuis omdat ze zich niet goed voelt. In de bijzin staat fühlt achteraan.
Wir haben uns gestern getroffen. We hebben elkaar gisteren ontmoet. Voltooide tijd; hier heeft uns een wederkerige lezing.
Ich interessiere mich für deutsche Musik. Ik interesseer me voor Duitse muziek. Leer ook het vaste voorzetsel für.

Veelgemaakte fouten

Voor elke persoon sich gebruiken

  • Fout: Ich wasche sich.
  • Goed: Ich wasche mich.
  • Waarom: sich hoort alleen bij er, sie, es, sie en het beleefde Sie. Bij ich gebruik je mich.

Het voornaamwoord weglaten omdat het Nederlands dat soms doet

  • Fout: Wir freuen auf den Urlaub.
  • Goed: Wir freuen uns auf den Urlaub.
  • Waarom: Het Nederlands kan zeggen ‘We kijken uit naar de vakantie’ of ‘We zijn blij’, maar Duits sich freuen vereist hier een reflexief voornaamwoord.

De infinitiefvorm letterlijk in de zin zetten

  • Fout: Du musst sich beeilen.
  • Goed: Du musst dich beeilen.
  • Waarom: In woordenboeken staat sich beeilen, maar in de zin past het voornaamwoord zich aan het onderwerp du aan.

Nederlandse woordvolgorde kopiëren

  • Fout: Heute ich wasche mich früh.
  • Goed: Heute wasche ich mich früh.
  • Waarom: In een Duitse hoofdzin staat de vervoegde werkwoordsvorm op de tweede zinsplaats. Na Heute komt daarom wasche.

Het voorvoegsel van een scheidbaar werkwoord vergeten

  • Fout: Ich ziehe mich. wanneer ‘Ik kleed me aan’ bedoeld is.
  • Goed: Ich ziehe mich an.
  • Waarom: Bij sich anziehen gaat an in een hoofdzin naar het einde. Zonder an betekent ziehen onder meer ‘trekken’.

Accusatief en datief verwarren bij lichaamsdelen

  • Niet voor de bedoelde betekenis: Ich wasche mich die Hände.
  • Goed: Ich wasche mir die Hände.
  • Waarom: die Hände is al het lijdend voorwerp in de accusatief. Het reflexieve voornaamwoord krijgt dan in deze gebruikelijke constructie de datief: mir. Dit latere onderscheid wordt hieronder kort uitgelegd.

Gebruiksnotities

Duits en Nederlands gebruiken reflexieve constructies niet altijd op dezelfde plaatsen. Ich erinnere mich an ihn betekent ‘Ik herinner me hem’, maar Ich freue mich kan natuurlijker worden vertaald als ‘Ik ben blij’. Een woord-voor-woordvertaling met me is dus niet altijd de beste Nederlandse zin.

Let ook op vaste voorzetsels. Het reflexieve voornaamwoord staat in Ich interessiere mich für Kunst in de accusatief, terwijl für Kunst een afzonderlijke voorzetselgroep is. Leer veelvoorkomende combinaties als één geheel:

  • sich interessieren für — geïnteresseerd zijn in
  • sich erinnern an — zich herinneren
  • sich freuen auf — uitkijken naar iets toekomstigs
  • sich freuen über — blij zijn met iets dat er al is of gebeurd is

Bij verzorging van het eigen lichaam gebruikt het Duits vaak een reflexief voornaamwoord waar het Nederlands een bezittelijk woord gebruikt. Duits zegt Ich wasche mir die Hände met het lidwoord die; Nederlands zegt meestal ‘Ik was mijn handen’. Dit voorbeeld bevat echter de datief mir, niet de accusatief mich.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet volledig te beheersen, maar je zult ze al snel tegenkomen.

Accusatief tegenover datief

Wanneer het reflexieve voornaamwoord zelf het enige voorwerp is, staat het doorgaans in de accusatief: Ich wasche mich. Is er daarnaast een apart lijdend voorwerp, dan krijgt de betrokken persoon bij veel werkwoorden de datief (de vorm die vaak aangeeft voor of aan wie iets gebeurt):

Alleen reflexief voorwerp Extra lijdend voorwerp
Ich wasche mich. Ich wasche mir die Hände.
Du kämmst dich. Du kämmst dir die Haare.
Er zieht sich an. Er zieht sich die Jacke an.

Bij de derde persoon zie je het verschil niet aan sich, want dat is zowel accusatief als datief. Bij mich/mir en dich/dir is het wel zichtbaar. Niet elke zin met een extra zinsdeel volgt blind deze vuistregel; kijk altijd naar de functie die het werkwoord aan elk deel geeft.

Wederkerige betekenis

Meervoudsvormen kunnen ook ‘elkaar’ betekenen:

  • Wir sehen uns morgen. — We zien elkaar morgen.
  • Die beiden lieben sich. — Die twee houden van elkaar.

De grammaticale vorm is dezelfde als bij een reflexieve betekenis. De context bepaalt of uns/sich ‘onszelf/zichzelf’ of ‘elkaar’ betekent. Om nadrukkelijk ‘elkaar’ te zeggen kan Duits einander gebruiken.

De voltooide tijd

In de voltooide tijd staat het reflexieve voornaamwoord vóór het voltooid deelwoord (de werkwoordsvorm zoals gewaschen):

  • Ich habe mich gewaschen. — Ik heb me gewassen.
  • Wir haben uns sehr gefreut. — We waren erg blij.
  • Sie hat sich angezogen. — Ze heeft zich aangekleed.

Reflexieve werkwoorden vormen deze tijd normaal met haben. Het reflexieve voornaamwoord blijft aangepast aan het onderwerp.

Nadruk met selbst

Wil je nadrukkelijk zeggen dat iemand iets zelf doet, dan kan selbst worden toegevoegd: Er wäscht sich selbst (‘Hij wast zichzelf’). Selbst vervangt het vereiste reflexieve voornaamwoord niet: Er wäscht selbst betekent eerder dat hij zelf wast, maar zegt niet noodzakelijk wie hij wast.

Oefentips

  1. Oefen in vaste rijen. Neem één werkwoord, bijvoorbeeld sich waschen, en zeg: ich wasche mich, du wäschst dich, er wäscht sich, wir waschen uns, ihr wascht euch, sie waschen sich. Zo koppel je onderwerp en voornaamwoord automatisch.
  2. Leer werkwoord, voornaamwoord en voorzetsel samen. Maak kaartjes met volledige combinaties als sich freuen auf + accusatief en één persoonlijke voorbeeldzin. Dat voorkomt dat je later het voornaamwoord of voorzetsel vergeet.
  3. Bouw één zin om. Begin met Ich ziehe mich morgens an en maak er achtereenvolgens een vraag, een zin met een modaal werkwoord en een bijzin van: Ziehst du dich morgens an?, Ich muss mich anziehen, …, weil ich mich morgens anziehe.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Akkusativpronomen in het DuitsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Reflexivpronomen im Akkusativ in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen