A1

Het werkwoord „sein” in de tegenwoordige tijd

Verb 'sein' im Präsens

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

In het kort

Het Duitse sein betekent meestal zijn. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen onregelmatig: ich bin, du bist, er/sie/es ist, wir sind, ihr seid, sie/Sie sind. Leer die vormen als één vast rijtje, want je kunt ze niet betrouwbaar afleiden van de infinitief sein.

Overzicht

Sein is een van de belangrijkste Duitse werkwoorden. Je gebruikt het om te zeggen wie of wat iemand is, hoe iemand of iets is en waar iemand of iets zich bevindt: Ich bin Ärztin, Das Essen ist kalt, Wir sind in Berlin. Het is ook de basis van alledaagse vragen als Wie bist du?, Wo ist der Bahnhof? en Bist du müde?

Dit onderwerp hoort bij A1 en bouwt voort op de Duitse persoonlijke voornaamwoorden. Het onderwerp (de persoon of zaak over wie de zin iets zegt) bepaalt welke werkwoordsvorm nodig is. Bij ich hoort dus bin, bij du hoort bist en bij wir hoort sind.

Voor Nederlandstaligen voelt de functie vertrouwd: Duits sein en Nederlands zijn lijken sterk op elkaar en zijn allebei onregelmatig. De vormen komen echter niet één op één overeen. Vooral ihr seid en het beleefde Sie sind vragen extra aandacht. Bovendien kun je de Nederlandse vorm bent niet simpelweg omzetten in één Duitse vorm: jij bent is du bist, maar u bent is Sie sind.

Zo werkt het

De volledige vervoeging

De infinitief (de onverbogen woordenboekvorm) is sein. De tegenwoordige tijd heet in het Duits Präsens.

Persoon Duits Nederlands Voorbeeld
eerste persoon enkelvoud ich bin ik ben Ich bin hier.
tweede persoon enkelvoud, vertrouwd du bist jij bent Du bist nett.
derde persoon enkelvoud er/sie/es ist hij/zij/het is Es ist spät.
eerste persoon meervoud wir sind wij zijn Wir sind bereit.
tweede persoon meervoud, vertrouwd ihr seid jullie zijn Ihr seid pünktlich.
derde persoon meervoud sie sind zij zijn Sie sind zu Hause.
beleefde aanspreekvorm Sie sind u bent Sind Sie Frau Weber?

Let bij het lezen op sie en Sie. Met een kleine letter kan sie ‘zij’ in het enkelvoud of ‘zij’ in het meervoud betekenen. Alleen de werkwoordsvorm maakt soms al duidelijk wat bedoeld is: sie ist is ‘zij is’, sie sind is ‘zij zijn’. Sie met een hoofdletter is de beleefde aanspreekvorm voor één of meer personen en krijgt altijd sind.

Wat komt er na „sein”?

Sein verbindt het onderwerp vaak met informatie over dat onderwerp. Zo’n aanvulling kan verschillende vormen hebben.

Een zelfstandig naamwoord: identiteit, beroep of rol

Een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of begrip) vertelt wie of wat iemand is:

  • Ich bin Student. — Ik ben student.
  • Mara ist meine Schwester. — Mara is mijn zus.
  • Das ist ein Problem. — Dat is een probleem.

Bij beroep, nationaliteit of levensbeschouwing staat in een neutrale mededeling vaak geen lidwoord: Er ist Lehrer, Sie ist Deutsche. Komt er een nadere beschrijving bij, dan is een lidwoord meestal wel nodig: Er ist ein guter Lehrer. Dit lijkt vaak op het Nederlands: ‘Hij is leraar’, maar ‘Hij is een goede leraar’.

Een bijvoeglijk naamwoord: eigenschap of toestand

Een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt) blijft na sein onveranderd. Het krijgt dus geen uitgang:

  • Der Kaffee ist heiß. — De koffie is heet.
  • Die Suppe ist heiß. — De soep is heet.
  • Die Getränke sind heiß. — De dranken zijn heet.

Dat heet predicatief gebruik: het bijvoeglijk naamwoord staat niet direct vóór een zelfstandig naamwoord, maar zegt via sein iets over het onderwerp. Vergelijk der kalte Kaffee met der Kaffee ist kalt. Dit is voor Nederlandstaligen prettig herkenbaar: ook in ‘de koffie is koud’ krijgt koud geen verbuigings-e.

Een plaats of herkomst

Met een plaatsbepaling vertelt sein waar iemand of iets is:

  • Das Hotel ist am Bahnhof. — Het hotel is bij het station.
  • Wir sind in Köln. — Wij zijn in Keulen.
  • Wo bist du? — Waar ben je?

Voor herkomst gebruik je vaak aus: Ich bin aus den Niederlanden (‘Ik kom uit Nederland’). In een losse, informele voorstelling komt dat veel voor. Wil je nadrukkelijk over geboorteplaats of afkomst spreken, dan kan kommen aus preciezer zijn: Ich komme aus Utrecht.

Gewone mededelingen

In een eenvoudige hoofdzin staat de vervoegde vorm meestal op de tweede zinsplaats:

onderwerp + vorm van sein + aanvulling

  • Ich bin müde.
  • Du bist heute früh hier.
  • Unsere Nachbarn sind im Urlaub.

‘Tweede zinsplaats’ betekent niet noodzakelijk het tweede woord. Als een ander zinsdeel vooraan staat, komt het onderwerp na het werkwoord:

  • Heute bin ich zu Hause. — Vandaag ben ik thuis.
  • In Berlin ist das Wetter schön. — In Berlijn is het weer mooi.

Die omkering lijkt op het Nederlands: ‘Vandaag ben ik thuis’, niet ‘Vandaag ik ben thuis’.

Ja-neevragen en vraagwoordvragen

In een ja-neevraag staat de vorm van sein vooraan:

vorm van sein + onderwerp + rest?

  • Bist du müde? — Ben je moe?
  • Ist das dein Schlüssel? — Is dat jouw sleutel?
  • Sind Sie Herr de Vries? — Bent u meneer De Vries?

Bij een vraagwoord staat eerst het vraagwoord, daarna het werkwoord en dan het onderwerp:

  • Wo seid ihr? — Waar zijn jullie?
  • Wer ist das? — Wie is dat?
  • Warum bist du traurig? — Waarom ben je verdrietig?

Ontkenning met „nicht” en „kein”

Gebruik nicht om een eigenschap, plaats of de hele mededeling te ontkennen:

  • Ich bin nicht müde. — Ik ben niet moe.
  • Er ist nicht hier. — Hij is niet hier.
  • Das ist nicht teuer. — Dat is niet duur.

Gebruik kein vóór een zelfstandig naamwoord waar in een bevestigende zin ein/eine zou kunnen staan:

  • Das ist kein Problem. — Dat is geen probleem.
  • Sie ist keine Ärztin. — Zij is geen arts.

Nederlanders kiezen hier vaak intuïtief goed, omdat nicht ongeveer met ‘niet’ en kein vaak met ‘geen’ overeenkomt. Kijk toch naar de Duitse zinsbouw: nicht staat meestal dicht bij wat wordt ontkend.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Ich bin Student. Ik ben student. Identiteit of rol, zonder lidwoord.
Du bist nett. Jij bent aardig. Eigenschap met du bist.
Er ist heute krank. Hij is vandaag ziek. Tijdelijke toestand.
Sie ist meine Kollegin. Zij is mijn collega. Sie ist is hier vrouwelijk enkelvoud.
Es ist schon zehn Uhr. Het is al tien uur. Tijdsaanduiding met onpersoonlijk es.
Wir sind Freunde. Wij zijn vrienden. Meervoud met wir sind.
Ihr seid sehr leise. Jullie zijn erg stil. Vertrouwde aanspreekvorm voor meerdere personen.
Die Kinder sind im Garten. De kinderen zijn in de tuin. Een naamwoordgroep als onderwerp.
Sind Sie neu hier? Bent u hier nieuw? Beleefd Sie, met hoofdletter.
Bist du morgen zu Hause? Ben je morgen thuis? Ja-neevraag: bist staat vooraan.
Wo ist der Bahnhof? Waar is het station? Vraagwoord, daarna ist.
Heute bin ich nicht im Büro. Vandaag ben ik niet op kantoor. Een tijdsbepaling vooraan veroorzaakt omkering.
Das ist kein Kaffee, sondern Tee. Dat is geen koffie, maar thee. Kein ontkent het zelfstandig naamwoord.
Meine Eltern sind aus Belgien. Mijn ouders komen uit België. Sein aus drukt hier herkomst uit.
Der Film ist interessant, aber lang. De film is interessant, maar lang. Twee onveranderde bijvoeglijke naamwoorden.

Veelgemaakte fouten

„Sein” als een regelmatig werkwoord vervoegen

  • Fout: Ich sein müde. of Ich seie müde.
  • Goed: Ich bin müde.
  • Waarom: Sein is sterk onregelmatig. In een gewone mededeling heb je de vervoegde vorm bin nodig, niet de infinitief of een zelfbedachte uitgang.

„Bist” gebruiken bij de beleefde aanspreekvorm

  • Fout: Sie bist Herr Jansen?
  • Goed: Sind Sie Herr Jansen?
  • Waarom: Beleefd Sie krijgt dezelfde vorm als meervoudig sie: Sie sind. In een vraag staat sind vóór Sie.

„Sind” gebruiken bij „ihr”

  • Fout: Ihr sind spät.
  • Goed: Ihr seid spät.
  • Waarom: Duits onderscheidt wir sind en sie sind van ihr seid. Nederlands heeft voor ‘wij’, ‘jullie’ en ‘zij’ telkens zijn, waardoor juist deze Duitse vorm gemakkelijk wordt vergeten.

De Nederlandse woordvolgorde te letterlijk meenemen

  • Fout: Heute ich bin frei.
  • Goed: Heute bin ich frei.
  • Waarom: Staat heute vooraan, dan bezet het de eerste zinsplaats. De vervoegde vorm blijft op de tweede plaats en het onderwerp volgt: Heute bin ich ... Dit patroon bestaat ook in correct Nederlands: ‘Vandaag ben ik vrij.’

Een uitgang aan een predicatief bijvoeglijk naamwoord toevoegen

  • Fout: Die Frau ist nette.
  • Goed: Die Frau ist nett.
  • Waarom: Na sein krijgt het bijvoeglijk naamwoord geen uitgang. Een uitgang is wel mogelijk als het vóór een zelfstandig naamwoord staat: die nette Frau.

„Nicht” en „kein” verwisselen

  • Fout: Das ist nicht Problem.
  • Goed: Das ist kein Problem.
  • Waarom: Voor een onbepaald zelfstandig naamwoord gebruik je doorgaans kein. Bij een eigenschap gebruik je nicht: Das ist nicht schwierig.

Gebruiksnotities

„Du”, „ihr” en „Sie” kiezen

Gebruik du voor één persoon die je tutoyeert en ihr voor meerdere personen die je tutoyeert. Sie is de beleefde vorm voor zowel één als meer personen. De hoofdletter blijft ook midden in een zin staan: Wie heißen Sie? In Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland verschilt per omgeving hoe snel mensen van Sie naar du overgaan. Volg bij twijfel de aanspreekvorm van de ander of wacht tot iemand het tutoyeren voorstelt.

Het onderwerp weglaten kan meestal niet

In het Nederlands kun je in korte gesprekjes soms zeggen: ‘Ben zo terug.’ In standaard Duits heeft een gewone mededeling meestal een uitgedrukt onderwerp nodig: Ich bin gleich zurück. Laat ich dus niet zomaar weg. Bij bevelen en vaste uitroepen gelden andere patronen, maar die horen niet bij de gewone tegenwoordige tijd van sein.

„Es ist” in tijd, weer en beoordelingen

Duits gebruikt vaak es ist waar Nederlands ‘het is’ gebruikt:

  • Es ist halb acht. — Het is half acht.
  • Es ist kalt. — Het is koud.
  • Es ist wichtig, pünktlich zu sein. — Het is belangrijk om op tijd te zijn.

Bij kloktijden is er een belangrijk cultureel taalverschil: Duits halb acht betekent 7.30 uur, net als Nederlands ‘half acht’. Hier hoeven Nederlandstaligen dus juist geen nieuw systeem te leren.

Tegenwoordige vorm, toekomstige betekenis

Net als in het Nederlands kan het Präsens met een tijdsbepaling naar de toekomst verwijzen: Morgen bin ich in Hamburg (‘Morgen ben ik in Hamburg’). Een aparte toekomende tijd is niet nodig als morgen of de context het tijdstip duidelijk maakt.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

„Sein” als hulpwerkwoord in de voltooide tijd

Sein kan een hulpwerkwoord zijn: een werkwoord dat samen met een andere werkwoordsvorm een tijd of constructie vormt. In de Duitse voltooide tijd gebruiken bepaalde werkwoorden van beweging of toestandsverandering sein:

  • Ich bin nach Hause gegangen. — Ik ben naar huis gegaan.
  • Das Kind ist eingeschlafen. — Het kind is in slaap gevallen.

Het voltooid deelwoord van sein zelf is gewesen: Ich bin müde gewesen (‘Ik ben moe geweest’). In gesproken Duits is ook de eenvoudige verleden vorm war zeer gangbaar: Ich war müde. De keuze tussen die verleden tijden is een apart onderwerp.

Aanvoegende wijs: „sei” en „wäre”

De aanvoegende wijs (een werkwoordsvorm voor onder meer wensen, indirecte weergave en onwerkelijkheid) heeft vormen als sei en wäre:

  • Sei vorsichtig! — Wees voorzichtig!
  • Wenn ich zu Hause wäre, ... — Als ik thuis was, ...
  • Er sagt, er sei krank. — Hij zegt dat hij ziek is.

Deze vormen behoren niet tot het gewone Präsens-rijtje. Verwar ich bin dus niet met ich sei: sei heeft een speciale functie en komt ook voor in de gebiedende wijs van sein.

Toestandspassief met „sein”

Sein plus een voltooid deelwoord kan een toestand beschrijven die het resultaat van een handeling is:

  • Die Tür ist geschlossen. — De deur is gesloten.

Dit heet het toestandspassief: de toestand staat centraal. Vergelijk Die Tür wird geschlossen (‘De deur wordt gesloten’), waar de handeling bezig is. In Die Tür ist geschlossen kan geschlossen soms ook eenvoudig als een bijvoeglijk naamwoord worden opgevat; in de praktijk is de betekenis belangrijker dan het etiket.

Vaste formuleringen

Een aantal zeer frequente combinaties verdient het om als geheel te worden geleerd:

  • Wie geht es dir? – Mir ist kalt. — Hoe gaat het met je? – Ik heb het koud.
  • Das ist mir egal. — Dat maakt mij niet uit.
  • Es ist Zeit. — Het is tijd.
  • Was ist los? — Wat is er aan de hand?

Let vooral op Mir ist kalt. Nederlands zegt ‘Ik heb het koud’, maar Duits gebruikt hier sein met mir (‘mij’). De persoon die de kou ervaart staat in de datief, een naamval die later uitgebreider aan bod komt. Zeg dus niet automatisch Ich habe kalt naar Nederlands model.

Oefentips

  1. Leer in drie klankgroepen: zeg hardop ich bin – du bist – er ist, daarna wir sind – ihr seid – sie sind. Maak vervolgens zes korte zinnen met dezelfde aanvulling, bijvoorbeeld müde, zodat alleen onderwerp en werkwoord veranderen.
  2. Oefen mededeling en vraag als paar: Du bist zu HauseBist du zu Hause?; Ihr seid fertigSeid ihr fertig? Zo automatiseer je tegelijk de vorm en de woordvolgorde.
  3. Vergelijk bewust met Nederlands: schrijf naast ‘jij bent’, ‘jullie zijn’ en ‘u bent’ respectievelijk du bist, ihr seid en Sie sind. Juist deze drie koppelingen voorkomen de meest hardnekkige fouten.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het DuitsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verb 'sein' im Präsens in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen