A1

Regelmatige werkwoorden in het Duits

Regelmäßige Verben im Präsens

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Bij een regelmatig Duits werkwoord haal je -en van de infinitief (de onbepaalde vorm) en voeg je een persoonsuitgang toe: -e, -st, -t, -en, -t, -en. Zo wordt machen bijvoorbeeld ich mache, du machst, er macht, wir machen, ihr macht, sie machen. Bij bepaalde stammen komt er voor de uitspraak een extra -e- bij.

Overzicht

Het Präsens is de Duitse tegenwoordige tijd. Je gebruikt die voor wat nu gebeurt, voor gewoonten en algemene feiten, maar vaak ook voor een geplande toekomst. Regelmatige werkwoorden veranderen hun stam niet: bij lernen blijft lern- in alle personen herkenbaar. Alleen de uitgang laat zien wie de handeling uitvoert.

Dit is basiskennis op A1-niveau. Zodra je de uitgangen kent, kun je met veel werkwoorden zelf zinnen maken: wohnen (wonen), kaufen (kopen), fragen (vragen), spielen (spelen) en arbeiten (werken). Het onderwerp (wie iets doet) en de werkwoordsvorm moeten daarbij bij elkaar passen.

Voor Nederlandstaligen voelt het systeem deels vertrouwd: ook in het Nederlands zeg je ik leer, jij leert en wij leren. Toch kun je de Nederlandse uitgang niet eenvoudig overnemen. Vooral ich lerne, du lernst en ihr lernt vragen aandacht. Bovendien laat het Duits het onderwerp normaal niet weg: Lerne Deutsch is zonder context eerder een bevel dan “ik leer Duits”.

Zo werkt het

Stap 1: vind de stam

De infinitief eindigt meestal op -en. Haal die uitgang weg om de stam te vinden.

Infinitief Betekenis Stam
machen doen, maken mach-
spielen spelen spiel-
lernen leren lern-
arbeiten werken arbeit-
wohnen wonen wohn-

Een paar werkwoorden eindigen op -n, vooral vormen op -eln en -ern, zoals sammeln en wandern. Hun stammen zijn sammel- en wander-. De bijzonderheden daarvan staan verderop.

Stap 2: voeg de persoonsuitgang toe

Het grammaticale persoonssysteem koppelt de spreker, aangesprokene of andere persoon aan een vaste uitgang.

Persoon Uitgang machen Nederlandse betekenis
ich -e ich mache ik doe/maak
du -st du machst jij doet/maakt
er/sie/es -t er/sie/es macht hij/zij/het doet/maakt
wir -en wir machen wij doen/maken
ihr -t ihr macht jullie doen/maken
sie/Sie -en sie/Sie machen zij doen / u doet

Sie met hoofdletter is de beleefde aanspreekvorm “u”. Die krijgt altijd dezelfde vorm als sie (zij, meervoud) en wir: -en. Het verschil blijkt uit de hoofdletter en de situatie.

Let ook op ihr. Dit betekent hier “jullie” en krijgt -t. Het is dus ihr lernt, niet ihr lernen. In Nederland hoor je zowel “jullie leren” als regionaal “jullie leert”, maar in standaardduits is alleen ihr lernt correct.

Een volledig tweede voorbeeld: lernen

Persoon Vorm
ich lerne
du lernst
er/sie/es lernt
wir lernen
ihr lernt
sie/Sie lernen

De vormen voor er/sie/es en ihr zijn gelijk. Ook wir, sie en Sie hebben dezelfde vorm als de infinitief. Dat maakt het schema overzichtelijk: je hoeft vooral ich, du en de vormen op -t actief te oefenen.

Stammen op -d of -t: een extra -e-

Bij een stam die eindigt op -d of -t zou een vorm als arbeitst lastig uit te spreken zijn. Daarom komt er vóór -st en -t een extra e:

Persoon arbeiten reden
ich arbeite rede
du arbeitest redest
er/sie/es arbeitet redet
wir arbeiten reden
ihr arbeitet redet
sie/Sie arbeiten reden

Deze e is geen verandering van de betekenis; ze maakt de vorm uitspreekbaar. Dezelfde regel geldt meestal na een medeklinkercluster dat op m of n eindigt, bijvoorbeeld atmen → du atmest en öffnen → ihr öffnet. Na l of r vóór die m/n is de extra e doorgaans niet nodig: lernen → du lernst, filmen → du filmst.

Stammen op een s-klank: bij du geen extra s

Eindigt de stam op -s, -ß, -x of -z, dan wordt de uitgang van du alleen -t. Zo vermijd je een onuitspreekbare opeenstapeling van s-klanken.

Infinitief Stam du-vorm
reisen reis- du reist
tanzen tanz- du tanzt
mixen mix- du mixt
grüßen grüß- du grüßt

De vorm eindigt dus nog steeds op letters als -st of -zt, maar je voegt niet de volledige geschreven uitgang -st aan de stam toe. Vergelijk lernen → lern + st, maar reisen → reis + t.

Werkwoorden op -eln en -ern

Bij regelmatige werkwoorden op -eln valt in de gebruikelijke ich-vorm vaak de e van de stam weg: sammeln → ich sammle, lächeln → ich lächle. De overige vormen volgen het gewone patroon: du sammelst, er sammelt, wir sammeln.

Bij -ern blijft de stam doorgaans intact: wandern → ich wandere, du wanderst, wir wandern. Deze groep is minder belangrijk voor je eerste A1-zinnen; leer eerst het hoofdschema en herken deze vormen wanneer je ze tegenkomt.

De plaats van het werkwoord

In een gewone mededelende hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinspositie. “Tweede positie” betekent het tweede zinsdeel, niet noodzakelijk het tweede woord:

  • Ich lerne heute Deutsch.
  • Heute lerne ich Deutsch.

In beide zinnen is lerne de persoonsvorm (het werkwoord dat bij het onderwerp hoort). Zet je heute vooraan, dan komt het onderwerp ich na het werkwoord. Dit is een regel van de Duitse woordvolgorde, niet van de vervoeging zelf.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Opmerking
Ich mache Sport. Ik sport. ich + -e
Du spielst Gitarre. Jij speelt gitaar. du + -st
Sie arbeitet in München. Zij werkt in München. Extra -e- na arbeit-
Wir lernen jeden Abend Deutsch. Wij leren elke avond Duits. wir + -en
Ihr wohnt in Köln. Jullie wonen in Keulen. ihr + -t
Die Kinder spielen im Garten. De kinderen spelen in de tuin. Meervoud: -en
Herr Weber, arbeiten Sie morgen? Meneer Weber, werkt u morgen? Beleefd Sie + -en
Du reist oft mit dem Zug. Jij reist vaak met de trein. Na een s-klank: reis- + -t
Mia öffnet das Fenster. Mia opent het raam. Extra -e- in öffnet
Ich sammle alte Postkarten. Ik verzamel oude ansichtkaarten. Gebruikelijke ich-vorm van sammeln
Heute kaufen wir frisches Brot. Vandaag kopen we vers brood. Werkwoord op de tweede zinspositie
Der Kurs endet um fünf Uhr. De cursus eindigt om vijf uur. end- krijgt -et
Im Sommer wandern wir in den Bergen. In de zomer wandelen we in de bergen. Regelmatig werkwoord op -ern
Arbeitet ihr heute zu Hause? Werken jullie vandaag thuis? Ja-neevraag: werkwoord vooraan

De Nederlandse vertaling hoeft niet woord voor woord gelijk te lopen. Ich mache Sport betekent natuurlijk “ik sport” of “ik doe aan sport”; “ik maak sport” is geen natuurlijk Nederlands. Leer daarom de Duitse combinatie als geheel.

Veelgemaakte fouten

1. De infinitief na elk onderwerp gebruiken

  • Fout: Ich lernen Deutsch.
  • Goed: Ich lerne Deutsch.
  • Waarom: Bij ich vervang je -en door -e. Alleen bij wir, sie en Sie is de persoonsvorm gelijk aan de infinitief.

2. De Nederlandse vorm rechtstreeks kopiëren

  • Fout: Du lernt schnell.
  • Goed: Du lernst schnell.
  • Waarom: Duits du krijgt bij een gewone stam -st. De vorm op -t hoort bij er/sie/es en ihr.

3. De extra e bij -d en -t vergeten

  • Fout: Sie arbeitst heute.
  • Goed: Sie arbeitet heute.
  • Waarom: sie in het enkelvoud krijgt -t, maar na de stam arbeit- is een extra e nodig: arbeit-et.

4. Te veel s schrijven bij de du-vorm

  • Fout: Du reisst nach Berlin.
  • Goed: Du reist nach Berlin.
  • Waarom: De stam reis- eindigt al op een s-klank. Voeg bij du alleen -t toe. Verwar dit niet met reißt van het onregelmatige werkwoord reißen (“scheuren”).

5. ihr als wir vervoegen

  • Fout: Ihr spielen Fußball.
  • Goed: Ihr spielt Fußball.
  • Waarom: ihr betekent “jullie” en krijgt -t; wir krijgt -en.

6. Het onderwerp weglaten

  • Fout: Arbeite heute zu Hause. als neutrale mededeling “Ik werk vandaag thuis.”
  • Goed: Ich arbeite heute zu Hause.
  • Waarom: Anders dan in talen waarin de uitgang voldoende is, staat het persoonlijke onderwerp in het Duits normaal uitgeschreven. Zonder ich kan Arbeite! als bevel “Werk!” worden opgevat.

Gebruik

Het Duitse Präsens bestrijkt meer dan alleen dit moment. Het drukt ook herhaling en algemene waarheden uit: Wir kaufen samstags auf dem Markt (“Wij kopen op zaterdag op de markt”) en Die Erde dreht sich (“De aarde draait”). Een tijdsbepaling kan duidelijk maken welke lezing bedoeld is.

Voor een afgesproken of vrij zekere toekomst gebruikt het Duits vaak eveneens het Präsens: Morgen arbeite ich zu Hause (“Morgen werk ik thuis”). Dat lijkt sterk op het Nederlands. Je hoeft dus niet automatisch een Duitse toekomende tijd te bouwen zodra er morgen staat.

In informele uitspraak kan een onbeklemtoonde e zwak klinken, bijvoorbeeld in ich mache. Schrijf de uitgang toch volledig. Bij ich sammle is de kortere vorm niet zomaar slordige spreektaal, maar de normale vorm bij veel werkwoorden op -eln.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet allemaal actief te beheersen, maar ze helpen om latere teksten te begrijpen.

Een regelmatig werkwoord wordt ook wel een zwak werkwoord genoemd. “Zwak” zegt niets over de betekenis; het beschrijft het vervoegingspatroon. In de verleden tijd krijgen zulke werkwoorden doorgaans -te (ich machte) en het voltooid deelwoord (de vorm bij “hebben/zijn”) vaak ge-...-t (gemacht). Werkwoorden op -ieren vormen echter geen deelwoord met ge- (studiert). Dat hoort bij een apart onderwerp, maar het regelmatige karakter loopt dus door buiten het Präsens.

Niet elk werkwoord dat in enkele vormen op dit schema lijkt, is volledig regelmatig. Bij werkwoorden met klinkerwisseling verandert in het Präsens soms de stam bij du en er/sie/es: fahren → du fährst. De uitgangen lijken bekend, maar de stam niet. Leer zulke werkwoorden daarom niet onder het gewone patroon.

Samengestelde scheidbare werkwoorden kunnen een regelmatige stam hebben, terwijl het voorvoegsel naar het einde verhuist: Ich kaufe heute ein van einkaufen. De persoonsuitgang blijft op het werkwoordsgedeelte kauf-, maar de zinsbouw wordt uitgebreider. Ook modale werkwoorden zoals können en müssen volgen hun eigen veelal onregelmatige vormen en combineren met een infinitief aan het einde.

Ten slotte kan dezelfde werkwoordsvorm verschillende onderwerpen hebben: machen hoort bij wir, sie en Sie. Alleen context, hoofdlettergebruik en het uitgesproken onderwerp maken duidelijk wie bedoeld wordt. Daarom is het nuttiger om vormen in korte zinnen te leren dan als losse rijtjes.

Oefentips

  1. Werk met twee vaste modellen. Vervoeg dagelijks één gewoon werkwoord naast machen en één werkwoord op -d/-t naast arbeiten. Zo oefen je zowel het basisschema als de belangrijkste uitspraakregel.
  2. Maak zes persoonlijke zinnen. Schrijf met hetzelfde werkwoord een zin voor ich, du, er/sie/es, wir, ihr en sie/Sie. Markeer alleen de uitgang: lern-e, lern-st, lern-t. Daardoor zie je wat gelijk blijft.
  3. Wissel het eerste zinsdeel. Begin met Ich arbeite heute ... en maak daarna Heute arbeite ich .... Zo oefen je tegelijk de vervoeging en de Duitse tweede zinspositie zonder ze door elkaar te halen.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het DuitsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Regelmäßige Verben im Präsens in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen