B1

Futur I in het Duits

Futur I

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

In het kort

Je vormt het Duitse Futur I met een vervoegde vorm van werden en de infinitief (de hele werkwoordsvorm, zoals kommen): Ich werde morgen kommen. Het infinitief staat meestal helemaal achteraan. Duits gebruikt deze vorm voor toekomst, voorspellingen en voor vermoedens over het heden, maar kiest bij duidelijke toekomstcontext vaak gewoon de tegenwoordige tijd.

Overzicht

Het Futur I is de Duitse tijd waarmee je kunt zeggen wat later zal gebeuren: Wir werden nächstes Jahr umziehen betekent ‘We zullen volgend jaar verhuizen’. De vorm lijkt sterk op het Nederlandse zullen + infinitief. Dat maakt de basis herkenbaar, maar de twee talen gebruiken hun toekomstsvorm niet altijd op precies dezelfde momenten. Zowel in het Duits als in het Nederlands kan de tegenwoordige tijd met een tijdsbepaling heel natuurlijk naar de toekomst verwijzen.

Je leert het Futur I rond niveau B1, wanneer je niet alleen feiten wilt noemen, maar ook plannen, verwachtingen, voorspellingen en vermoedens wilt uitdrukken. Vooral die laatste functie is belangrijk: Er wird wohl schlafen kan betekenen ‘Hij slaapt waarschijnlijk’. De zin gaat dan niet over later. De spreker trekt een conclusie over wat nu vermoedelijk het geval is.

Grammaticaal bestaat het Futur I uit twee delen. Werden is het hulpwerkwoord (een werkwoord dat helpt een tijd of constructie te vormen) en draagt de persoonsuitgang. Het andere werkwoord blijft in de infinitief en geeft de eigenlijke handeling aan. Omdat Duits in een hoofdzin een zogeheten zinskader maakt, kunnen die twee delen ver uit elkaar staan.

Zo werkt het

De basisformule

In een gewone mededelende hoofdzin is het patroon:

onderwerp + vervoegd werden + overige informatie + infinitief

  • Ich werde morgen länger arbeiten. — Ik zal morgen langer werken.
  • Die Kinder werden bald nach Hause kommen. — De kinderen zullen binnenkort thuiskomen.

Het onderwerp is wie of wat iets doet. Alleen werden wordt aan dat onderwerp aangepast; het hoofdwerkwoord blijft onveranderd achteraan.

De vervoeging van werden

Persoon Vorm Voorbeeld
ich werde ich werde lernen
du wirst du wirst lernen
er / sie / es wird sie wird lernen
wir werden wir werden lernen
ihr werdet ihr werdet lernen
sie / Sie werden sie werden lernen / Sie werden lernen

Let vooral op du wirst en er/sie/es wird. Ze worden niet gevormd als regelmatige vormen zoals werdest of werdet voor du. De vorm werdet hoort alleen bij ihr.

Het zinskader in hoofdzinnen

In een Duitse hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinsplaats. Dat hoeft niet het tweede woord te zijn: een hele woordgroep kan de eerste zinsplaats innemen. Het infinitief sluit de zin af.

  • Morgen werde ich von zu Hause arbeiten.
  • Nach der Besprechung werden wir gemeinsam etwas essen.
  • Wahrscheinlich wird der Zug später ankommen.

Komt een ander zinsdeel vooraan, dan volgt werden meteen daarna en komt het onderwerp erachter. Een Nederlandse leerder maakt hier soms de fout Morgen ich werde ..., maar correct Duits heeft inversie: Morgen werde ich ....

Scheidbare werkwoorden blijven in de infinitief één woord: ankommen, einkaufen, aufstehen. Je zegt dus Der Zug wird spät ankommen, niet wird ... an kommen en ook niet wird ... kommt an.

Vragen

In een ja-neevraag staat de vervoegde vorm van werden vooraan:

  • Wirst du morgen kommen? — Kom je morgen? / Zul je morgen komen?
  • Wird es heute noch regnen? — Gaat het vandaag nog regenen?

Bij een vraagwoord staat eerst het vraagwoord en daarna werden:

  • Wann werdet ihr abreisen? — Wanneer vertrekken jullie?
  • Was wirst du danach machen? — Wat ga je daarna doen?

Ontkenning

De plaats van nicht hangt af van wat je ontkent. Bij een algemene ontkenning staat nicht meestal vóór de infinitief of vóór het deel waarop de ontkenning nadruk legt.

  • Ich werde morgen nicht kommen. — Ik zal morgen niet komen.
  • Wir werden nicht mit dem Auto fahren. — We zullen niet met de auto gaan.
  • Sie wird den Bericht heute nicht schreiben. — Ze zal het verslag vandaag niet schrijven.

Met kein ontken je een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of begrip) zonder bepaald lidwoord: Wir werden keine Zeit haben — ‘We zullen geen tijd hebben’.

Bijzinnen

Een bijzin wordt bijvoorbeeld ingeleid door dass, weil, wenn of ob. In zo'n bijzin staat het vervoegde werkwoord aan het einde. Bij het Futur I komt het infinitief direct vóór de vorm van werden:

  • Ich glaube, dass er morgen kommen wird.
  • Wir bleiben zu Hause, weil es später regnen wird.
  • Sie fragt, ob du ihr helfen wirst.

Dit verschilt zichtbaar van de hoofdzin: Er wird morgen kommen wordt ..., dass er morgen kommen wird. Voor Nederlandstaligen voelt de Duitse eindvolgorde vaak vertrouwd, maar let erop dat in deze eenvoudige constructie infinitief + werden samen het slot vormen.

Drie hoofdfuncties

1. Een toekomstige gebeurtenis of bedoeling

Gebruik het Futur I als je expliciet vooruitkijkt of een voornemen nadrukkelijk formuleert.

  • Ich werde dich am Freitag anrufen. — Ik zal je vrijdag bellen.
  • Wir werden eine Lösung finden. — We zullen een oplossing vinden.

2. Een voorspelling of belofte

De vorm past goed bij verwachtingen, voorspellingen, waarschuwingen en plechtige beloften.

  • Die Preise werden weiter steigen. — De prijzen zullen verder stijgen.
  • Ich werde das nie wieder tun. — Ik zal dat nooit meer doen.

3. Een vermoeden over het heden

Zonder echte toekomstige betekenis kan Futur I aangeven dat de spreker iets waarschijnlijk vindt. Vaak staat er een modaal bijwoord (een woord dat de houding of zekerheid van de spreker weergeeft) zoals wohl, wahrscheinlich, vermutlich of sicher.

  • Er wird wohl schon zu Hause sein. — Hij zal waarschijnlijk al thuis zijn.
  • Das wird vermutlich stimmen. — Dat zal vermoedelijk kloppen.

Het Nederlandse ‘zal wel’ sluit hier goed bij aan. Sie wird jetzt arbeiten kan dus, afhankelijk van de context, ‘Ze zal nu wel aan het werk zijn’ betekenen en niet ‘Ze zal later werken’.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Ich werde morgen kommen. Ik zal morgen komen. Neutrale mededeling over de toekomst.
Es wird am Wochenende regnen. Het zal in het weekend regenen. Voorspelling.
Nächstes Jahr werden wir nach Berlin ziehen. Volgend jaar verhuizen we naar Berlijn. Een ander zinsdeel staat vooraan; werden blijft op plaats twee.
Wirst du uns später anrufen? Bel je ons later? / Zul je ons later bellen? Ja-neevraag.
Wann werdet ihr die Ergebnisse veröffentlichen? Wanneer maken jullie de resultaten bekend? Vraag met een vraagwoord.
Ich werde den Termin nicht vergessen. Ik zal de afspraak niet vergeten. Belofte met ontkenning.
Der Bus wird wahrscheinlich zehn Minuten später ankommen. De bus komt waarschijnlijk tien minuten later aan. Voorspelling met een scheidbaar werkwoord.
Sie sagt, dass sie pünktlich sein wird. Ze zegt dat ze op tijd zal zijn. Sein wird staat aan het einde van de bijzin.
Wir werden eine größere Wohnung brauchen. We zullen een grotere woning nodig hebben. Verwachte toekomstige behoefte.
Mach dir keine Sorgen; alles wird gut gehen. Maak je geen zorgen; alles komt goed. Geruststellende voorspelling.
Er wird wohl schlafen. Hij slaapt waarschijnlijk. / Hij zal wel slapen. Vermoeden over het heden.
Das wird Frau Keller sein. Dat zal mevrouw Keller wel zijn. Conclusie over iemands identiteit.
Ihr werdet das mit etwas Übung verstehen. Met wat oefening zullen jullie dat begrijpen. Correcte ihr-vorm: werdet.
Heute Abend koche ich. Vanavond kook ik. De tegenwoordige tijd is bij een duidelijk plan vaak natuurlijker.

Veelgemaakte fouten

De verkeerde vorm van werden gebruiken

  • Onjuist: Du werdest morgen kommen.
  • Juist: Du wirst morgen kommen.
  • Waarom: De enkelvoudsvormen zijn onregelmatig: ich werde, du wirst, er/sie/es wird. Werdest is geen gewone Futur-I-vorm.

Het infinitief niet achteraan zetten

  • Onjuist: Ich werde kommen morgen.
  • Juist: Ich werde morgen kommen.
  • Waarom: In een gewone hoofdzin vormen werde en kommen een zinskader. De overige informatie staat ertussen en het infinitief sluit de zin af.

Beide werkwoorden vervoegen

  • Onjuist: Sie wird morgen arbeitet.
  • Juist: Sie wird morgen arbeiten.
  • Waarom: Alleen werden krijgt een persoonsvorm. Arbeiten blijft in de infinitief.

Nederlandse woordvolgorde te letterlijk overnemen

  • Onjuist: Morgen ich werde früher gehen.
  • Juist: Morgen werde ich früher gehen.
  • Waarom: Staat morgen op de eerste zinsplaats, dan moet de persoonsvorm direct volgen. Het onderwerp komt daarna.

Futur I gebruiken waar het Duits liever het presens kiest

  • Minder natuurlijk in een alledaagse afspraak: Ich werde morgen um acht zum Zahnarzt gehen.
  • Vaak natuurlijker: Ich gehe morgen um acht zum Zahnarzt.
  • Waarom: Een duidelijke tijdsbepaling maakt de toekomstige betekenis al helder. Futur I is niet fout, maar kan nadrukkelijker of formeler klinken.

Werden en würde verwarren

  • Onjuist voor een voorwaarde: Ich werde kommen, wenn ich Zeit hätte.
  • Juist: Ich würde kommen, wenn ich Zeit hätte. — Ik zou komen als ik tijd had.
  • Waarom: Werde drukt hier toekomst uit; würde + infinitief vormt de Konjunktiv II en geeft een hypothetische situatie weer. Het verschil tussen Nederlands ‘zal’ en ‘zou’ is een nuttig geheugensteuntje.

Gebruiksnotities

Tegenwoordige tijd of Futur I?

Voor geplande of vaststaande gebeurtenissen is de Duitse tegenwoordige tijd, het Präsens, zeer gebruikelijk:

  • Morgen fahre ich nach Köln. — Morgen ga ik naar Keulen.
  • Der Kurs beginnt nächste Woche. — De cursus begint volgende week.

Het Futur I maakt het vooruitkijken vaak explicieter. Het kan een voorspelling, belofte, vastberadenheid of zekere afstand tot het feit toevoegen:

  • Morgen werde ich endlich mit ihm sprechen. — Morgen zal ik eindelijk met hem praten.
  • Der Kurs wird viele neue Teilnehmer anziehen. — De cursus zal veel nieuwe deelnemers aantrekken.

Kies dus niet automatisch Futur I zodra er in het Nederlands ‘gaan’ of ‘zullen’ staat. Nederlands gebruikt ‘gaan + infinitief’ gemakkelijk voor plannen en verwachtingen: ‘Het gaat regenen’. Duits kan dan Es wird regnen zeggen, maar bij een persoonlijk plan klinkt eenvoudig Präsens vaak het natuurlijkst: Heute Abend lerne ich.

Betekenis blijkt uit tijdsaanduiding en context

Vergelijk:

  • Er wird morgen arbeiten. — Hij zal morgen werken. (toekomst)
  • Er wird jetzt arbeiten. — Hij zal nu wel aan het werk zijn. (vermoeden)

Woorden als morgen, nächste Woche en bald sturen naar de toekomst. Woorden als jetzt, wohl, vermutlich sturen vaak naar een vermoeden over het heden. Zonder context kan een zin soms dubbelzinnig zijn; moedertaalsprekers lossen dat normaal op via de situatie en intonatie.

Register en nadruk

Futur I komt relatief vaak voor in voorspellingen, nieuws, beleidsplannen, presentaties en formele aankondigingen: Die Maßnahme wird ab Januar gelten. In spontaan dagelijks taalgebruik wordt voor concrete afspraken vaak het Präsens gekozen. Dat is geen slordig Duits, maar een normale verdeling van functies.

Met nadruk kan Futur I ook vastbesloten klinken: Ich werde das schaffen! — ‘Ik ga dit redden!’ In een bevelachtige context kan het zelfs streng zijn: Du wirst jetzt dein Zimmer aufräumen! — ‘Jij gaat nu je kamer opruimen!’ De vorm is grammaticaal toekomstig, maar de communicatieve kracht is die van een nadrukkelijke opdracht.

Verder dan de basis

Vermoedens en graden van zekerheid

Futur I op zichzelf kan al een conclusie aangeven, maar kleine woorden verfijnen hoe zeker de spreker is:

Duits Gebruikelijke strekking in het Nederlands
Er wird wohl krank sein. Hij zal wel ziek zijn.
Er wird wahrscheinlich krank sein. Hij is waarschijnlijk ziek.
Er wird vermutlich krank sein. Hij is vermoedelijk ziek.
Er wird sicher krank sein. Hij zal vast ziek zijn.

Deze woorden hebben geen mathematisch vaste zekerheidswaarde; toon en context blijven belangrijk. Vooral wohl is zeer gewoon en correspondeert vaak mooi met Nederlands ‘wel’ in ‘zal wel’.

Meerdere infinitieven

Het Futur I kan ook een modaal werkwoord bevatten, zoals können of müssen. Dan staan er twee infinitieven aan het einde van de hoofdzin:

  • Ich werde morgen länger arbeiten müssen. — Ik zal morgen langer moeten werken.
  • Sie wird das Problem lösen können. — Ze zal het probleem kunnen oplossen.

De volgorde is hoofdwerkwoord + modaal werkwoord: arbeiten müssen, lösen können. Dit type werkwoordgroep vraagt oefening, omdat een Nederlandse vertaling niet altijd precies dezelfde volgorde of stijl heeft.

Futur I van het passief

In gevorderd Duits kun je Futur I combineren met het passief (een vorm waarin de handeling centraal staat, niet de uitvoerder):

  • Die Straße wird morgen gesperrt werden. — De straat zal morgen worden afgesloten.

Hier is de eerste wird het hulpwerkwoord van Futur I; gesperrt werden is de passieve infinitief. De herhaling klinkt zwaar, waardoor Duits vaak liever het Präsens gebruikt als de toekomst al duidelijk is: Die Straße wird morgen gesperrt. Die laatste zin is een passief in de tegenwoordige tijd met toekomstige betekenis.

Futur I tegenover Futur II

Futur I kijkt naar een gebeurtenis of toestand die later plaatsvindt: Bis Freitag werde ich den Bericht schreiben. Afhankelijk van de context kan dat betekenen dat je eraan zult werken. Wil je uitdrukkelijk zeggen dat iets op een toekomstig moment voltooid zal zijn, dan gebruik je het Futur II: Bis Freitag werde ich den Bericht geschrieben haben — ‘Uiterlijk vrijdag zal ik het verslag geschreven hebben’.

Hetzelfde contrast bestaat bij vermoedens. Futur I kan een vermoeden over het heden uitdrukken: Er wird zu Hause sein. Futur II kan een vermoeden over het verleden uitdrukken: Er wird schon nach Hause gegangen sein — ‘Hij zal wel al naar huis zijn gegaan’.

Oefentips

  1. Bouw zinskaders. Neem vijf infinitieven, bijvoorbeeld arbeiten, anrufen, einkaufen, schlafen en reisen. Maak bij elk werkwoord een hoofdzin, een vraag en een bijzin. Onderstreep werden en het infinitief om de afstand ertussen zichtbaar te maken.
  2. Vergelijk twee natuurlijke versies. Schrijf over drie echte plannen telkens een zin in het Präsens en in het Futur I: Morgen arbeite ich zu Hause tegenover Morgen werde ich zu Hause arbeiten. Vraag jezelf af welke versie alleen een planning noemt en welke meer nadruk of voorspelling geeft.
  3. Oefen vermoedens met aanwijzingen. Kijk naar een situatie en trek een conclusie met wohl: Das Licht ist aus. Sie wird wohl schon schlafen. Zo leer je Futur I niet alleen als toekomstsvorm, maar ook in zijn belangrijke modale functie.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige werkwoorden in het DuitsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer B1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Futur I in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · B1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen