Duits grammatica
Verken 99 grammaticaconcepten — van beginner tot gevorderd.
Dit is de grammaticaboom die Settemila Lingue aandrijft — elk concept wordt een gerichte oefendeck met AI-gegenereerde flashcards.
Geen resultaten gevonden
A1 (36)
De Duitse onderwerpsvoornaamwoorden zijn ich, du, er, sie, es, wir, ihr, sie en Sie. Ze staan in de nominatief en geven aan wie of wat iets doet of is. Anders dan in het Nederlands kun je het onderwerp in een gewone Duitse zin meestal niet weglaten: Ich bin müde betekent ‘Ik ben moe’.
In de nominatief gebruik je der bij mannelijke woorden, die bij vrouwelijke woorden, das bij onzijdige woorden en die bij alle meervouden: der Mann, die Frau, das Kind, die Kinder. De nominatief staat vooral bij het onderwerp: de persoon of zaak die iets doet of waarover iets wordt gezegd.
Voor een enkelvoudig zelfstandig naamwoord gebruik je in de Duitse nominatief ein bij mannelijke en onzijdige woorden en eine bij vrouwelijke woorden. De ontkenning volgt hetzelfde patroon: kein of keine. In het meervoud bestaat geen onbepaald lidwoord, maar keine kan er wel staan: keine Bücher.
Het Duitse sein betekent meestal zijn. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen onregelmatig: ich bin, du bist, er/sie/es ist, wir sind, ihr seid, sie/Sie sind. Leer die vormen als één vast rijtje, want je kunt ze niet betrouwbaar afleiden van de infinitief sein.
Het Duitse haben betekent meestal hebben, maar het is onregelmatig: ich habe, du hast, er/sie/es hat, wir haben, ihr habt, sie/Sie haben. Vooral du hast en er hat moet je uit het hoofd leren. Duits gebruikt haben bovendien in enkele uitdrukkingen waar het Nederlands eerder zijn zegt, zoals Wir haben Hunger (‘We hebben honger’) en Ich habe recht (‘Ik heb gelijk’).
Bij een regelmatig Duits werkwoord haal je -en van de infinitief (de onbepaalde vorm) en voeg je een persoonsuitgang toe: -e, -st, -t, -en, -t, -en. Zo wordt machen bijvoorbeeld ich mache, du machst, er macht, wir machen, ihr macht, sie machen. Bij bepaalde stammen komt er voor de uitspraak een extra -e- bij.
Bij sommige Duitse werkwoorden verandert in de tegenwoordige tijd de klinker van de stam, maar alleen bij du en er/sie/es: sprechen → du sprichst, er spricht. De vormen bij ich, wir, ihr en sie/Sie houden meestal de klinker van de infinitief: ich spreche, wir sprechen. Je moet bij elk nieuw werkwoord leren óf het wisselt en volgens welk patroon.
De Duitse accusatief gebruik je onder meer voor het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling direct ondergaat). Bij de lidwoorden is de beginnersregel overzichtelijk: alleen het mannelijk enkelvoud verandert zichtbaar, namelijk der → den en ein → einen. Vrouwelijk, onzijdig en meervoud hebben in de nominatief en accusatief dezelfde lidwoordvorm.
Een persoonlijk voornaamwoord krijgt in het Duits de accusatief wanneer het het lijdend voorwerp is: de persoon of zaak die de handeling rechtstreeks ondergaat. Zo wordt ich mich in Er sieht mich en er ihn in Kennst du ihn? Niet alle vormen veranderen zichtbaar, dus leer de hele reeks als paren: ich–mich, du–dich, er–ihn enzovoort.
Gebruik kein bij een zelfstandig naamwoord dat zonder lidwoord of met ein/eine zou staan: Ich habe kein Auto. Gebruik nicht om een werkwoord, eigenschap, omstandigheid of iets met een bepaald of bezittelijk lidwoord te ontkennen: Ich fahre nicht en Das ist nicht mein Auto. Kein krijgt uitgangen zoals ein; de plaats van nicht hangt af van wat precies wordt ontkend.
In een mededelende Duitse hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats: Ich trinke Kaffee en Heute trinke ich Kaffee. Een zinsplaats kan uit meer dan één woord bestaan: in Am Montag arbeite ich vormt am Montag samen de eerste zinsplaats. Begint de zin niet met het onderwerp, dan komt het onderwerp meestal direct na de persoonsvorm.
Een Duitse ja/nee-vraag begint meestal met de persoonsvorm: het werkwoord dat is vervoegd en bij het onderwerp past. Van Du kommst morgen maak je Kommst du morgen? Het basispatroon is dus: persoonsvorm + onderwerp + rest van de zin.
Een Duitse W-vraag begint meestal met een vraagwoord, gevolgd door het vervoegde werkwoord en daarna het onderwerp: Wo wohnst du? Het werkwoord staat dus op de tweede zinspositie. Kies het vraagwoord naar de informatie die ontbreekt: wer voor een persoon, was voor een zaak, wo voor een plaats, wann voor een tijdstip en warum voor een reden.
Können drukt meestal een vaardigheid of mogelijkheid uit; müssen drukt noodzaak uit. In een hoofdzin staat het vervoegde modale werkwoord vroeg in de zin en de infinitief (de ongewijzigde werkwoordsvorm) achteraan: Ich kann schwimmen en Du musst arbeiten. Let vooral op nicht müssen: dat betekent ‘niet hoeven’, niet ‘niet mogen’.
Gebruik wollen voor een duidelijke wil of een plan, mögen voor iets of iemand leuk of lekker vinden, en möchten voor een vriendelijke wens: Ich will nach Hause, Ich mag Kaffee, Ich möchte einen Kaffee. Staat er een tweede werkwoord in de zin, dan komt dat als infinitief (de hele werkwoordsvorm, zoals gehen) meestal achteraan: Ich möchte nach Hause gehen.
Een Duits bezittelijk lidwoord bestaat uit een stam zoals mein-, dein- of unser- plus een uitgang die bij het volgende zelfstandig naamwoord past. Je kiest dus eerst de bezitter en daarna de vorm: mein Bruder, maar meine Schwester en meine Eltern. Anders dan in het Nederlands verandert het woord niet alleen door de bezitter, maar ook door geslacht, getal en naamval van het bezit.
Een Duits bijvoeglijk naamwoord krijgt geen uitgang als het na een koppelwerkwoord staat en een eigenschap van het onderwerp uitdrukt: Das Wetter ist schön en Sie wird müde. Gebruik dus steeds de basisvorm, ongeacht geslacht, getal of naamval: Der Film ist gut, Die Idee ist gut, Die Bücher sind gut.
Met Duitse plaatsvoorzetsels geef je antwoord op wo? (waar?), wohin? (waarheen?) en woher? (waarvandaan?). Bij in, an en auf bepaalt de betekenis de naamval: een plaats krijgt meestal de datief, een bestemming of richting de accusatief. Bei, zu, aus en von krijgen altijd de datief; nach wordt vooral zonder lidwoord gebruikt bij steden, landen en Hause.
Gebruik um bij een kloktijd, am bij een dag of datum en im bij een maand of seizoen: um acht Uhr, am Montag, im Sommer. Met von … bis begrens je een periode, seit verbindt een beginpunt in het verleden met nu, en vor en nach betekenen bij tijd respectievelijk “vóór/geleden” en “na”.
Duitse getallen worden meestal als één woord geschreven: 21 = einundzwanzig, letterlijk ‘een-en-twintig’. Bij kloktijden is halb drei 2.30 uur, net als Nederlands ‘half drie’; voor afspraken gebruik je um, voor dagen am en voor maanden of jaren im. Een datum krijgt een rangtelwoord: Heute ist der dritte Mai, maar na am wordt dat am dritten Mai.
Een Duits scheidbaar werkwoord bestaat uit een voorvoegsel en een basiswerkwoord, bijvoorbeeld auf + stehen. In een gewone hoofdzin vervoeg je het basiswerkwoord en zet je het voorvoegsel achteraan: Ich stehe um 7 Uhr auf. Met een hulpwerkwoord of in een bijzin blijven de delen meestal bij elkaar: Ich muss aufstehen en weil ich früh aufstehe.
De Duitse gebiedende wijs (Imperativ) heeft drie belangrijke vormen: Komm! voor één bekende, Kommt! voor meerdere bekenden en Kommen Sie! als beleefde aanspreekvorm. Bij du en ihr valt het persoonlijk voornaamwoord weg; bij Sie blijft het staan. Een scheidbaar voorvoegsel komt achteraan: Mach die Tür zu!
De Duitse voegwoorden und, aber, oder, denn en sondern verbinden gelijkwaardige woorden, zinsdelen of hoofdzinnen. Tussen twee hoofdzinnen veranderen ze de woordvolgorde niet: het vervoegde werkwoord blijft in elk deel op de gewone tweede positie. Vooral sondern vraagt aandacht: je gebruikt het na een ontkenning om die ontkenning te corrigeren.
Met es gibt zeg je dat iets bestaat, aanwezig of beschikbaar is: Es gibt einen Park betekent ‘Er is een park’ en Es gibt viele Leute betekent ‘Er zijn veel mensen’. Gibt blijft dus gelijk bij enkelvoud en meervoud, en wat na es gibt komt, staat in de Akkusativ.
Zet gern bij een werkwoord om te zeggen dat je iets graag doet: Ich koche gern betekent ‘Ik kook graag’. Gebruik lieber voor ‘liever’ en am liebsten voor ‘het liefst’: Ich koche lieber zu Hause en Am liebsten koche ich mit Freunden. Deze drie vormen veranderen niet mee met de persoon of de tijd.
Een Duits reflexief voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp: Ich wasche mich betekent ‘Ik was me’. In de accusatief zijn de vormen mich, dich, sich, uns, euch, sich. Kies de vorm altijd bij de persoon van het onderwerp en leer bij elk nieuw werkwoord of het in het Duits reflexief is.
Duitse tijdsbijwoorden vertellen wanneer of hoe vaak iets gebeurt: heute (vandaag), jetzt (nu), immer (altijd) en manchmal (soms). Ze kunnen vooraan of in het midden van de zin staan. Staat een tijdsbijwoord vooraan, dan blijft de persoonsvorm op de tweede plaats: Heute bin ich müde — niet Heute ich bin müde.
Het Duits heeft niet één vaste meervoudsuitgang: een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, ding, plaats of begrip) krijgt meestal -e, -en/-n, -er, -s of geen extra uitgang. Soms verandert ook de klinker door Umlaut, bijvoorbeeld das Buch → die Bücher. Leer daarom bij elk nieuw woord meteen het lidwoord én het meervoud: das Buch, die Bücher.
Met dürfen zeg je dat iets wel of niet is toegestaan: Darf ich hier sitzen? betekent “Mag ik hier zitten?” Met sollen geef je advies, een opdracht of een verwachting van iemand anders weer: Du sollst mehr schlafen betekent “Je moet meer slapen” of “Je zou meer moeten slapen.” Staat er nog een werkwoord in de zin, dan wordt dürfen of sollen vervoegd en staat de infinitief achteraan: Wir dürfen heute länger bleiben.
Met dieser, diese, dieses wijs je nadrukkelijk naar deze persoon of dit ding; jener, jene, jenes betekent die of dat daar en klinkt vaak formeler. De uitgang hangt af van het geslacht, het getal en de naamval. Voor de basisvormen in de nominatief geldt: dieser Mann, diese Frau, dieses Buch, diese Leute.
Elk Duits zelfstandig naamwoord heeft een grammaticaal geslacht: mannelijk, vrouwelijk of onzijdig. In de nominatief herken je dat aan der, die en das: der Tisch, die Lampe, das Buch. Leer daarom ieder nieuw woord mét zijn lidwoord; Nederlandse de- en het-woorden voorspellen het Duitse genus niet betrouwbaar.
Werkwoorden met be-, emp-, ent-, er-, ge-, miss-, ver- en zer- zijn onscheidbaar: het voorvoegsel blijft aan het werkwoord vast. Daarom zeg je Ich verstehe dich en niet Ich stehe dich ver. Bij het voltooid deelwoord komt er bovendien geen extra ge- bij: besucht, erzählt, verstanden.
Duitse Ortsadverbien zijn plaatsbijwoorden: ze zeggen waar iemand of iets is, bijvoorbeeld hier, dort, oben en draußen. Voor een richting komt er vaak een voorzetsel bij: nach links (naar links) en nach draußen (naar buiten). Let vooral op dit verschil tussen een vaste plaats en een beweging naar een plaats.
Het Duitse Sie betekent als beleefde aanspreekvorm meestal u. Je schrijft het altijd met een hoofdletter en combineert het met de werkwoordsvorm van de derde persoon meervoud: Sie kommen, Haben Sie Zeit?, Können Sie mir helfen? Dezelfde vorm gebruik je beleefd voor één persoon én voor meerdere personen.
Werden betekent als zelfstandig werkwoord meestal worden of raken: Ich werde müde betekent „Ik word moe”. De vormen zijn onregelmatig: ich werde, du wirst, er/sie/es wird, wir werden, ihr werdet, sie/Sie werden. Vooral wirst en wird moet je apart leren; ze volgen niet het Nederlandse patroon met wordt.
Het Duitse wissen betekent meestal weten: je gebruikt het voor feiten, informatie en zekerheid. De vormen zijn ich weiß, du weißt, er/sie/es weiß, wir wissen, ihr wisst en sie/Sie wissen. Leer vooral de onregelmatige vormen met weiß uit het hoofd en gebruik kennen wanneer je bedoelt dat je een persoon, plaats of zaak kent.
A2 (16)
Het Duitse Perfekt bestaat meestal uit een vervoegde vorm van haben en een Partizip II (voltooid deelwoord): Ich habe gearbeitet. In een gewone hoofdzin staat haben op de tweede zinsplaats en het deelwoord meestal achteraan. In gesprekken geeft het Perfekt vaak eenvoudig een gebeurtenis in het verleden weer: Ich habe gegessen kan dus zowel ‘ik heb gegeten’ als ‘ik at’ betekenen.
Het Duitse Perfekt wordt bij een beperkte groep werkwoorden gevormd met een vorm van sein plus het voltooid deelwoord: Ich bin gegangen. Dat gebeurt vooral bij een verplaatsing naar een andere plaats (gehen, kommen, fahren) of een verandering van toestand (einschlafen, aufwachen, werden). Daarnaast horen onder meer bleiben en sein als vaste gevallen bij deze groep.
Het Duitse Partizip II (voltooid deelwoord) volgt meestal een van twee patronen: ge- + stam + -t bij regelmatige werkwoorden (machen → gemacht) en ge- + vaak veranderde stam + -en bij sterke werkwoorden (schreiben → geschrieben). Werkwoorden met een onscheidbaar voorvoegsel en werkwoorden op -ieren krijgen geen ge- (verstehen → verstanden, studieren → studiert); bij een scheidbaar werkwoord komt -ge- tussen het voorvoegsel en de stam (anrufen → angerufen).
De Duitse datief herken je bij bepaalde lidwoorden aan dem, der, dem, den en bij onbepaalde lidwoorden aan einem, einer, einem. Je gebruikt deze naamval onder meer voor de ontvanger van iets, na bepaalde werkwoorden en na vaste datiefvoorzetsels: Ich gebe dem Mann das Buch en Sie hilft der Frau. In het meervoud krijgt ook het zelfstandig naamwoord meestal een extra -n: mit den Kindern.
Duitse persoonlijke voornaamwoorden krijgen in de datief een aparte vorm: mir, dir, ihm, ihr, ihm, uns, euch, ihnen, Ihnen. Je gebruikt die vormen onder meer voor de ontvanger van iets, na werkwoorden als helfen en gefallen, en na voorzetsels als mit en von. Waar het Nederlands vaak gewoon mij, jou of hem gebruikt, moet je in het Duits bewust kiezen: Er sieht mich, maar Er hilft mir.
Sommige Duitse werkwoorden eisen een datiefobject: Ich helfe dir, Der Mantel gehört ihr. Leer deze werkwoorden daarom meteen met jemandem (“aan/voor iemand”): jemandem helfen, jemandem danken, jemandem gefallen. Vooral bij gefallen, schmecken en passen is de persoon niet het onderwerp, maar het datiefobject.
De negen Duitse Wechselpräpositionen zijn an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor en zwischen. Kies de accusatief bij een bestemming of verandering van positie (wohin? — waarheen?) en de datief bij een plaats of bestaande positie (wo? — waar?). Vergelijk Ich lege das Buch auf den Tisch met Das Buch liegt auf dem Tisch.
Na een bepaald lidwoord krijgt een Duits bijvoeglijk naamwoord bijna altijd -e of -en. Gebruik -e in slechts vijf vormen: nominatief enkelvoud (der alte Mann, die alte Frau, das alte Haus) en accusatief vrouwelijk en onzijdig (die alte Frau, das alte Haus). In alle andere vormen gebruik je -en.
Na ein, kein en bezittelijke woorden zoals mein krijgt een bijvoeglijk naamwoord een gemengde uitgang. Ontbreekt aan het voorafgaande woord een duidelijke uitgang, dan laat het bijvoeglijk naamwoord geslacht en naamval zien: ein großer Mann en ein neues Auto. In de meeste andere vormen eindigt het bijvoeglijk naamwoord op -e of -en.
Weil betekent ‘omdat’ en geeft een reden; dass betekent ‘dat’ en leidt de inhoud van een gedachte, uitspraak of gevoel in. Beide woorden maken een bijzin, waarin het vervoegde werkwoord achteraan staat: weil ich krank bin en dass er morgen kommt.
Gebruik wenn voor een voorwaarde of een tijdstip dat zich herhaalt: Wenn ich Zeit habe, komme ich (“Als ik tijd heb, kom ik”). Gebruik ob voor een indirecte ja/nee-vraag: Ich weiß nicht, ob er kommt (“Ik weet niet of hij komt”). In beide bijzinnen staat het vervoegde werkwoord aan het einde.
De Duitse vergrotende trap, de Komparativ, maak je meestal door -er aan een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord toe te voegen: schnell → schneller. Als je twee zaken vergelijkt, gebruik je als: schneller als der Zug. Enkele veelgebruikte woorden veranderen sterker, bijvoorbeeld gut → besser en viel → mehr.
De Duitse Superlativ (overtreffende trap) geeft aan dat iemand of iets de hoogste graad van een eigenschap heeft. Gebruik meestal am + adjectief + -sten als de vorm niet direct vóór een zelfstandig naamwoord staat: Dieses Auto fährt am schnellsten. Staat het adjectief vóór een zelfstandig naamwoord, dan krijgt de stam op -st- een passende adjectiefuitgang: das schnellste Auto.
De Duitse voorzetsels durch, für, gegen, ohne en um krijgen altijd een aanvulling in de accusatief. Bis en entlang horen bij dezelfde leergroep, maar hebben enkele bijzonderheden: bis staat vaak zonder lidwoord en entlang staat meestal ná de woordgroep. Let vooral op mannelijk enkelvoud: der Park wordt bijvoorbeeld durch den Park.
De voorzetsels aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, gegenüber en außer krijgen in het Duits altijd de datief: mit dem Zug, bei meiner Schwester, seit einem Jahr. Leer het voorzetsel daarom meteen samen met een datiefvorm. Let vooral op dem, der, den + -n en de samentrekkingen vom, zum en zur.
Duitse rangtelwoorden geven een plaats in een reeks aan: erste, zweite, dritte. Van 1 tot en met 19 krijgen ze meestal -t-, vanaf 20 -st-; daarna komt doorgaans nog een adjectiefuitgang: der zweite Tag, am zweiten Tag, mein erstes Auto. Juist die laatste uitgang maakt het Duits anders dan het Nederlands.
B1 (17)
De verleden tijd van sein is war en die van haben is hatte: Ich war müde betekent “Ik was moe” en Ich hatte Hunger betekent “Ik had honger”. Deze korte vormen zijn heel gewoon in zowel gesproken als geschreven Duits. Je hoeft bij deze twee werkwoorden dus niet automatisch voor het Perfekt (ist gewesen, hat gehabt) te kiezen.
De Duitse modale werkwoorden krijgen in het Präteritum meestal een vorm zonder umlaut en met -te: konnte, musste, durfte, sollte, wollte, mochte. In een gewone hoofdzin staat deze vervoegde vorm op de tweede plaats en staat een bijbehorende infinitief achteraan: Ich musste lange arbeiten — ‘Ik moest lang werken.’ Deze vormen zijn ook in gesproken Duits heel gebruikelijk.
Bij regelmatige werkwoorden vorm je het Duitse Präteritum met de stam + -te en een persoonsuitgang: ich machte, du machtest, wir machten. De vormen van ich en er/sie/es zijn gelijk. In gesprekken gebruikt men meestal het Perfekt, maar in verhalen, nieuwsberichten en andere geschreven teksten komt het Präteritum veel voor.
Sterke Duitse werkwoorden vormen het Präteritum meestal met een veranderde stamklinker en zonder -te: gehen → ging, kommen → kam, schreiben → schrieb. Bij ich en er/sie/es krijgt die stam geen uitgang; de overige personen krijgen -(e)st, -en of -(e)t. Je komt deze tijd vooral tegen in verhalen en geschreven Duits.
Je vormt het Duitse Futur I met een vervoegde vorm van werden en de infinitief (de hele werkwoordsvorm, zoals kommen): Ich werde morgen kommen. Het infinitief staat meestal helemaal achteraan. Duits gebruikt deze vorm voor toekomst, voorspellingen en voor vermoedens over het heden, maar kiest bij duidelijke toekomstcontext vaak gewoon de tegenwoordige tijd.
De Duitse genitief drukt vaak een verband uit dat je in het Nederlands met van weergeeft: die Mitte der Stadt betekent ‘het midden van de stad’. Je ziet hem ook na voorzetsels als wegen, trotz, während en statt. Let vooral op des/der en op de uitgang -s of -es bij mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden: trotz des Regens.
Een Duitse betrekkelijke bijzin geeft nadere informatie over een persoon of zaak: Das Buch, das ich lese, ist spannend. Geslacht en getal van het betrekkelijk voornaamwoord komen van het woord waarnaar het verwijst; de naamval hangt af van zijn functie in de bijzin. De persoonsvorm staat achteraan en de bijzin wordt met komma’s afgescheiden.
Met würde + infinitief praat je over iets denkbeeldigs, geef je voorzichtig advies of formuleer je een wens of verzoek beleefd: Ich würde gern kommen betekent ‘Ik zou graag komen’. Würde wordt vervoegd; het werkwoord dat de eigenlijke handeling uitdrukt, staat als infinitief meestal achteraan.
Wäre is meestal het Duitse equivalent van “zou zijn” en hätte van “zou hebben”. Het zijn vormen van de Konjunktiv II (de werkwoordsvorm waarmee je onder meer wensen, beleefdheid en niet-werkelijke situaties uitdrukt): Wenn ich reich wäre, hätte ich ein Haus am Meer — “Als ik rijk was, zou ik een huis aan zee hebben.” Bij sein en haben kiest het Duits doorgaans deze korte vormen, niet würde sein en würde haben.
Het Duitse handelingspassief in de tegenwoordige tijd bestaat uit een vervoegde vorm van werden plus het Partizip II (voltooid deelwoord): Die Tür wird geöffnet. De persoon of instantie die de handeling uitvoert, kan met von + datief worden toegevoegd: Die Tür wird vom Hausmeister geöffnet.
Een Duitse infinitiefgroep met zu bestaat meestal uit zu + infinitief: Ich versuche, früher zu kommen (ik probeer eerder te komen). Bij een scheidbaar werkwoord komt zu tussen het voorvoegsel en de stam: anzufangen, mitzukommen. Na modale werkwoorden en enkele waarnemings- en veroorzakende werkwoorden staat juist geen zu.
Gebruik een reflexief voornaamwoord in de datief wanneer het naar het onderwerp terugverwijst, terwijl er al een ander lijdend voorwerp staat: Ich wasche mir die Hände. De handen ondergaan de handeling; mir geeft aan dat ik die handeling bij mezelf verricht. De vormen zijn mir, dir, sich, uns, euch, sich.
In formeel Duits geeft de Konjunktiv I aan dat je iemands woorden weergeeft zonder ze als je eigen bewering te presenteren: Er sagt, er sei krank. De belangrijkste vormen op B1-niveau zijn de derde persoon enkelvoud, zoals sei, habe en komme. Anders dan in het Nederlands is de werkwoordsvorm zelf dus vaak een zichtbaar signaal van indirecte rede.
Obwohl leidt een bijzin in en stuurt de persoonsvorm naar het einde: Obwohl es regnet, gehe ich spazieren. Trotzdem betekent ongeveer ‘toch’ of ‘desondanks’ en staat in een hoofdzin, waar de persoonsvorm op de tweede zinsplaats blijft: Es regnet. Trotzdem gehe ich spazieren. Beide vormen drukken uit dat iets gebeurt terwijl je op grond van de eerste informatie iets anders zou verwachten.
Een temporele bijzin geeft aan wanneer, hoelang of in welke volgorde iets gebeurt. Woorden als als, wenn, bevor, nachdem, während, bis, seit en sobald sturen zo'n bijzin in; de persoonsvorm staat daarin normaal aan het einde: Bevor du gehst, ruf mich an. Staat de bijzin vooraan, dan volgt de persoonsvorm van de hoofdzin direct na de komma: Bevor du gehst, ruf mich an.
Gebruik um … zu + infinitief wanneer dezelfde persoon of zaak beide handelingen uitvoert: Ich spare, um ein Auto zu kaufen. Gebruik damit + bijzin wanneer het doel een eigen onderwerp heeft: Ich spreche langsam, damit du mich verstehst. Bij damit staat het vervoegde werkwoord aan het einde; voor beide constructies staat een komma.
Bij de Duitse N-Deklination krijgt een groep mannelijke zelfstandige naamwoorden -n of -en in elke naamval behalve de nominatief enkelvoud: der Student, maar den Studenten, dem Studenten en des Studenten. Onthoud zo’n woord daarom niet alleen als der Student, maar als het korte rijtje der Student – den Studenten.
B2 (12)
Het Plusquamperfekt drukt uit dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden: Ich hatte schon gegessen, als er kam (“Ik had al gegeten toen hij kwam”). Je vormt het met hatte of war en een Partizip II (voltooid deelwoord): hatte gegessen, war gegangen. Welke van de twee hulpwerkwoorden je kiest, volgt dezelfde regel als bij het Perfekt.
Voor een gebeurtenis in het verleden gebruikt het Duits meestal wurde/wurden + Partizip II: Das Haus wurde gebaut. In het Perfekt wordt dat ist/sind + Partizip II + worden: Das Haus ist gebaut worden. Let vooral op worden zonder ge-; geworden hoort hier niet bij.
De Konjunktiv II Vergangenheit gebruik je voor een verleden dat niet werkelijkheid is geworden: Ich hätte das nicht gemacht betekent “Ik zou dat niet gedaan hebben.” Je vormt hem meestal met hätte of wäre + Partizip II (het voltooid deelwoord): hätte gemacht, wäre gekommen. De keuze tussen hätte en wäre volgt dezelfde regel als bij het gewone Perfekt.
Een onwerkelijke voorwaardelijke zin beschrijft wat er zou gebeuren onder een bedachte of niet-vervulde voorwaarde. Voor het heden gebruikt het Duits meestal de Konjunktiv II, bijvoorbeeld Wenn ich Zeit hätte, würde ich kommen; voor het verleden gebruikt het hätte of wäre met een voltooid deelwoord: Wenn ich Zeit gehabt hätte, wäre ich gekommen. Zonder wenn komt de persoonsvorm vooraan: Hätte ich Zeit, würde ich kommen.
Het Duitse Futur II bestaat uit een vervoegde vorm van werden + een Partizip II (voltooid deelwoord) + haben of sein: Bis morgen werde ich alles erledigt haben. Je gebruikt het voor iets dat op een toekomstig tijdstip voltooid zal zijn, maar ook voor een vermoeden over het verleden: Er wird schon angekommen sein betekent ‘Hij zal wel al aangekomen zijn.’
Het Duitse Partizip I maak je meestal door -d aan de infinitief (de onverbogen werkwoordsvorm) toe te voegen: schlafen → schlafend. Staat deze vorm vóór een zelfstandig naamwoord, dan krijgt hij bovendien de gewone adjectiefuitgang: das schlafende Kind, ein schlafendes Kind. De vorm beschrijft doorgaans iemand of iets dat de handeling zelf uitvoert terwijl de beschreven situatie voortduurt.
Een Duits Partizip II (voltooid deelwoord) kan vóór een zelfstandig naamwoord als bijvoeglijk naamwoord staan: die Tür ist geöffnet wordt dan die geöffnete Tür. Het deelwoord krijgt in die positie dezelfde uitgang als ieder ander Duits bijvoeglijk naamwoord. Welke uitgang nodig is, hangt af van het lidwoord, het geslacht, het getal en de naamval.
Een uitgebreide participiumgroep is een lange bepaling vóór een zelfstandig naamwoord: der seit Jahren in Berlin lebende Mann. Alle aanvullingen staan vóór het participium; het participium staat direct vóór het zelfstandig naamwoord en krijgt een gewone bijvoeglijke uitgang. In het Nederlands is meestal een betrekkelijke bijzin natuurlijker: ‘de man die al jaren in Berlijn woont’.
Met lassen zeg je dat iemand een handeling door een ander laat uitvoeren of toestaat: Er lässt das Auto reparieren en Lass mich dir helfen. De kernvorm is vervoegd lassen + eventuele personen of zaken + infinitief zonder zu; die infinitief staat in een gewone hoofdzin achteraan. In de voltooide tijd gebruik je meestal de bijzondere vorm hat reparieren lassen, niet hat reparieren gelassen.
In het Duits kun je een infinitief als onzijdig zelfstandig naamwoord gebruiken: lesen wordt das Lesen. Ook bijvoeglijke naamwoorden en deelwoorden kunnen zelfstandig worden gebruikt, maar die krijgen een uitgang die past bij lidwoord, geslacht, getal en naamval: das Schöne, ein Reisender, die Reisenden. Een genominaliseerd woord krijgt altijd een hoofdletter.
Het Zustandspassiv beschrijft de toestand die na een handeling bestaat. Je vormt het met een vervoegde vorm van sein + Partizip II (voltooid deelwoord): Die Tür ist geschlossen betekent dat de deur dicht is. Met werden staat juist de handeling of verandering centraal: Die Tür wird geschlossen betekent dat iemand de deur sluit.
Met als ob of als wenn beschrijf je een indruk die niet als feit wordt voorgesteld: Er tut, als ob er nichts wüsste — ‘Hij doet alsof hij niets weet.’ Daarom staat het werkwoord meestal in de Konjunktiv II. Na als ob en als wenn staat de persoonsvorm achteraan; bij de kortere vorm met alleen als staat die juist direct na als: als wüsste er nichts.
C1 (10)
De Konjunktiv I geeft vooral aan dat een uitspraak van iemand anders afkomstig is: Sie sagt, sie habe keine Zeit. De spreker meldt wat zij zegt, zonder die mededeling automatisch als feit te bevestigen. Is een vorm gelijk aan de gewone tegenwoordige tijd, dan gebruikt men vaak de Konjunktiv II als vervangende vorm: sie kommen wordt in duidelijke indirecte rede meestal sie kämen.
Het Duits hoeft een handeling zonder genoemde uitvoerder niet altijd met werden + voltooid deelwoord uit te drukken. Met man formuleer je actief, sich lassen + infinitief drukt meestal mogelijkheid uit, sein + zu + infinitief kan mogelijkheid of noodzaak aangeven, en een bijvoeglijk naamwoord op -bar of -lich benoemt vaak een eigenschap: Das Problem ist lösbar. Welke vorm past, hangt dus af van de betekenis én van de stijl.
Een Duits modaal werkwoord kan niet alleen plicht, toestemming of vermogen uitdrukken, maar ook laten zien hoe de spreker een bewering beoordeelt. Zo betekent Er muss krank sein meestal ‘Hij is vast ziek’, Sie dürfte zu Hause sein ‘Ze is waarschijnlijk thuis’ en Das kann nicht stimmen ‘Dat kan niet kloppen’. De vorm van het modale werkwoord, de context en de infinitief aan het einde bepalen samen de betekenis.
In Duitse romans, verhalen en andere geschreven vertellingen is het Präteritum de gewone tijd voor gebeurtenissen en toestanden in het verhaalverleden: Er öffnete das Fenster und sah hinaus. Anders dan in veel alledaagse gesprekken kan een schrijver deze tijd consequent gebruiken bij vrijwel alle werkwoorden. Eerdere gebeurtenissen staan vaak in het Plusquamperfekt, terwijl commentaar in het heden tijdelijk naar het Präsens kan overschakelen.
Een Funktionsverbgefüge is een vaste combinatie van een inhoudsarm werkwoord en een naamwoordgroep, bijvoorbeeld in Betracht ziehen, zur Verfügung stellen of in Anspruch nehmen. De naamwoordgroep draagt de kernbetekenis; het werkwoord drukt vooral uit hoe een handeling verloopt, begint, eindigt of wordt veroorzaakt. Leer daarom de hele combinatie, inclusief voorzetsel, lidwoord en naamval.
Een Duitse Nomen-Verb-Verbindung is een vaste combinatie van een zelfstandig naamwoord en een werkwoord: eine Entscheidung treffen, Kritik üben, einen Antrag stellen. Je kiest het werkwoord niet vrij op basis van een Nederlandse vertaling, maar leert de hele combinatie inclusief lidwoord, naamval en eventueel voorzetsel.
De zinsverbinders indem, zumal, sofern, insofern als en anstatt dass leiden een bijzin in: de persoonsvorm staat dus aan het einde. Infolgedessen is daarentegen een verbindend bijwoord en hoort bij een hoofdzin, met de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Kies de verbinder niet alleen op betekenis, maar ook op het verband dat je wilt uitdrukken: middel, gevolg, aanvullende reden, voorwaarde, beperking of ongekozen alternatief.
Staat er vóór een Duits zelfstandig naamwoord geen lidwoord of ander woord dat geslacht en naamval duidelijk markeert, dan krijgt het bijvoeglijk naamwoord doorgaans een sterke uitgang: kalter Kaffee, frische Milch, frisches Brot. Die uitgang neemt als het ware de informatietaak van der, die, das over. Let vooral op mannelijk accusatief (kalten Kaffee), de datief (mit kaltem Wasser) en de genitief (wegen starken Regens).
Een Duitse infinitief kan als zelfstandig naamwoord worden gebruikt: hij krijgt een hoofdletter, is onzijdig en staat doorgaans met das. De aanvullingen van het werkwoord kunnen behouden blijven, maar een lijdend voorwerp wordt in verzorgde taal meestal een genitiefgroep: das Buch lesen → das Lesen des Buches. Een vast voorzetsel blijft daarentegen staan: auf den Bus warten → das Warten auf den Bus.
Als een Duits modaal werkwoord in het perfectum samen met een ander werkwoord staat, gebruikt het meestal geen voltooid deelwoord: Ich habe es machen können, niet ich habe es machen gekonnt. Deze vervangende infinitief heet de Ersatzinfinitiv. Ook bij onder meer lassen, sehen en hören ontstaat zo vaak een reeks van twee infinitieven.
C2 (8)
Verheven literair Duits gebruikt bewust plechtige, oudere of opvallend gerangschikte vormen, zoals des Nachts, dessen bin ich mir bewusst en ward gewarnt. Je vindt die vooral in literatuur, historische vertellingen, redevoeringen en soms in ironische taal. Op C2-niveau is niet alleen de betekenis belangrijk, maar ook het register: wat in een gedicht krachtig klinkt, kan in een gewoon gesprek gekunsteld overkomen.
Duitse Amts- und Rechtssprache zet handelingen vaak om in zelfstandige naamwoorden, laat de handelende persoon weg met het passief en verpakt voorwaarden in compacte formuleringen: Bei Nichtbeachtung dieser Vorschrift ... Zulke taal komt voor in besluiten, formulieren, contracten en processtukken; je hoeft haar niet altijd zelf te gebruiken, maar op C2-niveau moet je precies kunnen herkennen wie waartoe verplicht is en welk rechtsgevolg wordt genoemd.
Duitse wetenschapstaal presenteert beweringen controleerbaar en nauwkeurig: de schrijver maakt duidelijk wat uit eigen onderzoek volgt, wat uit een bron komt en hoe zeker een conclusie is. Kenmerkend zijn onder meer voorzichtige formuleringen (dürfte, scheint, lässt sich), onpersoonlijke constructies, doelgerichte nominaliseringen en vaste manieren om naar bronnen en tekstonderdelen te verwijzen. Een goede academische tekst is echter niet automatisch zo abstract of zo passief mogelijk; helderheid blijft belangrijker dan plechtigheid.
Duitse Modalpartikeln zijn meestal onbeklemtoonde woordjes die tonen hoe de spreker een uitspraak, vraag of verzoek tegenover de gesprekspartner plaatst. In Das stimmt schon, aber … maakt schon van de uitspraak een toegeving; in Das war eben so drukt eben uit dat de situatie als een gegeven wordt aanvaard. Nederlandse woorden als toch, wel, eens en eigenlijk helpen bij de eerste intuïtie, maar zijn geen vaste één-op-éénvertalingen.
Duitse woordvolgorde is niet willekeurig, maar biedt wel ruimte om zinsdelen te verschuiven. In een mededelende hoofdzin blijft de persoonsvorm normaal op de tweede zinsplaats; door een ander zinsdeel ervoor te zetten of zwaar materiaal naar rechts te verplaatsen, stuur je thema, contrast en focus. Dieses Buch habe ich gelesen, jenes nicht zet bijvoorbeeld dieses Buch nadrukkelijk tegenover jenes.
Een complex Duits Satzgefüge bevat meerdere afhankelijke zinnen, soms op verschillende niveaus. Houd per deelzin bij welk onderwerp en welke persoonsvorm bij elkaar horen: in een gewone hoofdzin staat de persoonsvorm doorgaans op plaats twee, terwijl die in een ingeleide bijzin achteraan staat. Een grammaticaal mogelijke lange zin is niet automatisch een goede zin; helderheid blijft belangrijker dan lengte.
Een register is de taalvariant die je kiest voor een bepaalde situatie, relatie en tekstsoort. In het Duits loopt de schaal grofweg van formeel en afstandelijk via neutraal en informeel tot sterk omgangstalig of regionaal: Ich würde Sie bitten, Platz zu nehmen past bij een formeel contact, terwijl Setz dich mal hin bij vertrouwd contact hoort. Goed Duits op C2-niveau betekent niet dat je altijd formeel spreekt, maar dat je bewust passend kunt schakelen.
Duitse idiomen en vaste uitdrukkingen leer je grotendeels als één geheel: Das ist nicht das Gelbe vom Ei betekent niet letterlijk iets over een ei, maar ‘dat is niet ideaal’. Op C2-niveau telt niet alleen de betekenis, maar ook de situatie: een uitdrukking kan grammaticaal correct zijn en toch te informeel, te hard, verouderd of onnatuurlijk klinken.
Klaar om Duits te leren? Probeer Settemila Lingue gratis — geen creditcard, geen verplichtingen. Oefen met AI-gegenereerde flashcards als je klaar bent om rond te kijken.
Gratis beginnen