Scheidbare werkwoorden in het Duits
Trennbare Verben im Präsens
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.
In het kort
Een Duits scheidbaar werkwoord bestaat uit een voorvoegsel en een basiswerkwoord, bijvoorbeeld auf + stehen. In een gewone hoofdzin vervoeg je het basiswerkwoord en zet je het voorvoegsel achteraan: Ich stehe um 7 Uhr auf. Met een hulpwerkwoord of in een bijzin blijven de delen meestal bij elkaar: Ich muss aufstehen en weil ich früh aufstehe.
Overzicht
Scheidbare werkwoorden zijn werkwoorden waarvan het eerste deel in bepaalde zinnen los komt te staan. De infinitief (de onvervoegde woordenboekvorm) is één woord: aufstehen, ankommen, einkaufen. In een eenvoudige hoofdzin vormt het werkwoord echter als het ware een kader om de rest van de zin: Wir kaufen heute im Supermarkt ein. Het vervoegde deel staat vooraan in de zin en ein staat aan het einde.
Dit onderwerp hoort bij A1, omdat zulke werkwoorden voortdurend voorkomen in het dagelijks Duits. Je hebt ze nodig om te vertellen wanneer je opstaat, waar een trein aankomt, wie er meegaat of wanneer je boodschappen doet. De basisregel is eenvoudig, maar je moet tegelijk letten op de vervoeging én op de woordvolgorde.
Voor Nederlandstaligen is het principe gelukkig herkenbaar. Ook in het Nederlands zeggen we ik sta vroeg op, de trein komt aan en zij doet het raam open. Toch kun je niet blind op het Nederlands vertrouwen. Een Duits en een Nederlands werkwoord hebben niet altijd hetzelfde voorvoegsel, en het Duits past zijn eigen regels voor de plaats van het vervoegde werkwoord strikt toe. Leer daarom steeds de volledige infinitief en een korte voorbeeldzin samen.
Zo werkt het
De basisregel voor de hoofdzin
Een hoofdzin is een zin die zelfstandig kan staan. Het vervoegde werkwoord (de vorm die bij ich, du, er enzovoort past) staat in een Duitse mededelende hoofdzin op de tweede zinspositie. Bij een scheidbaar werkwoord is alleen het basiswerkwoord vervoegd; het losse voorvoegsel staat aan het einde.
| Infinitief | Losse delen | Voorbeeld in een hoofdzin | Betekenis |
|---|---|---|---|
| aufstehen | auf + stehen | Ich stehe früh auf. | Ik sta vroeg op. |
| ankommen | an + kommen | Der Bus kommt spät an. | De bus komt laat aan. |
| einkaufen | ein + kaufen | Wir kaufen am Samstag ein. | Wij doen zaterdag boodschappen. |
| mitbringen | mit + bringen | Sie bringt Kaffee mit. | Zij brengt koffie mee. |
Je kunt de vorm in drie stappen maken:
- Splits de infinitief: aufstehen → auf + stehen.
- Vervoeg het basiswerkwoord: ich stehe, du stehst, er steht.
- Zet het voorvoegsel aan het einde: Du stehst jeden Tag früh auf.
Het voorvoegsel verandert niet. De vervoeging van het basiswerkwoord kan wel regelmatig of onregelmatig zijn. Anfangen gebruikt bijvoorbeeld de vormen van fangen: ich fange an, maar du fängst an en er fängt an.
Wat betekent ‘tweede positie’?
‘Tweede positie’ betekent niet altijd ‘het tweede geschreven woord’. Het eerste zinsdeel kan uit meerdere woorden bestaan. Daarna komt meteen het vervoegde werkwoord.
| Eerste zinsdeel | Vervoegd werkwoord | Middenstuk | Voorvoegsel |
|---|---|---|---|
| Ich | stehe | um sieben Uhr | auf. |
| Um sieben Uhr | stehe | ich | auf. |
| Nach der Arbeit | kauft | Lena im Zentrum | ein. |
Vergelijk Ich stehe um sieben Uhr auf met Um sieben Uhr stehe ich auf. Als de tijdsbepaling vooraan staat, komt het onderwerp (wie of wat iets doet) na het werkwoord. Auf blijft in beide zinnen achteraan.
Vragen
In een ja-neevraag staat het vervoegde werkwoord op de eerste positie. In een vraag met een vraagwoord staat het na het vraagwoord. Het voorvoegsel blijft achteraan.
- Kommst du heute mit? — Kom je vandaag mee?
- Ruft er später an? — Belt hij later op?
- Wann kommt der Zug an? — Wanneer komt de trein aan?
- Wo steigt ihr aus? — Waar stappen jullie uit?
Welke voorvoegsels zijn vaak scheidbaar?
Veelvoorkomende scheidbare voorvoegsels zijn ab-, an-, auf-, aus-, ein-, fest-, her-, hin-, los-, mit-, nach-, vor-, weg-, weiter-, zu- en zurück-. Bij een scheidbaar werkwoord krijgt het voorvoegsel doorgaans de klemtoon: ÁNkommen, ÁUFstehen.
Dat is een nuttig herkenningsmiddel, maar betekenis en woordenboekinformatie blijven belangrijk. Niet elk werkwoord dat met dezelfde letters begint, volgt hetzelfde patroon. De onscheidbare voorvoegsels be-, emp-, ent-, er-, ge-, miss-, ver- en zer- komen niet los: Ich besuche meine Schwester, niet Ich suche meine Schwester be.
Wanneer blijft het werkwoord bij elkaar?
De beginnersregel ‘voorvoegsel achteraan’ geldt wanneer het scheidbare werkwoord zelf de vervoegde vorm in een hoofdzin is. In enkele veelvoorkomende constructies blijft de infinitief of vervoegde vorm één woord.
Met een modaal werkwoord
Een modaal werkwoord zoals müssen (moeten), können (kunnen) of wollen (willen) is dan vervoegd. Het scheidbare werkwoord staat als volledige infinitief aan het einde.
- Ich muss morgen früh aufstehen. — Ik moet morgenochtend vroeg opstaan.
- Kannst du einen Salat mitbringen? — Kun je een salade meebrengen?
- Wir wollen heute Abend ausgehen. — We willen vanavond uitgaan.
In een bijzin
Een bijzin is een zinsdeel dat bijvoorbeeld met weil (omdat) of dass (dat) begint en niet op zichzelf de hoofdmededeling vormt. Het vervoegde werkwoord gaat naar het einde; voorvoegsel en basiswerkwoord worden weer aaneengeschreven.
- Ich gehe schlafen, weil ich morgen früh aufstehe. — Ik ga slapen, omdat ik morgenochtend vroeg opsta.
- Sie sagt, dass der Zug um neun Uhr ankommt. — Zij zegt dat de trein om negen uur aankomt.
Dit lijkt sterk op het Nederlands: omdat ik vroeg opsta. Let wel op de Duitse vervoeging en spelling.
Voorbeelden in context
| Duits | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Ich stehe um 7 Uhr auf. | Ik sta om 7 uur op. | aufstehen in een gewone hoofdzin |
| Er macht das Fenster auf. | Hij doet het raam open. | aufmachen met een lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat) |
| Wann kommst du an? | Wanneer kom je aan? | Vraagwoord, vervoegd werkwoord, onderwerp, voorvoegsel |
| Der Unterricht fängt um neun Uhr an. | De les begint om negen uur. | anfangen heeft een klinkerwisseling bij er/sie/es |
| Heute kaufe ich für das Wochenende ein. | Vandaag doe ik boodschappen voor het weekend. | Een tijdsbepaling staat vooraan |
| Rufst du mich heute Abend an? | Bel je me vanavond? | Ja-neevraag met anrufen |
| Meine Freunde bringen Getränke mit. | Mijn vrienden brengen drinken mee. | Meervoudsvorm van mitbringen |
| Am Hauptbahnhof steigen viele Leute aus. | Op het centraal station stappen veel mensen uit. | aussteigen bij vervoer |
| Bitte mach die Tür zu. | Doe de deur alsjeblieft dicht. | Gebiedende wijs (een opdracht of verzoek) |
| Ich muss morgen sehr früh aufstehen. | Ik moet morgen erg vroeg opstaan. | Na muss blijft aufstehen één woord |
| Sie bleibt zu Hause, weil sie das Kind abholt. | Ze blijft thuis, omdat ze het kind ophaalt. | In de bijzin staat abholt aaneen |
| Kommst du nach der Arbeit mit? | Kom je na het werk mee? | mitkommen is vaak zonder extra voorwerp te gebruiken |
| Der Zug fährt um 18.10 Uhr ab. | De trein vertrekt om 18.10 uur. | abfahren voor vertrek volgens een dienstregeling |
| Wir sehen am Wochenende einen alten Film an. | We kijken in het weekend naar een oude film. | ansehen kan ‘bekijken’ betekenen |
| Nehmen Sie bitte im Wartezimmer Platz. | Neemt u alstublieft plaats in de wachtkamer. | Beleefd en vrij formeel gebruik van Platz nehmen |
Veelgemaakte fouten
1. Het voorvoegsel aan het vervoegde werkwoord laten zitten
- Fout: Ich aufstehe jeden Tag um sieben Uhr.
- Goed: Ich stehe jeden Tag um sieben Uhr auf.
- Waarom: In een mededelende hoofdzin staat stehe op de tweede zinspositie en gaat auf naar het einde.
2. Alleen het Nederlandse patroon volgen
- Fout: Ich rufe meinen Freund auf.
- Goed: Ich rufe meinen Freund an.
- Waarom: Nederlands opbellen correspondeert met Duits anrufen. Voorvoegsels vertaal je niet los van het hele werkwoord.
3. Het onderwerp na een eerste tijdsbepaling vóór het werkwoord zetten
- Fout: Heute ich kaufe ein.
- Goed: Heute kaufe ich ein.
- Waarom: Heute vult de eerste positie. Het vervoegde werkwoord moet daarom direct volgen; pas daarna komt ich.
4. Een infinitief na een modaal werkwoord splitsen
- Fout: Ich muss früh stehen auf.
- Goed: Ich muss früh aufstehen.
- Waarom: Muss is al het vervoegde werkwoord. De volledige infinitief aufstehen staat aaneen aan het einde.
5. Een bijzin behandelen als een hoofdzin
- Fout: ..., weil ich stehe früh auf.
- Goed: ..., weil ich früh aufstehe.
- Waarom: Na weil staat het vervoegde werkwoord aan het einde. De twee delen zijn daar weer één geschreven woord.
6. Denken dat elk voorvoegsel scheidbaar is
- Fout: Sie sucht ihre Tante be.
- Goed: Sie besucht ihre Tante.
- Waarom: be- is onscheidbaar. Leer bij een nieuw werkwoord niet alleen de betekenis, maar ook of het scheidbaar is.
Gebruiksnotities
Scheidbare werkwoorden zijn niet beperkt tot informele spreektaal. Ze komen in gesprekken, berichten, nieuws, dienstregelingen en formele instructies voor. Het register hangt vooral van het gekozen werkwoord en de rest van de zin af. Der Zug fährt ab is neutraal; Bitte füllen Sie das Formular aus is een formele instructie met het scheidbare werkwoord ausfüllen.
Sommige combinaties lijken voor een Nederlandstalige doorzichtig, zoals mitkommen en meekomen. Andere zijn misleidend. Umziehen kan ‘verhuizen’ betekenen, maar ook ‘zich omkleden’ wanneer het wederkerend wordt gebruikt: Ich ziehe um tegenover Ich ziehe mich um. Controleer daarom bij nieuwe woorden altijd een voorbeeldzin.
Bij het spreken draagt het losse voorvoegsel vaak belangrijke betekenis en krijgt het nadruk. Luister dus tot het einde van de zin. Ich steige am Bahnhof ... is nog niet compleet: ein, aus of um bepaalt of iemand instapt, uitstapt of overstapt.
Verder dan de basis
De volgende vormen hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.
Voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord (de vorm die onder meer na haben of sein staat) krijgt bij veel scheidbare werkwoorden ge- tussen het voorvoegsel en het basiswerkwoord:
- aufstehen → aufgestanden: Ich bin früh aufgestanden. — Ik ben vroeg opgestaan.
- einkaufen → eingekauft: Wir haben gestern eingekauft. — We hebben gisteren boodschappen gedaan.
- anrufen → angerufen: Sie hat mich angerufen. — Ze heeft me gebeld.
Het hulpwerkwoord bepaalt de persoonsvorm; het deelwoord blijft één woord aan het einde.
Infinitief met zu
In een infinitiefconstructie met zu staat zu meestal tussen het voorvoegsel en het basiswerkwoord:
- aufzustehen: Es ist schwer, so früh aufzustehen. — Het is moeilijk om zo vroeg op te staan.
- mitzubringen: Vergiss nicht, deinen Pass mitzubringen. — Vergeet niet je paspoort mee te brengen.
Na een modaal werkwoord gebruik je juist geen zu: Ich muss aufstehen.
Werkwoorden die scheidbaar én onscheidbaar kunnen zijn
Voorvoegsels als durch-, über-, um- en unter- kunnen afhankelijk van betekenis en klemtoon scheidbaar of onscheidbaar zijn. Vergelijk:
- Er setzt mit der Fähre über. — Hij steekt met de veerboot over. Hier is übersetzen scheidbaar.
- Sie übersetzt den Text. — Zij vertaalt de tekst. Hier is übersetzen onscheidbaar.
De klemtoon helpt: bij de scheidbare betekenis ligt die meestal op het voorvoegsel; bij de onscheidbare betekenis vaak op het basiswerkwoord. Leer zulke gevallen als afzonderlijke werkwoorden met hun eigen betekenis en voorbeeldzin.
Een steeds langer zinskader
In langere hoofdzinnen kan er veel materiaal tussen het vervoegde werkwoord en het voorvoegsel staan:
Der neue Kollege ruft seine Kundin wegen des geänderten Termins morgen noch einmal an.
Het zinskader ruft ... an houdt alle tusseninformatie bijeen. In geschreven Duits is dat normaal. Als luisteraar moet je dus het einde afwachten; als spreker helpt het om het voorvoegsel al te onthouden zodra je het werkwoord kiest.
Gebiedende wijs
Ook in een opdracht wordt het voorvoegsel los achteraan gezet:
- Steh bitte auf! — Sta alsjeblieft op!
- Ruf mich an! — Bel me!
- Steigen Sie hier aus! — Stapt u hier uit!
De vorm van het basiswerkwoord volgt de gewone regels voor de gebiedende wijs; de scheidbaarheid verandert niet.
Oefentips
- Leer elk werkwoord als een paar. Noteer niet alleen anrufen — bellen, maar ook Ich rufe dich morgen an. Markeer an en rufe in dezelfde kleur zodat je het zinskader ziet.
- Bouw per werkwoord drie zinnen. Maak een hoofdzin, een vraag en een zin met een modaal werkwoord: Du kommst mit. Kommst du mit? Du kannst mitkommen. Zo oefen je meteen wanneer het woord splitst.
- Luister naar het laatste woord. Pauzeer bij korte Duitse dialogen vlak vóór het voorvoegsel en voorspel an, auf, ein of aus. Controleer daarna welke betekenis de volledige combinatie krijgt.
Verwante onderwerpen
- Eerst leren: Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd — nodig om het basiswerkwoord bij de juiste persoon te vervoegen.
Vereiste kennis
Regelmatige werkwoorden in het DuitsA1Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Trennbare Verben im Präsens in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen