Scheidbare werkwoorden in het Nederlands
Scheidbare Werkwoorden
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Een scheidbaar werkwoord bestaat uit een werkwoord en een eerste deel, zoals op + bellen. In een gewone hoofdzin staat het vervoegde werkwoord vroeg in de zin en gaat het eerste deel naar het einde: Ik bel je morgen op. In een bijzin en bij een infinitief blijven de delen meestal bij elkaar: omdat ik je opbel en ik wil je opbellen.
Overzicht
Scheidbare werkwoorden zijn bijzonder omdat één werkwoord soms als één woord wordt geschreven en soms over de zin wordt verdeeld. Bekende voorbeelden zijn opbellen, aankomen, meegaan, uitnodigen, afwassen en terugbrengen. Het eerste deel voegt vaak een richting, resultaat of andere betekenis toe: gaan is niet hetzelfde als meegaan of uitgaan.
Dit onderwerp hoort bij niveau A2. Je kent dan al de basis van de tegenwoordige tijd: ik bel, jij belt, wij bellen. Bij een scheidbaar werkwoord vervoeg je het werkwoordelijke deel op dezelfde manier, maar je moet ook weten waar het losse deel terechtkomt. Dat is vooral een kwestie van zinsbouw: de vorm van de zin bepaalt of op losstaat van bel.
Wie al dagelijks Nederlands hoort, gebruikt veel van deze vormen misschien vanzelf goed. Toch ontstaan er bij schrijven vaak fouten. Je hoort in Ik bel je op duidelijk twee delen en kunt daardoor ten onrechte ook op bellen schrijven. Andersom kun je de woordenboekvorm opbellen onthouden en vervolgens in een hoofdzin foutief Ik opbel je maken. De belangrijkste stap is daarom niet alleen het hele werkwoord leren, maar meteen een paar verschillende zinnen erbij leren.
Zo werkt het
1. Herken het hele werkwoord
De infinitief (de hele vorm van het werkwoord, meestal op -en) wordt als één woord geschreven:
- opbellen
- aankomen
- meegaan
- uitzetten
- terugbrengen
Het eerste deel draagt vaak de klemtoon: ÓPbellen, ÁÁNkomen, MÉÉgaan. Dat helpt bij het herkennen, maar betekenis en gebruik blijven belangrijk. Niet elk werkwoord dat met een bekend stukje begint, is namelijk scheidbaar.
Veelvoorkomende eerste delen zijn:
| Eerste deel | Voorbeelden | Vaak uitgedrukte betekenis |
|---|---|---|
| aan- | aankomen, aandoen, aanzetten | begin, contact of bestemming |
| af- | afmaken, afwassen, afspreken | voltooiing, verwijdering of afspraak |
| mee- | meegaan, meenemen, meedoen | samen met iemand |
| op- | opstaan, opbellen, opruimen | omhoog, begin of voltooiing |
| terug- | terugbellen, terugkomen, teruggeven | naar een eerder punt of persoon |
| uit- | uitgaan, uitzetten, uitnodigen | naar buiten, stoppen of deelname |
| voor- | voorlezen, voorstellen, voorbereiden | naar voren, presentatie of voorbereiding |
| weg- | weggaan, weggooien, weglopen | van een plaats vandaan |
Deze betekenissen zijn alleen hulpmiddelen. De betekenis van het hele werkwoord is niet altijd letterlijk te voorspellen. Afspreken betekent bijvoorbeeld niet simpelweg ‘naar beneden spreken’. Leer daarom afspreken als één woord met zijn eigen betekenis.
2. In een hoofdzin gaat het werkwoord uit elkaar
Een hoofdzin is een zin die zelfstandig kan staan. In een mededelende hoofdzin staat de persoonsvorm (het vervoegde werkwoord dat bij ik, jij, hij enzovoort past) meestal op de tweede plaats. Het eerste deel staat later, vaak helemaal aan het einde.
| Hele werkwoord | Onderwerp vooraan | Ander zinsdeel vooraan |
|---|---|---|
| opbellen | Ik bel mijn moeder vanavond op. | Vanavond bel ik mijn moeder op. |
| aankomen | De bus komt om zes uur aan. | Om zes uur komt de bus aan. |
| meenemen | Wij nemen een paraplu mee. | Morgen nemen wij een paraplu mee. |
Het losse deel blijft achteraan wanneer er extra informatie tussen staat:
Ik bel mijn moeder na het eten vanuit het hotel op.
Bij een ja-neevraag staat de persoonsvorm vooraan, maar het losse deel blijft achteraan:
- Ga je vanavond mee?
- Komt de trein op tijd aan?
Ook in de onvoltooid verleden tijd blijft het werkwoord in een hoofdzin gescheiden:
- Ik belde hem gisteren op.
- De trein kwam tien minuten te laat aan.
- We namen zelf eten mee.
3. In een bijzin blijven de delen bij elkaar
Een bijzin is een zinsdeel dat met een woord als omdat, dat, als, terwijl of wanneer aan een andere zin vastzit. De persoonsvorm staat dan gewoonlijk later in de bijzin. Het eerste deel en het werkwoord worden weer één geschreven woord:
- Ik blijf thuis, omdat ik vroeg opsta.
- Ze zegt dat de trein om acht uur aankomt.
- Bel me wanneer je uit het vliegtuig uitstapt.
- Als jij het licht uitzet, sluit ik de deur.
Vergelijk de twee patronen direct:
| Hoofdzin: los | Bijzin: vast |
|---|---|
| Ik sta elke dag vroeg op. | Omdat ik elke dag vroeg opsta, ga ik vroeg naar bed. |
| Zij nodigt haar buren uit. | Ik weet dat zij haar buren uitnodigt. |
| We brengen de boeken morgen terug. | De docent vraagt wanneer we de boeken terugbrengen. |
4. Met een ander werkwoord blijft de infinitief heel
Na een modaal werkwoord zoals willen, kunnen, moeten of mogen staat de infinitief meestal aan het einde. Die infinitief schrijf je als één woord:
- Ik wil je vanavond opbellen.
- Kun je morgen meegaan?
- We moeten de kamer nog opruimen.
- U mag hier uitstappen.
Dit geldt ook voor andere constructies met een infinitief:
- Zij probeert haar jas aan te trekken.
- Ik beloof je morgen terug te bellen.
- Hij staat vroeg op om rustig te ontbijten.
Bij een scheidbaar werkwoord met te komt te tussen het eerste deel en de rest: op te bellen, mee te gaan, aan te trekken. De delen worden dan als losse woorden geschreven. Denk aan het patroon eerste deel + te + werkwoord.
5. Het voltooid deelwoord krijgt vaak ge- in het midden
Het voltooid deelwoord (de vorm die vaak na hebben of zijn staat) krijgt bij veel scheidbare werkwoorden ge- tussen het eerste deel en het werkwoordelijke deel:
| Infinitief | Voltooid deelwoord | Voorbeeldzin |
|---|---|---|
| opbellen | opgebeld | Hij heeft me opgebeld. |
| afmaken | afgemaakt | We hebben het werk afgemaakt. |
| ophalen | opgehaald | Ik heb de kinderen opgehaald. |
| uitnodigen | uitgenodigd | Zij heeft ons uitgenodigd. |
| meegaan | meegegaan | Mijn broer is meegegaan. |
| aankomen | aangekomen | De trein is laat aangekomen. |
Het basisschema is dus vaak:
eerste deel + ge + werkwoordelijke stam + uitgang
Bijvoorbeeld: op + ge + bel + d → opgebeld. Pas binnen het tweede deel de gewone regels voor het voltooid deelwoord toe. Onregelmatige werkwoorden houden hun eigen vorm: meegaan wordt meegegaan en terugbrengen wordt teruggebracht.
Het hele voltooid deelwoord is één woord. Schrijf dus opgebeld, niet op gebeld en ook niet geopbeld.
Kernregel voor beginners
Onthoud eerst deze vier vormen van één werkwoord:
| Situatie | Voorbeeld met opbellen |
|---|---|
| Infinitief | Ik wil je opbellen. |
| Hoofdzin | Ik bel je op. |
| Bijzin | Ik zeg dat ik je opbel. |
| Voltooid deelwoord | Ik heb je opgebeld. |
Wie dit viertal beheerst, kan hetzelfde patroon op veel andere scheidbare werkwoorden toepassen.
Voorbeelden in context
| Nederlands voorbeeld | Betekenis in gewoon Nederlands | Aandachtspunt |
|---|---|---|
| Ik bel je morgen op. | Morgen neem ik telefonisch contact met je op. | Hoofdzin: bel en op staan los. |
| Hij heeft me opgebeld. | Hij heeft mij telefonisch gesproken of geprobeerd te bereiken. | ge- staat in het midden. |
| Ga je mee? | Kom je samen met ons of mij? | Vraag: ga vooraan, mee achteraan. |
| De trein komt om acht uur aan. | De trein bereikt om acht uur zijn bestemming. | Tegenwoordige tijd in een hoofdzin. |
| Omdat de trein laat aankomt, nemen we een taxi. | De late aankomst is de reden om een taxi te nemen. | In de bijzin blijft aankomt één woord. |
| Neem je identiteitskaart mee. | Zorg dat je identiteitskaart bij je is. | Gebiedende wijs: neem en mee staan los. |
| We moeten voor vrijdag een afspraak maken. | De afspraak moet uiterlijk vrijdag geregeld zijn. | Afspraak maken is geen vorm van afspreken; vergelijk de volgende zin. |
| We spreken vrijdag bij het station af. | We maken de afspraak om elkaar vrijdag bij het station te ontmoeten. | Afspreken wordt in de hoofdzin gescheiden. |
| Ik weet niet of Sara vanavond meegaat. | Het is onzeker of Sara vanavond met ons komt. | Bijzin met of: meegaat blijft heel. |
| Zet je telefoon tijdens de film uit. | Schakel je telefoon uit tijdens de film. | Gebiedende wijs met informatie tussen de delen. |
| Heb je de keuken al opgeruimd? | Is de keuken al netjes gemaakt? | Voltooid deelwoord: opgeruimd. |
| Zij probeert haar nieuwe schoenen aan te trekken. | Ze doet een poging om de schoenen aan haar voeten te doen. | Bij te staan drie delen los: aan te trekken. |
| Mijn buurvrouw bracht gisteren een pakket terug. | Ze retourneerde gisteren een pakket. | Verleden tijd: bracht ... terug. |
| Wanneer stap je over op een andere trein? | Op welk moment wissel je van trein? | Overstappen staat gescheiden; op hoort hier bij op een andere trein. |
Veelgemaakte fouten
1. Het werkwoord niet scheiden in een hoofdzin
- Onjuist: Ik opbel mijn broer vanavond.
- Juist: Ik bel mijn broer vanavond op.
- Waarom: In een gewone hoofdzin staat de vervoegde vorm vroeg en gaat het eerste deel naar achteren.
2. Het werkwoord juist wél scheiden in een bijzin
- Onjuist: Ik hoop dat de trein op tijd komt aan.
- Juist: Ik hoop dat de trein op tijd aankomt.
- Waarom: In een bijzin worden aan en komt samengevoegd tot één persoonsvorm.
3. De infinitief als twee woorden schrijven
- Onjuist: Kun je mij vanavond terug bellen?
- Juist: Kun je mij vanavond terugbellen?
- Waarom: Zonder te is de infinitief één woord. De uitspraak kan klinken alsof er een kleine grens tussen de delen zit, maar dat maakt er in de spelling geen twee woorden van.
4. ge- voor het hele werkwoord zetten
- Onjuist: Zij heeft mij geopbeld.
- Juist: Zij heeft mij opgebeld.
- Waarom: Bij een scheidbaar werkwoord staat ge- meestal tussen het eerste deel en de rest: op-ge-beld.
5. te op de verkeerde plaats zetten
- Onjuist: Ik probeer te opbellen.
- Juist: Ik probeer op te bellen.
- Waarom: Bij een scheidbare infinitief komt te tussen de twee delen. Nog natuurlijker is hier vaak een voorwerp: Ik probeer de huisarts op te bellen.
6. Denken dat elk voorvoegsel los kan
- Onjuist: Ik taal de rekening be.
- Juist: Ik betaal de rekening.
- Waarom: Werkwoorden met onbeklemtoonde delen als be-, ge-, her-, ont- en ver- zijn meestal niet scheidbaar. Je moet dus het hele werkwoord en zijn klemtoon kennen.
Gebruik in de praktijk
Scheidbare werkwoorden komen bijzonder vaak voor in dagelijkse gesprekken. Veel instructies bestaan eruit: Doe je jas aan, Zet het raam open, Schrijf het adres op en Ruim je spullen op. Ook bij reizen zijn vormen als instappen, uitstappen, overstappen, aankomen en vertrekken onmisbaar. Let op: vertrekken is ondanks zijn betekenis niet scheidbaar.
Het eerste deel kan ver van de persoonsvorm staan. Dat is normaal Nederlands, vooral wanneer de zin veel informatie bevat: De monteur zet de verwarming na de jaarlijkse controle waarschijnlijk vanmiddag weer aan. Tijdens het luisteren moet je soms tot het einde wachten om precies te weten welk werkwoord bedoeld wordt. Zet ... aan hoort samen als aanzetten.
Dezelfde losse delen komen ook als gewone voorzetsels of bijwoorden voor. In Ik stap bij Utrecht over is over deel van overstappen. In Ik praat over mijn werk hoort over bij mijn werk en is het geen los werkwoordsdeel. Kijk dus niet alleen naar het woord zelf, maar naar de betekenis van de hele zin.
Verder dan de basis
De volgende bijzonderheden hoef je op A2 nog niet allemaal actief te beheersen. Ze helpen wel wanneer je langere teksten leest of nauwkeurig naar uitspraak luistert.
Klemtoon kan betekenis en scheidbaarheid veranderen
Sommige werkwoorden zien er in de infinitief hetzelfde uit, maar verschillen in klemtoon en zinsbouw. Een bekend voorbeeld is voorkomen:
- vóórkomen, ‘gebeuren of aanwezig zijn’, is scheidbaar: Deze fout komt vaak voor.
- voorkómen, ‘verhinderen’, is niet scheidbaar: Goede voorbereiding voorkomt problemen.
In geschreven tekst maakt de zin duidelijk welke betekenis bedoeld is. In gesproken taal helpt de klemtoon. Zulke paren laten zien waarom je een werkwoord het beste met een volledige voorbeeldzin leert.
Niet-scheidbare voorvoegsels krijgen meestal geen ge-
Vergelijk opbellen met betalen:
| Soort | Tegenwoordige tijd | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|
| scheidbaar: opbellen | Ik bel hem op. | Ik heb hem opgebeld. |
| niet scheidbaar: betalen | Ik betaal. | Ik heb betaald. |
| niet scheidbaar: verkopen | Ik verkoop het. | Ik heb het verkocht. |
De afwezigheid van ge- bij betaald en verkocht hangt samen met hun onbeklemtoonde, niet-scheidbare voorvoegsel.
Werkwoordgroepen kunnen ingewikkelder worden
In de voltooide tijd met een modaal werkwoord verschijnt vaak een groep infinitieven: Ik heb hem willen opbellen en We hebben mee kunnen gaan. Dit heet de vervangende infinitief: er staat een infinitief waar je misschien een voltooid deelwoord verwacht. De precieze volgorde kan variëren en is onderwerp voor een later niveau. Voor nu is vooral nuttig dat opbellen en meegaan binnen zo’n groep als hele infinitieven geschreven blijven.
Ook in de lijdende vorm blijft het voltooid deelwoord één woord: De gasten worden opgehaald en Het licht wordt uitgezet. De lijdende vorm beschrijft wat er met iemand of iets gebeurt, zonder de handelende persoon centraal te zetten.
Oefentips
- Leer elk nieuw werkwoord in vier vormen. Schrijf bijvoorbeeld: meegaan — ik ga mee — omdat ik meega — ik ben meegegaan. Zo oefen je woordenschat, zinsbouw en spelling tegelijk.
- Markeer de twee delen tijdens het lezen. Onderstreep in We zetten na het eten de televisie uit zowel zetten als uit. Controleer daarna in een woordenboek of uitzetten inderdaad één werkwoord is.
- Maak van één zin drie varianten. Begin met Ik ruim de keuken op. Maak daarna Ik moet de keuken opruimen en Ik ga slapen nadat ik de keuken heb opgeruimd. Zo wordt snel duidelijk wanneer de delen los en vast staan.
Verwante onderwerpen
- Eerst leren: Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd — hiermee leer je de stam en de uitgangen die je ook gebruikt in ik bel op en hij ruimt op.
Vereiste kennis
Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd in het NederlandsA1Meer A2-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Scheidbare Werkwoorden in Nederlands met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Nederlands · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen