A1

Het werkwoord *haben* in de Duitse tegenwoordige tijd

Verb 'haben' im Präsens

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Het Duitse haben betekent meestal hebben, maar het is onregelmatig: ich habe, du hast, er/sie/es hat, wir haben, ihr habt, sie/Sie haben. Vooral du hast en er hat moet je uit het hoofd leren. Duits gebruikt haben bovendien in enkele uitdrukkingen waar het Nederlands eerder zijn zegt, zoals Wir haben Hunger (‘We hebben honger’) en Ich habe recht (‘Ik heb gelijk’).

Overzicht

Haben is een van de belangrijkste Duitse werkwoorden. Je gebruikt het om bezit, relaties, kenmerken, lichamelijke gewaarwordingen en beschikbare tijd uit te drukken: Sie hat ein Fahrrad, Wir haben zwei Kinder en Ich habe Zeit. Dit onderwerp hoort bij niveau A1, omdat je zonder haben nauwelijks over je dagelijks leven kunt vertellen.

De infinitief (de onverbogen vorm van het werkwoord) is haben. In de tegenwoordige tijd, het Präsens, verandert die vorm bij het onderwerp. Het onderwerp is degene of datgene waarover de zin iets zegt: ich in Ich habe Zeit en der Zug in Der Zug hat Verspätung.

Voor Nederlandstaligen voelt een groot deel vertrouwd: haben lijkt in betekenis en gebruik vaak sterk op hebben. Toch kun je niet simpelweg Nederlandse vormen namaken. Duits heeft du hast zonder b, maar ihr habt juist mét b. Ook de Duitse woordvolgorde en enkele vaste combinaties verdienen aparte aandacht.

Zo werkt het

Alle vormen van haben

Persoon Duits Nederlands Voorbeeld
eerste persoon enkelvoud ich habe ik heb Ich habe Zeit.
tweede persoon enkelvoud, informeel du hast jij hebt Du hast Glück.
derde persoon enkelvoud er/sie/es hat hij/zij/het heeft Er hat ein Auto.
eerste persoon meervoud wir haben wij hebben Wir haben Hunger.
tweede persoon meervoud, informeel ihr habt jullie hebben Ihr habt Besuch.
derde persoon meervoud sie haben zij hebben Sie haben Kinder.
beleefd enkelvoud of meervoud Sie haben u heeft / u hebt Haben Sie Zeit?

De vormen habe, haben en habt bevatten nog de stam hab-. Bij du hast en er/sie/es hat valt de b weg. Dit zijn geen vormen die je betrouwbaar uit een algemene regel kunt afleiden; leer het rijtje daarom als geheel.

Let ook op het verschil tussen sie en Sie. Met een kleine letter betekent sie afhankelijk van de context ‘zij’ of ‘ze’. Met een hoofdletter is Sie de beleefde aanspreekvorm ‘u’. Beide krijgen in het meervoud of als beleefdheidsvorm haben: Sie haben recht. Aan het begin van een zin moet je de betekenis uit de context halen.

Een gewone mededelende zin

In een eenvoudige hoofdzin staat de persoonsvorm (het werkwoord dat bij het onderwerp verandert) op de tweede zinsplaats:

onderwerp + vorm van haben + rest

  • Ich habe heute frei. — Ik ben vandaag vrij.
  • Meine Schwester hat ein Problem. — Mijn zus heeft een probleem.
  • Wir haben am Freitag Unterricht. — Wij hebben vrijdag les.

De eerste zinsplaats kan ook door andere informatie worden ingenomen. Het werkwoord blijft dan op plaats twee en het onderwerp komt erachter:

  • Heute habe ich frei. — Vandaag ben ik vrij.
  • Am Freitag haben wir Unterricht. — Vrijdag hebben wij les.

Dit lijkt op het Nederlands: ook wij zeggen ‘Vandaag heb ik vrij’, niet ‘Vandaag ik heb vrij’. Let wel op wat als één zinsdeel telt: Am Freitag vormt samen de eerste zinsplaats.

Ja-neevragen en vragen met een vraagwoord

Bij een ja-neevraag staat de persoonsvorm vooraan:

vorm van haben + onderwerp + rest?

  • Hast du Zeit? — Heb je tijd?
  • Hat er Geschwister? — Heeft hij broers of zussen?
  • Haben Sie eine Reservierung? — Hebt u een reservering?

Na een vraagwoord staat de persoonsvorm op de tweede plaats:

  • Was hast du da? — Wat heb je daar?
  • Wie viele Kinder haben sie? — Hoeveel kinderen hebben ze?
  • Warum habt ihr keine Zeit? — Waarom hebben jullie geen tijd?

Ontkenning met kein en nicht

Gebruik meestal kein bij een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, ding of begrip) dat zonder ontkenning ein/eine of geen lidwoord zou hebben:

  • Ich habe ein Auto.Ich habe kein Auto.
  • Wir haben Zeit.Wir haben keine Zeit.
  • Sie hat eine Frage.Sie hat keine Frage.

Gebruik nicht om iets anders te ontkennen of om een tegenstelling te maken:

  • Ich habe heute nicht frei. — Ik ben vandaag niet vrij.
  • Er hat das Buch nicht. — Hij heeft het boek niet.
  • Wir haben nicht zwei, sondern drei Katzen. — We hebben niet twee, maar drie katten.

De uitgangen van kein hangen af van geslacht en naamval. De naamval is de vorm die laat zien welke functie een woordgroep in de zin heeft. Voor dit onderwerp is vooral belangrijk dat hetgeen je hebt meestal het lijdend voorwerp is (wie of wat direct bij het werkwoord betrokken is): einen Hund, eine Katze, ein Kind.

Bezit en veelvoorkomende betekenissen

De basisbetekenis is bezit of beschikking:

  • Ich habe einen Schlüssel. — Ik heb een sleutel.
  • Die Wohnung hat einen Balkon. — Het appartement heeft een balkon.

Maar haben komt ook veel voor bij:

  • familie en contacten: Sie hat zwei Brüder.
  • tijd en afspraken: Wir haben morgen einen Termin.
  • lichamelijke behoeften: Ich habe Hunger/Durst.
  • gevoelens en reacties: Das Kind hat Angst.
  • abstracte zaken: Du hast recht. Er hat Glück. Wir haben ein Problem.

Het Nederlands gebruikt hier vaak óók hebben, maar niet altijd dezelfde constructie. Ich habe kalt is bijvoorbeeld geen standaardduits voor ‘Ik heb het koud’; zeg Mir ist kalt. Leer daarom hele combinaties en vertaal niet woord voor woord.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Ich habe Zeit. Ik heb tijd. Eerste persoon enkelvoud
Du hast heute viel Arbeit. Je hebt vandaag veel werk. du hast, zonder b
Er hat ein Auto. Hij heeft een auto. Derde persoon enkelvoud
Sie hat zwei ältere Schwestern. Zij heeft twee oudere zussen. sie betekent hier ‘zij’
Das Hotel hat einen Parkplatz. Het hotel heeft een parkeerplaats. Ook zaken kunnen het onderwerp zijn
Wir haben Hunger. We hebben honger. Vaste combinatie met Hunger
Ihr habt wirklich Glück. Jullie hebben echt geluk. Informeel meervoud
Sie haben morgen Unterricht. Ze hebben morgen les. sie is meervoud
Haben Sie einen Moment? Hebt u een moment? Beleefde vraag met Sie
Hast du Geschwister? Heb je broers of zussen? Ja-neevraag: werkwoord vooraan
Heute habe ich keine Zeit. Vandaag heb ik geen tijd. Tijd vooraan, daarna habe ich
Warum hat Lena Angst? Waarom is Lena bang? Natuurlijk Nederlands gebruikt hier zijn
Wir haben am Montag einen Termin beim Arzt. We hebben maandag een afspraak bij de dokter. Afspraak en tijdsbepaling
Der Zug hat zehn Minuten Verspätung. De trein heeft tien minuten vertraging. Veelgebruikte combinatie
Du hast recht, aber ich habe eine andere Idee. Je hebt gelijk, maar ik heb een ander idee. Twee vormen in één samengestelde zin

Veelgemaakte fouten

1. De b behouden in du hast

  • Fout: Du habst eine Frage.
  • Goed: Du hast eine Frage.
  • Waarom: De juiste vorm is hast, niet een regelmatig gevormd habst. Vergelijk dit juist met ihr habt, waar de b wel blijft staan.

2. hat en habt verwisselen

  • Fout: Ihr hat viel Zeit.
  • Goed: Ihr habt viel Zeit.
  • Waarom: hat hoort bij er, sie, es en bij één naam of zaak. Habt hoort alleen bij informeel meervoud ihr.

3. De Nederlandse woordvolgorde verkeerd overnemen

  • Fout: Heute ich habe frei.
  • Goed: Heute habe ich frei.
  • Waarom: Staat heute vooraan, dan staat de persoonsvorm nog steeds op de tweede zinsplaats. Het onderwerp volgt op het werkwoord.

4. In een ja-neevraag het onderwerp vooropzetten

  • Fout: Du hast Zeit? als neutrale vraag
  • Goed: Hast du Zeit?
  • Waarom: Een gewone ja-neevraag begint met de persoonsvorm. Du hast Zeit? kan in spreektaal wel als verbaasde controlevraag klinken: ‘Jíj hebt tijd?’

5. Nederlandse uitdrukkingen letterlijk vertalen

  • Fout: Ich bin Hunger.
  • Goed: Ich habe Hunger.
  • Waarom: Duits en Nederlands zeggen allebei letterlijk dat iemand honger ‘heeft’. Bij andere gewaarwordingen loopt het juist uiteen: ‘Ik heb het koud’ is Mir ist kalt, niet Ich habe kalt.

6. Sie met hat combineren

  • Fout: Sie hat eine Reservierung? tegen een klant
  • Goed: Haben Sie eine Reservierung?
  • Waarom: Beleefd Sie krijgt altijd de meervoudsvorm haben, ook als je maar één persoon aanspreekt. Sie hat ... betekent ‘Zij heeft ...’.

Gebruiksnotities

Du, ihr en Sie

Gebruik du voor één persoon die je informeel aanspreekt en ihr voor meerdere personen die je informeel aanspreekt. Sie is beleefd en kan naar één of meer personen verwijzen. Welke aanspreekvorm passend is, hangt af van de omgeving, leeftijd, relatie en regionale gewoonte. In een winkel of formeel contact is Haben Sie ...? een veilige keuze.

Het werkwoord maakt het onderscheid hoorbaar: Hast du ...?, Habt ihr ...?, Haben Sie ...? Dit drietal is nuttiger om als vaste reeks te oefenen dan losse Nederlandse vertalingen.

Wanneer Nederlands natuurlijk anders formuleert

Een correcte vertaling hoeft niet dezelfde grammaticale bouw te hebben. Ich habe heute frei wordt natuurlijk ‘Ik ben vandaag vrij’, hoewel er in het Duits haben staat. Lena hat Angst kan ‘Lena is bang’ of ‘Lena heeft angst’ betekenen, maar de eerste Nederlandse zin klinkt in alledaagse taal meestal natuurlijker. Omgekeerd komt haben niet automatisch overal waar Nederlands hebben gebruikt: ‘Ik heb het warm’ is Mir ist warm.

Ook bij bezit kan de context een andere Nederlandse vertaling vragen. Das Zimmer hat zwei Fenster is letterlijk ‘De kamer heeft twee ramen’, maar ‘Er zitten twee ramen in de kamer’ kan stilistisch natuurlijker zijn. Voor het leren van de Duitse grammatica blijft de kern hetzelfde: het onderwerp krijgt de passende vorm van haben.

Uitspraak en informele taal

In verzorgde uitspraak heeft habe twee lettergrepen. In informele gesproken taal valt de slot-e soms weg: ich hab’. Je kunt dat in dialogen, berichten en liedteksten tegenkomen. Als beginner is ich habe altijd correct en de beste vorm voor neutrale schrijftaal. Schrijf niet automatisch hab in formele teksten.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze verklaren vormen die je later vaak zult zien.

Haben als hulpwerkwoord in het perfectum

Haben is niet alleen een zelfstandig werkwoord met de betekenis ‘hebben’. Het dient ook als hulpwerkwoord (een werkwoord dat samen met een andere werkwoordsvorm een tijd vormt) in het Perfekt, een veelgebruikte verleden tijd:

  • Ich habe das Buch gelesen. — Ik heb het boek gelezen.
  • Wir haben lange gearbeitet. — We hebben lang gewerkt.
  • Was hast du gemacht? — Wat heb je gedaan?

Gelesen, gearbeitet en gemacht zijn deelwoorden (werkwoordsvormen die hier samen met het hulpwerkwoord de verleden tijd maken). In een hoofdzin staat de vorm van haben vroeg in de zin en het deelwoord meestal aan het einde. Niet elk Duits werkwoord vormt het Perfekt met haben; een groep gebruikt sein. Dat is een apart A2-onderwerp.

Bijzinnen: haben aan het einde

Na onderschikkende voegwoorden zoals weil (‘omdat’) en dass (‘dat’) staat de persoonsvorm doorgaans aan het einde:

  • Ich bleibe zu Hause, weil ich keine Zeit habe. — Ik blijf thuis omdat ik geen tijd heb.
  • Sie sagt, dass wir Glück haben. — Ze zegt dat we geluk hebben.

Dit verandert de vorm niet: bij ich blijft het habe en bij wir blijft het haben. Alleen de plaats in de zin verandert.

Hätte voor wensen en beleefdheid

Later kom je hätte tegen, de conjunctiefvorm (een vorm voor onder meer wensen, mogelijkheden en beleefde afstand) van haben:

  • Ich hätte gern einen Kaffee. — Ik zou graag een koffie willen.
  • Hättest du morgen Zeit? — Zou je morgen tijd hebben?
  • Wenn ich mehr Zeit hätte, ... — Als ik meer tijd had, ...

Verwar hätte niet met de gewone tegenwoordige tijd hat. Voor een feit zeg je Er hat Zeit; voor een niet-werkelijke of voorzichtiger voorgestelde situatie kan hätte nodig zijn.

De infinitief met zu

In uitgebreidere zinnen verschijnt zu haben:

  • Es ist schön, Zeit zu haben. — Het is fijn om tijd te hebben.
  • Sie scheint recht zu haben. — Ze lijkt gelijk te hebben.

Omdat haben geen scheidbaar werkwoord is, staat zu gewoon vóór de hele infinitief. Deze constructie is geen nieuwe vervoeging van het Präsens, maar bouwt voort op de infinitief.

Oefentips

  1. Leer de vormen in drie contrasten. Zeg hardop: ich habe – du hast – er hat; daarna wir haben – ihr habt – sie haben. Markeer vooral waar de b verdwijnt en terugkomt.
  2. Maak van één zin vier varianten. Begin met Du hast Zeit. Maak daarna de vraag Hast du Zeit?, de ontkenning Du hast keine Zeit en een zin met tijd vooraan: Heute hast du Zeit. Zo oefen je vorm én woordvolgorde.
  3. Verzamel hele combinaties. Noteer niet alleen Hunger of Angst, maar Hunger haben, Angst haben, recht haben, Glück haben en Zeit haben. Schrijf bij elke combinatie één persoonlijke zin en controleer of het Nederlands dezelfde of juist een andere formulering gebruikt.

Gerelateerde concepten

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het DuitsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verb 'haben' im Präsens in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen