Tener (hebben) in het Spaans
El Verbo Tener
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Spaans op Settemila Lingue.
In het kort
Tener betekent vaak hebben, maar het Spaans gebruikt het ook in uitdrukkingen waarvoor het Nederlands soms zijn gebruikt: tengo veinte años betekent ‘ik ben twintig’. De tegenwoordige tijd is onregelmatig: tengo, tienes, tiene, tenemos, tenéis, tienen. Met tener que + infinitief druk je een persoonlijke noodzaak uit: Tenemos que irnos — ‘We moeten weggaan’.
Overzicht
Tener is een van de belangrijkste Spaanse werkwoorden. Je gebruikt het voor bezit (Tengo un coche), leeftijd (Tiene treinta años) en veel alledaagse toestanden zoals honger, dorst, kou, slaap en haast. Het komt daardoor al op A1-niveau voortdurend voor.
Voor Nederlandstaligen is de basisbetekenis gemakkelijk: tener komt vaak overeen met hebben. Toch kun je niet steeds woord voor woord vertalen. In het Nederlands ben je bijvoorbeeld twintig jaar oud en ben je bang; in het Spaans heb je twintig jaar en heb je angst. Zulke combinaties leer je het best als één geheel: tener años, tener miedo.
Tener is onregelmatig. Dat betekent dat niet alle vormen volgens één voorspelbaar patroon worden gemaakt. Vooral tengo wijkt af; in tienes, tiene en tienen verandert de klinker e in ie. De vormen bij nosotros en vosotros behouden de e.
Hoe het werkt
De tegenwoordige tijd
De infinitief (de onvervoegde vorm, zoals ‘hebben’) is tener. In de tegenwoordige tijd krijg je het volgende rijtje:
| Persoon | Vorm | Nederlandse betekenis |
|---|---|---|
| yo | tengo | ik heb |
| tú | tienes | jij hebt |
| él / ella / usted | tiene | hij / zij heeft; u hebt |
| nosotros / nosotras | tenemos | wij hebben |
| vosotros / vosotras | tenéis | jullie hebben |
| ellos / ellas / ustedes | tienen | zij hebben; jullie hebben |
Let op de drie patronen:
- yo: tengo, met een extra g;
- tú, él/ella/usted, ellos/ellas/ustedes: e wordt ie;
- nosotros/as, vosotros/as: regelmatige stam ten-.
Het onderwerp (wie iets heeft of doet) staat in het Spaans vaak niet apart in de zin, omdat de werkwoordsvorm al veel informatie geeft. Tengo tiempo betekent vanzelf ‘ik heb tijd’; yo is niet nodig. Je noemt het onderwerp wel voor nadruk of contrast: Yo tengo tiempo, pero Ana no — ‘Ik heb tijd, maar Ana niet.’
Bezit en wat iemand bij zich heeft
Voor bezit lijkt tener sterk op Nederlands hebben:
- Tengo dos hermanas. — Ik heb twee zussen.
- Marta tiene una bicicleta nueva. — Marta heeft een nieuwe fiets.
- ¿Tienes las llaves? — Heb je de sleutels?
Ook voor iets wat tijdelijk beschikbaar is, gebruik je tener: Hoy no tengo dinero en efectivo — ‘Vandaag heb ik geen contant geld.’
Verwar tener niet met hay. Met tener zeg je wie iets heeft; met hay zeg je dat iets ergens aanwezig is:
| Betekenis | Spaans | Nederlands |
|---|---|---|
| bezit | Tengo un libro. | Ik heb een boek. |
| aanwezigheid | Hay un libro en la mesa. | Er ligt een boek op tafel. |
Leeftijd: tener + aantal + años
In het Spaans ‘heb’ je een aantal jaren:
- Tengo veinticinco años. — Ik ben vijfentwintig jaar.
- ¿Cuántos años tienes? — Hoe oud ben je?
- Mi hijo tiene seis años. — Mijn zoon is zes jaar.
Zet dus niet een vorm van ser (‘zijn’) voor een leeftijd. Het woord años hoort er normaal bij. Bij een baby kun je ook maanden noemen: Tiene nueve meses — ‘Hij/zij is negen maanden oud.’
Lichamelijke toestand en gevoel
Veel vaste uitdrukkingen hebben de bouw tener + zelfstandig naamwoord. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, ding, gevoel of begrip. In het Nederlands staat soms eveneens hebben, maar vaak gebruiken we zijn of een andere formulering.
| Uitdrukking | Natuurlijke Nederlandse betekenis |
|---|---|
| tener hambre | honger hebben |
| tener sed | dorst hebben |
| tener frío | het koud hebben |
| tener calor | het warm hebben |
| tener sueño | slaperig zijn / slaap hebben |
| tener miedo | bang zijn |
| tener prisa | haast hebben |
| tener razón | gelijk hebben |
Deze zelfstandige naamwoorden staan in de basisuitdrukking meestal zonder lidwoord: tengo hambre, niet tengo una hambre. Er kan wel een bepaling bij komen: Tengo mucho sueño — ‘Ik ben erg slaperig.’ Bij miedo volgt vaak a of de: Tiene miedo a las arañas en Tiene miedo de volar.
Bij frío en calor beschrijft tener hoe een persoon zich voelt. Wil je het weer beschrijven, dan gebruik je meestal hace: Hace frío — ‘Het is koud.’ Vergelijk dat met Tengo frío — ‘Ik heb het koud.’
Noodzaak: tener que + infinitief
Met tener que + infinitief zeg je dat een bepaalde persoon iets moet doen. De infinitief is hier de onvervoegde vorm van het tweede werkwoord:
- Tengo que trabajar. — Ik moet werken.
- Tenemos que irnos. — We moeten weggaan.
- ¿Tienes que estudiar hoy? — Moet je vandaag studeren?
Alleen tener wordt vervoegd. Het tweede werkwoord blijft in de infinitief: tengo que llamar, niet tengo que llamo. In de ontkenning staat no vóór tener: No tienes que venir mañana — ‘Je hoeft morgen niet te komen.’ Afhankelijk van de context kan dit ook letterlijk ‘je moet morgen niet komen’ betekenen; wie elk misverstand wil vermijden, kan No es necesario que vengas (‘Het is niet nodig dat je komt’) zeggen.
Vergelijk persoonlijke en algemene noodzaak:
| Constructie | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| tener que + infinitief | iemand moet iets doen | Tengo que pagar hoy. — Ik moet vandaag betalen. |
| hay que + infinitief | men moet; het is nodig | Hay que pagar aquí. — Je moet hier betalen. |
Voorbeelden in context
| Spaans | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Tengo hambre. | Ik heb honger. | Vaste uitdrukking zonder lidwoord. |
| ¿Cuántos años tienes? | Hoe oud ben je? | Leeftijd met tener. |
| Tenemos que irnos. | We moeten weggaan. | Persoonlijke noodzaak. |
| Tienen razón. | Ze hebben gelijk. | Razón staat zonder lidwoord. |
| Mi vecina tiene un perro muy tranquilo. | Mijn buurvrouw heeft een heel rustige hond. | Bezit. |
| ¿Tienes un minuto? | Heb je een minuutje? | Alledaagse vraag om tijd. |
| No tengo las llaves conmigo. | Ik heb de sleutels niet bij me. | Iets bij zich hebben. |
| Los niños tienen sueño. | De kinderen zijn slaperig. | Letterlijk hebben ze ‘slaap’. |
| Tengo mucho frío, pero Ana tiene calor. | Ik heb het erg koud, maar Ana heeft het warm. | Contrast tussen twee gewaarwordingen. |
| ¿Tenéis prisa? | Hebben jullie haast? | Vosotros-vorm, vooral in Spanje. |
| Usted tiene razón, señora. | U hebt gelijk, mevrouw. | Beleefde aanspreekvorm met derde persoon. |
| Mi hermano tiene miedo de volar. | Mijn broer is bang om te vliegen. | Miedo de vóór een infinitief. |
| Hoy tenemos una reunión a las diez. | Vandaag hebben we om tien uur een vergadering. | Een afspraak of activiteit hebben. |
| Tengo que llamar al médico. | Ik moet de dokter bellen. | Tener que met infinitief. |
| Hay café, pero no tengo azúcar. | Er is koffie, maar ik heb geen suiker. | Contrast tussen hay en tener. |
Veelgemaakte fouten
Leeftijd met ser uitdrukken
- Onjuist: Soy treinta años.
- Juist: Tengo treinta años.
- Waarom: Spaans gebruikt tener voor leeftijd. De Nederlandse formulering ‘ik ben dertig’ kun je hier niet letterlijk overnemen.
De klinkerverandering overal toepassen
- Onjuist: Nosotros tienemos tiempo.
- Juist: Nosotros tenemos tiempo.
- Waarom: De verandering e → ie komt niet voor bij nosotros/as en vosotros/as: tenemos, tenéis.
De onregelmatige ik-vorm vergeten
- Onjuist: Yo teno hambre.
- Juist: Yo tengo hambre.
- Waarom: De ik-vorm is tengo, niet een vorm die je alleen door de gewone uitgang -o te gebruiken zou krijgen.
Ser of estar gebruiken bij vaste tener-uitdrukkingen
- Onjuist: Estoy hambre.
- Juist: Tengo hambre.
- Waarom: Het Nederlands zegt ook ‘honger hebben’, maar bij ‘bang zijn’ of ‘slaperig zijn’ lokt de Nederlandse formulering sneller een verkeerde vorm van ‘zijn’ uit. Leer tener hambre, tener miedo en tener sueño als vaste combinaties.
Het tweede werkwoord vervoegen na tener que
- Onjuist: Tengo que trabajo mañana.
- Juist: Tengo que trabajar mañana.
- Waarom: Na que volgt de infinitief: trabajar. Alleen tener past zich aan het onderwerp aan.
Tener en hay verwarren
- Onjuist: Tiene dos restaurantes en esta calle als je alleen bedoelt dat er twee restaurants zijn.
- Juist: Hay dos restaurantes en esta calle.
- Waarom: Tener heeft een bezitter als onderwerp. Hay meldt dat iets bestaat of aanwezig is.
Gebruiksnotities
Tú, usted, vosotros en ustedes
Tú is informeel enkelvoud; usted is beleefd enkelvoud en krijgt de vorm tiene. In het grootste deel van Spanje is vosotros/as tenéis de gewone informele meervoudsvorm. In Latijns-Amerika gebruikt men doorgaans ustedes tienen voor ‘jullie’, zowel informeel als beleefd. Ellos/ellas tienen heeft dezelfde werkwoordsvorm, maar betekent ‘zij hebben’.
In gebieden waar vos gebruikelijk is, hoor je vos tenés in plaats van tú tienes. Dat is een normale regionale vorm, onder meer in Argentinië en Uruguay. Als beginner kun je eerst tú tienes leren; herkenning van vos tenés is later handig.
Hoe sterk is een toestand?
Bij veel uitdrukkingen kun je de intensiteit aangeven met mucho/a of un poco de:
- Tengo mucha hambre. — Ik heb veel honger.
- Tenemos mucho frío. — We hebben het erg koud.
- Tiene un poco de miedo. — Hij/zij is een beetje bang.
Mucho past zich aan het zelfstandig naamwoord aan: mucha hambre omdat hambre grammaticaal vrouwelijk is, maar mucho frío en mucho sueño. Hoewel hambre met een beklemtoonde a begint, blijft het bijvoeglijke woord hier vrouwelijk: mucha hambre.
Bezit is niet altijd tener
Nederlands hebben wordt niet automatisch tener. Voor voltooide tijden, zoals ‘ik heb gegeten’, gebruikt Spaans het hulpwerkwoord haber: he comido, niet tengo comido. Een hulpwerkwoord helpt een andere werkwoordsvorm om een tijd of constructie te maken. Voor ‘er is/er zijn’ gebruik je hay. Kijk dus steeds of hebben werkelijk bezit, een toestand of een verplichting uitdrukt.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze maken tener tot een completer werkwoord dan alleen ‘hebben’.
Andere tijden en vormen
De belangrijkste niet-tegenwoordige vormen zijn eveneens onregelmatig of hebben een bijzondere stam:
| Vorm of tijd | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|
| infinitief | tener | hebben |
| gerundium | teniendo | hebbend / terwijl iemand heeft |
| voltooid deelwoord | tenido | gehad |
| eenvoudige verleden tijd | tuve, tuviste, tuvo, tuvimos, tuvisteis, tuvieron | had / kreeg in een afgeronde situatie |
| onvoltooid verleden tijd | tenía, tenías, tenía, teníamos, teníais, tenían | had; bezat; verkeerde in een toestand |
| toekomst | tendré, tendrás, tendrá… | zal hebben |
Het voltooid deelwoord is een vorm die onder meer in voltooide tijden voorkomt: He tenido fiebre — ‘Ik heb koorts gehad.’ Daar is he een vorm van haber en tenido het deelwoord van tener.
Tener ganas de
Met tener ganas de + zelfstandig naamwoord of infinitief zeg je dat je ergens zin in hebt:
- Tengo ganas de viajar. — Ik heb zin om te reizen.
- ¿Tienes ganas de un café? — Heb je zin in koffie?
Dit is een zeer gangbare uitbreiding van het basispatroon. Na de komt een infinitief als er een handeling volgt.
Tener lugar en tener en cuenta
Enkele veelvoorkomende combinaties hebben een betekenis die je niet woord voor woord kunt raden:
- La reunión tendrá lugar el lunes. — De vergadering vindt maandag plaats.
- Hay que tener en cuenta el precio. — Je moet rekening houden met de prijs.
- No tiene nada que ver conmigo. — Het heeft niets met mij te maken.
Zie deze combinaties als vaste woordgroepen. Vooral tener que ver con bevat wel tener que, maar drukt géén verplichting uit: Tiene que ver con el trabajo betekent ‘Het heeft met het werk te maken’, niet ‘het moet het werk zien’.
Tener als resultaatconstructie
In gevorderd taalgebruik kan tener met een voltooid deelwoord een bereikt resultaat benadrukken: Tengo preparadas las maletas — ‘Ik heb de koffers klaarstaan / ingepakt.’ Het deelwoord past dan vaak in geslacht en getal bij datgene waarop het slaat: las maletas preparadas. Dit is iets anders dan de gewone voltooide tijd met haber, waarin het deelwoord niet zo wordt aangepast: He preparado las maletas — ‘Ik heb de koffers ingepakt.’
Oefentips
- Leer het rijtje in drie blokken. Zeg hardop: tengo; tienes, tiene, tienen; tenemos, tenéis. Zo onthoud je zowel de extra g als de klinkerverandering.
- Maak persoonlijke zinnen. Schrijf voor elke dag vijf korte zinnen met tener: je leeftijd, wat je bij je hebt, hoe je je voelt, hoeveel tijd je hebt en wat je moet doen. Bijvoorbeeld: Tengo sueño, pero tengo que estudiar.
- Vertaal niet alleen het woord ‘hebben’. Noteer hele combinaties op kaartjes: tener razón ↔ ‘gelijk hebben’, tener miedo ↔ ‘bang zijn’, tener que salir ↔ ‘moeten vertrekken’. Dat voorkomt dat Nederlandse patronen ongemerkt de Spaanse zin bepalen.
Verwante onderwerpen
- Voorkennis: Onderwerpvoornaamwoorden — helpt je herkennen bij welke persoon tengo, tienes en de andere vormen horen.
- Vergelijking: Hay: er is en er zijn — maakt het verschil duidelijk tussen bezit en aanwezigheid.
- Volgende stap: De voltooid tegenwoordige tijd — laat zien waarom Spaans haber en niet tener gebruikt in vormen zoals he comido en he tenido.
Vereiste kennis
Onderwerpsvoornaamwoorden in het SpaansA1Concepten die hierop voortbouwen
Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen El Verbo Tener in Spaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Spaans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen