Bepaalde lidwoorden in de Duitse nominatief
Bestimmte Artikel im Nominativ
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.
Kort gezegd
In de nominatief gebruik je der bij mannelijke woorden, die bij vrouwelijke woorden, das bij onzijdige woorden en die bij alle meervouden: der Mann, die Frau, das Kind, die Kinder. De nominatief staat vooral bij het onderwerp: de persoon of zaak die iets doet of waarover iets wordt gezegd.
Overzicht
De Duitse bepaalde lidwoorden komen meestal overeen met het Nederlandse de en het. Duits heeft in het enkelvoud echter drie grammaticale geslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Daardoor moet je niet uit twee, maar uit drie lidwoorden kiezen: der, die of das. In het meervoud is het lidwoord altijd die.
Dit is een van de eerste onderwerpen op A1-niveau, maar het vormt de basis voor veel latere grammatica. Een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, ding, plaats of begrip) heeft in het Duits een vast grammaticaal geslacht. Dat geslacht is niet altijd logisch en komt niet steeds overeen met het Nederlands. Leer daarom niet alleen Tisch, maar der Tisch; niet alleen Tür, maar die Tür; en niet alleen Buch, maar das Buch.
De term nominatief duidt een naamval aan. Een naamval is een vorm die laat zien welke functie een woordgroep in de zin heeft. De nominatief gebruik je in de eerste plaats voor het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert, of over wie of wat iets wordt gezegd). In Der Zug kommt is der Zug het onderwerp. De vorm van het lidwoord hangt dus af van twee vragen: welk geslacht of getal heeft het zelfstandig naamwoord, en staat de woordgroep in de nominatief?
Zo werkt het
De vier basisvormen
| Geslacht en getal | Lidwoord | Voorbeeld | Betekenis |
|---|---|---|---|
| mannelijk enkelvoud | der | der Mann | de man |
| vrouwelijk enkelvoud | die | die Frau | de vrouw |
| onzijdig enkelvoud | das | das Kind | het kind |
| meervoud, alle geslachten | die | die Kinder | de kinderen |
De beginnersregel is dus:
- der + mannelijk zelfstandig naamwoord;
- die + vrouwelijk zelfstandig naamwoord;
- das + onzijdig zelfstandig naamwoord;
- die + elk meervoud.
Die kan zowel vrouwelijk enkelvoud als meervoud zijn. Vergelijk die Lehrerin arbeitet (de lerares werkt) en die Lehrerinnen arbeiten (de leraressen werken). Vaak maakt de werkwoordsvorm duidelijk of het om één of meer personen gaat.
De nominatief herkennen
Zoek eerst de persoonsvorm: het werkwoord dat met het onderwerp overeenkomt. Vraag daarna: “Wie of wat doet dit?”
- Der Hund bellt. Wie blaft? Der Hund.
- Die Lampe leuchtet. Wat brandt? Die Lampe.
- Das Essen ist fertig. Wat is klaar? Das Essen.
- Die Gäste warten. Wie wachten? Die Gäste.
Het onderwerp staat niet noodzakelijk aan het begin. In Heute kommt der Techniker staat der Techniker later in de zin, maar hij is nog steeds degene die komt en staat daarom in de nominatief. Vertrouw dus niet alleen op de woordvolgorde.
Bepaald betekent: herkenbaar of specifiek
Je gebruikt een bepaald lidwoord als spreker en luisteraar kunnen vaststellen om welke persoon of zaak het gaat. Dat kan doordat die al genoemd is, zichtbaar is, uniek is in de situatie of nader wordt bepaald.
- Der Schlüssel liegt auf dem Tisch. Het gaat om een herkenbare sleutel.
- Die Frau aus Berlin kommt morgen. De toevoeging aus Berlin maakt duidelijk welke vrouw bedoeld wordt.
- Mach bitte das Fenster zu. In de situatie is duidelijk welk raam bedoeld wordt.
Dat lijkt sterk op Nederlands de/het. Het grote verschil zit niet in de betekenis van bepaaldheid, maar in de keuze van de Duitse vorm.
Geslacht: leer het lidwoord mee
Het natuurlijke geslacht van een persoon helpt soms: der Vater, die Mutter. Toch gaat grammaticaal geslacht over het woord, niet rechtstreeks over de persoon of het ding. Daarom is das Mädchen onzijdig, hoewel het naar een meisje verwijst: het achtervoegsel -chen maakt zelfstandige naamwoorden onzijdig.
Sommige uitgangen geven een bruikbare aanwijzing:
| Vaak mannelijk | Vaak vrouwelijk | Vaak onzijdig |
|---|---|---|
| dagen, maanden en seizoenen: der Montag, der Mai, der Winter | -ung, -heit, -keit, -schaft, -tion: die Zeitung, die Freiheit | -chen, -lein, veel woorden op -ment: das Mädchen, das Instrument |
Dit zijn hulpmiddelen, geen volledige vervanging voor het woordenboek. Bij gewone woorden zonder herkenbare uitgang kun je het lidwoord meestal niet betrouwbaar raden. Noteer ook het meervoud: das Buch – die Bücher.
Verschil met het Nederlands
Een Nederlands het-woord is vaak onzijdig in het Duits, maar zeker niet altijd. Het huis is inderdaad das Haus, terwijl het boek das Buch is. Daartegenover staat het station = der Bahnhof en de auto = das Auto. Een Nederlandse gewoonte als “het klinkt als een de-woord” helpt dus nauwelijks.
Ook verleidelijk is om Nederlands de automatisch met die te vertalen. Dat gaat fout bij mannelijke woorden: de tafel is der Tisch, niet die Tisch. Het Duitse lidwoord hoort bij het Duitse woord, onafhankelijk van het Nederlandse lidwoord.
Voorbeelden in context
| Duits | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Der Mann ist groß. | De man is lang. | Mannelijk onderwerp. |
| Die Frau arbeitet heute zu Hause. | De vrouw werkt vandaag thuis. | Vrouwelijk onderwerp. |
| Das Kind spielt im Garten. | Het kind speelt in de tuin. | Onzijdig onderwerp. |
| Die Kinder spielen im Garten. | De kinderen spelen in de tuin. | Meervoud; altijd die. |
| Der Bus kommt in fünf Minuten. | De bus komt over vijf minuten. | Der Bus is mannelijk. |
| Heute ist die Küche besonders warm. | Vandaag is de keuken bijzonder warm. | Het onderwerp staat niet vooraan. |
| Wo ist das Handy? | Waar is de mobiele telefoon? | Onzijdig onderwerp in een vraag. |
| Die Nachbarn sind sehr freundlich. | De buren zijn erg vriendelijk. | Meervoud met een meervoudige werkwoordsvorm. |
| Der Kaffee ist schon kalt. | De koffie is al koud. | Duits mannelijk, ondanks Nederlands de. |
| Die Tür ist offen, aber das Fenster ist zu. | De deur is open, maar het raam is dicht. | Twee verschillende geslachten. |
| Morgen beginnt der Kurs. | Morgen begint de cursus. | Plaats in de zin verandert de naamval niet. |
| Das Mädchen liest ein Buch. | Het meisje leest een boek. | -chen maakt het woord onzijdig. |
In al deze zinnen is de vetgedrukte woordgroep het onderwerp en daarom nominatief. Let bij het leren zowel op het lidwoord als op de werkwoordsvorm: die Frau arbeitet, maar die Frauen arbeiten.
Veelgemaakte fouten
Nederlands de automatisch als die vertalen
- Fout: Die Tisch ist neu.
- Goed: Der Tisch ist neu.
- Waarom: Tisch is in het Duits mannelijk. Het Nederlandse lidwoord voorspelt het Duitse geslacht niet.
Bij een onzijdig woord der gebruiken omdat een mannelijke persoon bedoeld is
- Fout: Der Mädchen wartet draußen.
- Goed: Das Mädchen wartet draußen.
- Waarom: Het grammaticale geslacht volgt het woord. Door -chen is Mädchen onzijdig.
Vergeten dat alle meervouden die krijgen
- Fout: Der Männer arbeiten hier.
- Goed: Die Männer arbeiten hier.
- Waarom: In de nominatief heeft ieder meervoud die, ongeacht het geslacht van het enkelvoud: der Mann, maar die Männer.
Het eerste zinsdeel automatisch als onderwerp zien
- Fout gedacht: In Heute kommt der Arzt zou heute het onderwerp zijn.
- Goed: Der Arzt is het onderwerp en staat in de nominatief.
- Waarom: Heute vertelt wanneer iets gebeurt. De arts voert de handeling uit. In Duitse hoofdzinnen kan vóór het werkwoord ook een tijds- of plaatsbepaling staan.
Der gebruiken bij een mannelijk lijdend voorwerp
- Fout: Ich sehe der Mann.
- Goed: Ich sehe den Mann.
- Waarom: Der Mann is hier niet het onderwerp, maar het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat). Dat staat in de accusatief. Vooral bij mannelijke woorden is het verschil zichtbaar: nominatief der, accusatief den.
Het zelfstandig naamwoord zonder lidwoord uit het hoofd leren
- Onhandig: alleen Zeitung onthouden.
- Beter: die Zeitung – die Zeitungen onthouden.
- Waarom: Zonder het geslacht kun je later niet betrouwbaar het juiste lidwoord, voornaamwoord of bijvoeglijk naamwoord kiezen.
Gebruiksnotities
Een bepaald lidwoord is niet verplicht bij elk zelfstandig naamwoord. Eigennamen staan meestal zonder lidwoord: Anna kommt aus Köln. Ook beroepen na sein staan vaak zonder lidwoord wanneer je alleen iemands beroep noemt: Sie ist Ärztin. Zeg je Sie ist die Ärztin, dan bedoel je bijvoorbeeld “zij is de arts om wie het gaat” of “zij is dé arts”.
Bij algemene uitspraken gebruikt Duits soms een bepaald lidwoord waar Nederlands dat ook doet: Der Mensch braucht Schlaf (“de mens heeft slaap nodig”). In alledaagse taal is een meervoud zonder lidwoord eveneens mogelijk voor een algemene groep: Kinder brauchen Schlaf (“kinderen hebben slaap nodig”). Het verschil gaat dan om betekenis en stijl, niet om de vorm van de nominatief.
In gesproken Duits kunnen regionale vormen voorkomen, maar in verzorgd Standaardduits blijven der, die, das, die de vormen die je moet leren en gebruiken. In informele uitspraak worden lidwoorden soms minder duidelijk uitgesproken; laat ze daarom bij het schrijven niet weg.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A1-niveau nog niet volledig te beheersen, maar ze verklaren vormen die je later vaak tegenkomt.
Het lidwoord verandert met de naamval
Der, die, das, die zijn alleen de nominatiefvormen. Dezelfde zelfstandige naamwoorden kunnen in een andere naamval een ander lidwoord krijgen.
| Functie | Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | Meervoud |
|---|---|---|---|---|
| nominatief | der Mann | die Frau | das Kind | die Kinder |
| accusatief | den Mann | die Frau | das Kind | die Kinder |
Bij de accusatief verandert in deze vergelijking alleen het mannelijke lidwoord. Daardoor is der/den een belangrijk signaal: Der Mann sieht den Hund. De man is het onderwerp; de hond is het lijdend voorwerp. Andere naamvallen, zoals datief en genitief, hebben nog meer vormen.
Nominatief na sein, werden en bleiben
Na sein (zijn), werden (worden) en bleiben (blijven) kan een tweede zelfstandig naamwoord dezelfde persoon of zaak benoemen. Dat is geen lijdend voorwerp en staat eveneens in de nominatief:
- Thomas ist der Lehrer. Thomas is de leraar.
- Mia wird die neue Leiterin. Mia wordt de nieuwe leidinggevende.
- Berlin bleibt die Hauptstadt. Berlijn blijft de hoofdstad.
Dit heet een naamwoordelijk deel: een zinsdeel dat na een koppelwerkwoord zegt wat of wie het onderwerp is. Zonder specifieke betekenis kan het lidwoord ontbreken, zoals in Thomas ist Lehrer. Met der Lehrer gaat het om een bepaalde, herkenbare leraar.
Het lidwoord stuurt ook de uitgang van een bijvoeglijk naamwoord
Komt er een bijvoeglijk naamwoord tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord, dan krijgt dat woord een uitgang: der alte Mann, die nette Frau, das kleine Kind, die neuen Häuser. Het lidwoord geeft al veel informatie over geslacht, getal en naamval; daardoor volgt na een bepaald lidwoord in deze nominatiefvormen meestal -e in het enkelvoud en -en in het meervoud. Dit hoort bij de latere verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden.
Woorden kunnen van geslacht verschillen naargelang de betekenis
Een klein aantal zelfstandige naamwoorden heeft meer dan één geslacht met een betekenisverschil. Een bekend voorbeeld is der See (“het meer”) tegenover die See (“de zee”). Zulke gevallen leer je het best als afzonderlijke woordcombinaties. Ze veranderen de basisregel niet: zodra je het bedoelde woord en zijn geslacht kent, kies je de bijbehorende vorm.
Oefentips
- Leer in drietallen. Noteer bij elk nieuw woord het lidwoord én het meervoud: der Stuhl – die Stühle, die Lampe – die Lampen, das Bild – die Bilder. Gebruik kleuren alleen als geheugensteun; spreek het lidwoord steeds hardop mee.
- Zoek het onderwerp. Neem korte Duitse zinnen en onderstreep eerst wie of wat iets doet. Controleer daarna of het lidwoord past bij het geslacht en getal. Verplaats vervolgens een tijdsbepaling naar voren: Der Zug kommt heute → Heute kommt der Zug.
- Oefen contrasten. Maak reeksen met één voorbeeld per categorie: der Hund, die Katze, das Pferd, die Tiere. Voeg daarna een werkwoord toe. Zo verbind je de vier lidwoorden direct met echte zinnen.
Verwante onderwerpen
- Volgende stap: Onbepaalde lidwoorden in de nominatief — leer ein, eine, kein en keine.
- Volgende stap: Accusatief bij lidwoorden — zie wanneer mannelijk der in den verandert.
- Uitbreiding: Bezittelijke lidwoorden — gebruik vormen zoals mein, dein en sein.
- Woordenschatbasis: Meervoudsvorming — combineer meervoudsvormen met nominatief die.
- Aanwijzen en benadrukken: Aanwijzende voornaamwoorden — vergelijk der/die/das met dieser/diese/dieses.
- Later op A2-niveau: Verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden na een bepaald lidwoord — leer vormen als der gute Kaffee en die neuen Bücher.
- Gevorderd: Nominalisering — zie hoe andere woordsoorten als zelfstandige naamwoorden worden gebruikt.
Concepten die hierop voortbouwen
Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Bestimmte Artikel im Nominativ in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen