A1

Accusatief met lidwoorden in het Duits

Akkusativ (Artikel)

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

In het kort

De Duitse accusatief gebruik je onder meer voor het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling direct ondergaat). Bij de lidwoorden is de beginnersregel overzichtelijk: alleen het mannelijk enkelvoud verandert zichtbaar, namelijk der → den en ein → einen. Vrouwelijk, onzijdig en meervoud hebben in de nominatief en accusatief dezelfde lidwoordvorm.

Overzicht

In het Duits laat een naamval zien welke functie een woordgroep in de zin heeft. Het onderwerp — degene die iets doet — staat meestal in de nominatief. Het lijdend voorwerp — de persoon of zaak waarop de handeling rechtstreeks gericht is — staat vaak in de accusatief. In Der Mann kauft den Apfel is der Mann de koper en den Apfel datgene wat hij koopt.

Dit is een van de eerste naamvalsregels op A1-niveau. De regel zelf is klein, maar belangrijk: een verkeerd lidwoord kan verhullen wie wat doet. Dankzij de uitgangen kan het Duits soms ook een andere woordvolgorde gebruiken zonder dat de rollen veranderen.

Voor Nederlandstaligen voelt vooral het veranderen van het lidwoord ongewoon. In het Nederlands blijft de man hetzelfde in de man ziet mij en ik zie de man. Het Duits maakt het verschil bij een mannelijk zelfstandig naamwoord zichtbaar: der Mann als onderwerp, maar den Mann als lijdend voorwerp.

Hoe het werkt

Stap 1: zoek het werkwoord en het onderwerp

Vraag eerst: wie of wat voert de handeling uit? Dat is het onderwerp en staat doorgaans in de nominatief.

  • Die Frau liest das Buch. — Wie leest? die Frau.
  • Der Junge braucht einen Stift. — Wie heeft iets nodig? der Junge.

Stap 2: zoek het lijdend voorwerp

Vraag daarna: wie of wat ondergaat de handeling rechtstreeks? Bij veel gewone werkwoorden, zoals sehen (zien), kaufen (kopen), haben (hebben), brauchen (nodig hebben), lesen (lezen) en essen (eten), staat dit zinsdeel in de accusatief.

  • Die Frau liest das Buch. — Wat leest ze? Het boek.
  • Der Junge braucht einen Stift. — Wat heeft hij nodig? Een pen.

De Nederlandse vraag wie of wat + werkwoord + onderwerp? kan helpen, maar leer veelgebruikte Duitse werkwoorden ook met hun naamval. Niet elk Duits werkwoord volgt precies hetzelfde patroon als zijn Nederlandse vertaling.

Bepaald lidwoord

Het bepaald lidwoord verwijst naar een bepaalde of al bekende persoon of zaak: der, die, das komt meestal overeen met Nederlands de of het.

Geslacht/getal Nominatief Accusatief Nederlandse betekenis
mannelijk enkelvoud der Mann den Mann de man
vrouwelijk enkelvoud die Frau die Frau de vrouw
onzijdig enkelvoud das Kind das Kind het kind
meervoud die Leute die Leute de mensen

De opvallende vorm is dus den. Een nuttige geheugenregel is: mannelijk krijgt in de accusatief een -n.

Onbepaald lidwoord

Het onbepaald lidwoord ein betekent een. Ook hier verandert alleen het mannelijk enkelvoud zichtbaar.

Geslacht Nominatief Accusatief Nederlandse betekenis
mannelijk ein Mann einen Mann een man
vrouwelijk eine Frau eine Frau een vrouw
onzijdig ein Kind ein Kind een kind

Er bestaat geen meervoud van ein. Je gebruikt bijvoorbeeld Kinder zonder lidwoord of een woord als keine of meine.

Kein en bezittelijke woorden volgen hetzelfde patroon

Kein (geen) en bezittelijke woorden zoals mein (mijn), dein (jouw), sein (zijn) en ihr (haar/hun) krijgen dezelfde uitgangen als ein.

Type Mannelijk nominatief Mannelijk accusatief
onbepaald ein Hund einen Hund
ontkennend kein Hund keinen Hund
bezittelijk mein Hund meinen Hund
bezittelijk dein Hund deinen Hund

Vergelijk: Mein Bruder hat einen Hundmein Bruder is het onderwerp, terwijl einen Hund het lijdend voorwerp is.

Wat niet zichtbaar verandert

Dat die Frau, das Kind en die Bücher niet veranderen, betekent niet dat ze geen accusatief zijn. De functie in de zin bepaalt de naamval; de vorm maakt die functie alleen niet altijd zichtbaar.

  • Die Frau sieht die Katze. — de vrouw is nominatief; de kat is accusatief.
  • Das Kind liest das Buch. — het kind is nominatief; het boek is accusatief.

Kijk daarom nooit alleen naar de vorm die of das. Kijk ook naar het werkwoord en naar de betekenis van de hele zin.

De woordvolgorde verandert de naamval niet

In een gewone mededelende hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinsplaats. Het onderwerp kan vóór of na een ander zinsdeel staan:

  • Der Mann kauft den Mantel.
  • Den Mantel kauft der Mann heute.

In beide zinnen koopt de man de jas. De vorm den Mantel laat zien dat de jas het lijdend voorwerp is. De tweede zin legt extra nadruk op de jas en is daarom niet de neutrale beginnersvolgorde.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Ich sehe den Mann. Ik zie de man. Mannelijk bepaald lidwoord: der wordt den.
Sie kauft einen Apfel. Zij koopt een appel. Mannelijk onbepaald lidwoord: ein wordt einen.
Er hat die Zeitung. Hij heeft de krant. Vrouwelijk blijft die.
Wir brauchen das Auto heute. We hebben de auto vandaag nodig. Onzijdig blijft das.
Kennst du den neuen Nachbarn? Ken je de nieuwe buurman? De persoon die je kent staat in de accusatief.
Lena bestellt eine Suppe. Lena bestelt een soep. Vrouwelijk eine verandert niet.
Das Kind isst ein Brot. Het kind eet een broodje. Onzijdig ein verandert niet.
Ich finde meinen Schlüssel nicht. Ik kan mijn sleutel niet vinden. Mein volgt het patroon van ein: meinen.
Paul hat keinen Regenschirm. Paul heeft geen paraplu. Mannelijk kein wordt keinen.
Die Lehrerin fragt den Schüler. De lerares ondervraagt de leerling. Den Schüler is de persoon op wie de handeling gericht is.
Morgen besuchen wir unsere Freunde. Morgen bezoeken we onze vrienden. Meervoud blijft bij dit woord unsere.
Den Kaffee trinkt Mia ohne Milch. De koffie drinkt Mia zonder melk. Vooropplaatsing geeft nadruk; den toont de accusatief.
Es gibt hier einen kleinen Park. Er is hier een klein park. Na es gibt staat de woordgroep in de accusatief.
Der Vater liest dem Kind ein Buch vor. De vader leest het kind een boek voor. Ein Buch is accusatief; dem Kind is datief.

Veelgemaakte fouten

Der laten staan bij een mannelijk lijdend voorwerp

  • Fout: Ich sehe der Mann.
  • Goed: Ich sehe den Mann.
  • Waarom: der Mann is hier niet het onderwerp maar het lijdend voorwerp. Mannelijk der wordt daarom den.

De -en van einen vergeten

  • Fout: Sie kauft ein Apfel.
  • Goed: Sie kauft einen Apfel.
  • Waarom: Apfel is mannelijk (der Apfel). In de accusatief wordt ein dus einen.

Alle lidwoorden proberen te veranderen

  • Fout: Er liest den Zeitung.
  • Goed: Er liest die Zeitung.
  • Waarom: Zeitung is vrouwelijk. Alleen het mannelijk enkelvoud heeft bij deze lidwoorden een andere accusatiefvorm.

Uitgaan van het Nederlandse lidwoord

  • Fout denkpatroon: boek heeft in het Nederlands het, dus Buch zal wel mannelijk of onzijdig zijn op basis van die vertaling.
  • Goed: leer das Buch als één geheel.
  • Waarom: Duits en Nederlands delen veel woorden, maar hun grammaticale geslacht komt niet altijd overeen. De accusatiefvorm kun je pas kiezen als je het Duitse geslacht kent.

Aannemen dat het eerste zinsdeel altijd het onderwerp is

  • Fout: in Den Hund sieht das Kind den Hund als onderwerp lezen.
  • Goed: das Kind ziet den Hund.
  • Waarom: den markeert het mannelijke lijdend voorwerp. De eerste plaats geeft hier nadruk, niet de functie van onderwerp.

Na sein ten onrechte de accusatief gebruiken

  • Fout: Das ist einen guten Plan.
  • Goed: Das ist ein guter Plan.
  • Waarom: sein (zijn) koppelt twee benamingen voor dezelfde persoon of zaak. Wat na sein staat is geen lijdend voorwerp en blijft nominatief.

Gebruiksnotities

In alledaags Duits komen accusatiefobjecten voortdurend voor. Vooral bij personen en concrete zaken is het patroon vaak hetzelfde als in het Nederlands: iemand ziet, koopt, bezoekt of nodig heeft iets of iemand. Toch is de Duitse vorm niet optioneel. In informele spreektaal wordt einen soms gereduceerd uitgesproken, maar in verzorgd schrijven noteer je altijd de volledige vorm.

Sommige mannelijke zelfstandige naamwoorden krijgen zelf ook een uitgang. Zo wordt der Student in de accusatief den Studenten en der Junge wordt den Jungen. Dit heet zwakke verbuiging. Het lidwoord volgt nog steeds de gewone regel; alleen komt er daarnaast een uitgang aan het zelfstandig naamwoord. Leer zulke woorden bij voorkeur met een voorbeeldvorm.

Let ook op samentrekkingen van voorzetsel en lidwoord. Durch das kan bijvoorbeeld durchs worden, en um das kan in bepaalde vaste formuleringen ums worden. Dat verandert niets aan de naamval: in Wir gehen durchs Zentrum staat das Zentrum nog steeds in de accusatief.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet volledig te beheersen, maar ze verklaren vormen die je later tegenkomt.

Niet alleen lijdende voorwerpen

De accusatief wordt ook opgelegd door bepaalde voorzetsels, waaronder durch, für, gegen, ohne en um: für einen Freund, ohne den Schlüssel. Daarnaast bestaan er wisselvoorzetsels, zoals in, an, auf en unter. Die krijgen vaak accusatief bij een gerichte verplaatsing naar een bestemming en datief bij een plaats:

  • Ich gehe in den Park. — Ik ga het park in.
  • Ich bin in dem Park. — Ik ben in het park.

“Beweging betekent accusatief” is te grof. Het gaat bij wisselvoorzetsels om de vraag of er een grens of bestemming wordt bereikt (waarheen?) of een locatie wordt beschreven (waar?).

Werkwoorden bepalen soms een onverwachte naamval

De vraagmethode voor het lijdend voorwerp is nuttig, maar niet onfeilbaar. Sommige Duitse werkwoorden verlangen de datief, ook waar een Nederlandstalige niet meteen een verschil verwacht: Ich helfe dem Mann en Ich folge dem Bus. Leer daarom bij twijfel het werkwoord samen met zijn vaste naamval.

Bijvoeglijke naamwoorden dragen ook naamvalsinformatie

Een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt, zoals nieuw of goed) krijgt in het Duits een uitgang. Na den en einen zie je bij mannelijk accusatief meestal -en:

  • den neuen Mantel
  • einen guten Kaffee
  • meinen alten Computer

Zonder lidwoord draagt het bijvoeglijk naamwoord meer informatie: Ich trinke kalten Kaffee. De volledige verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden is een apart onderwerp; voor nu is het patroon den/einen + bijvoeglijk naamwoord op -en het nuttigst.

Naamval maakt nadruk mogelijk

Omdat der en den de rollen kunnen markeren, laat het Duits meer variatie toe dan de vaste Nederlandse volgorde doet vermoeden:

  • Der Hund beißt den Mann. — De hond bijt de man.
  • Den Mann beißt der Hund. — De man, díé bijt de hond.

De tweede volgorde is gemarkeerd en past alleen in een context waarin den Mann voorop moet staan. Gebruik als beginner de neutrale volgorde onderwerp–werkwoord–object, maar leer zulke zinnen wel herkennen.

Oefentips

  1. Leer elk zelfstandig naamwoord met zijn lidwoord. Noteer niet alleen Apfel, maar der Apfel. Maak daarna het paar der Apfel → einen Apfel.
  2. Markeer rollen met kleuren. Onderstreep in tien korte zinnen het onderwerp in één kleur en het lijdend voorwerp in een andere. Controleer pas daarna het lidwoord.
  3. Oefen vooral mannelijk enkelvoud. Zet zinnen om: Der Mann kauft den MantelIch sehe den Mann. Als den en einen automatisch gaan, zijn de andere vormen veel eenvoudiger.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Bepaalde lidwoorden in de Duitse nominatiefA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Akkusativ (Artikel) in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen