Akkusativpronomen in het Duits
Akkusativpronomen
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Een persoonlijk voornaamwoord krijgt in het Duits de accusatief wanneer het het lijdend voorwerp is: de persoon of zaak die de handeling rechtstreeks ondergaat. Zo wordt ich mich in Er sieht mich en er ihn in Kennst du ihn? Niet alle vormen veranderen zichtbaar, dus leer de hele reeks als paren: ich–mich, du–dich, er–ihn enzovoort.
Overzicht
Duitse persoonlijke voornaamwoorden kunnen verschillende vormen hebben naargelang hun functie in de zin. Het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert) staat in de nominatief: ich, du, er. Het lijdend voorwerp staat meestal in de accusatief: mich, dich, ihn. In Er sieht mich is er degene die ziet en mich degene die gezien wordt.
Dit is basisstof op A1-niveau, maar wel een belangrijk verschil met het Nederlands. In het Nederlands zeggen we bijvoorbeeld ik zie hem en hij ziet mij. Ook daar bestaan verschillende vormen, maar het Duitse systeem is uitgebreider en strikter verbonden met de naamval (een vorm die de functie van een woord in de zin aangeeft). Vooral ihn en het onderscheid tussen sie en Sie vragen aandacht.
Je gebruikt deze vormen niet alleen als rechtstreeks object van een werkwoord, maar ook na voorzetsels die altijd de accusatief verlangen, zoals für en ohne: für dich, ohne ihn. De beginnersregel blijft eenvoudig: bepaal eerst wie handelt en vraag daarna wie of wat rechtstreeks door de handeling wordt geraakt.
Hoe het werkt
De volledige reeks
| Persoon | Nominatief (onderwerp) | Accusatief (lijdend voorwerp) | Nederlandse betekenis |
|---|---|---|---|
| eerste persoon enkelvoud | ich | mich | ik → mij/me |
| tweede persoon enkelvoud, informeel | du | dich | jij/je → jou/je |
| derde persoon enkelvoud, mannelijk | er | ihn | hij → hem |
| derde persoon enkelvoud, vrouwelijk | sie | sie | zij/ze → haar |
| derde persoon enkelvoud, onzijdig | es | es | het → het |
| eerste persoon meervoud | wir | uns | wij/we → ons |
| tweede persoon meervoud, informeel | ihr | euch | jullie → jullie |
| derde persoon meervoud | sie | sie | zij/ze → hen/ze |
| beleefd, enkelvoud of meervoud | Sie | Sie | u → u |
Vier vormen veranderen duidelijk: ich → mich, du → dich, er → ihn en ihr → euch. Bij sie, es, wir en het beleefde Sie blijft de vorm uiterlijk gelijk, maar de functie in de zin verandert wel.
Het lijdend voorwerp herkennen
Begin met een gewone zin:
- Der Mann sieht den Hund. — De man ziet de hond.
- Wie ziet? der Mann: onderwerp, dus nominatief.
- Wie wordt gezien? den Hund: lijdend voorwerp, dus accusatief.
Vervang je den Hund door een voornaamwoord, dan let je op het grammaticale geslacht van Hund. Hund is mannelijk (der Hund), dus je gebruikt ihn:
- Der Mann sieht ihn. — De man ziet hem.
Bij zaken volgt het voornaamwoord het Duitse grammaticale geslacht, niet noodzakelijk het Nederlandse woord:
- die Zeitung → Ich lese sie. — Ik lees haar/die.
- das Buch → Ich lese es. — Ik lees het.
- der Film → Ich sehe ihn. — Ik bekijk hem/die.
Voor een Nederlandstalige voelt sie voor een krant of ihn voor een film soms onnatuurlijk. In het Nederlands gebruiken we bij zaken vaak die of het. In het Duits bepaalt het lidwoord van het zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, zaak of begrip) welk voornaamwoord je nodig hebt.
Veelvoorkomende werkwoorden met een accusatiefobject
Veel alledaagse werkwoorden nemen een rechtstreeks object in de accusatief, onder meer:
- sehen — zien
- kennen — kennen
- lieben — liefhebben
- brauchen — nodig hebben
- fragen — vragen
- besuchen — bezoeken
- hören — horen
- finden — vinden
- anrufen — opbellen
Het Duitse fragen is nuttig om apart te onthouden: Ich frage ihn betekent ‘Ik vraag het hem’ of ‘Ik stel hem een vraag’. De gevraagde persoon staat in de accusatief. Ook anrufen krijgt een rechtstreeks object: Ruf mich an! — Bel me!
Niet elk Nederlands ‘hem’ of ‘mij’ wordt daarom automatisch een Duitse accusatief. Bij werkwoorden als helfen en danken staat de persoon in de datief (de vorm die onder meer het meewerkend voorwerp aanduidt): Sie hilft mir, niet mich. Leer de naamval daarom liefst samen met het werkwoord.
Na voorzetsels
De voorzetsels durch, für, gegen, ohne en um worden altijd gevolgd door de accusatief. Dat geldt ook als er een persoonlijk voornaamwoord na staat:
- für mich — voor mij
- ohne dich — zonder jou
- gegen ihn — tegen hem
- um sie — om haar/hen
- durch euch — door jullie
Hier hoef je niet naar een lijdend voorwerp te zoeken: het voorzetsel zelf bepaalt de vorm. Bij andere voorzetsels gelden andere regels; mit krijgt bijvoorbeeld de datief: mit mir.
Plaats in de zin
Een onbeklemtoond persoonlijk voornaamwoord staat meestal vrij vroeg in het middenstuk van de Duitse zin, vaak direct na de persoonsvorm en het onderwerp:
- Heute sehe ich ihn. — Vandaag zie ik hem.
- Ich habe sie gestern angerufen. — Ik heb haar gisteren opgebeld.
- Kannst du mich morgen besuchen? — Kun je me morgen bezoeken?
Bij een scheidbaar werkwoord blijft het losse deel achteraan: Ich rufe dich später an. In een voltooide tijd staat het voornaamwoord vóór het voltooid deelwoord: Ich habe dich angerufen.
Voorbeelden in context
| Duits | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Er sieht mich. | Hij ziet mij. | ich wordt mich als lijdend voorwerp. |
| Ich liebe dich. | Ik hou van jou. | Informeel enkelvoud. Let op: Duits gebruikt hier geen voorzetsel. |
| Kennst du ihn? | Ken jij hem? | Verwijst naar een man of een mannelijk woord. |
| Wo ist Anna? Ich suche sie. | Waar is Anna? Ik zoek haar. | Vrouwelijk enkelvoud. |
| Das Handy ist neu. Ich brauche es jeden Tag. | De telefoon is nieuw. Ik heb hem elke dag nodig. | Handy is onzijdig, dus es. |
| Unsere Freunde besuchen uns am Wochenende. | Onze vrienden bezoeken ons in het weekend. | Eerste persoon meervoud. |
| Ich höre euch nicht. | Ik hoor jullie niet. | Informeel meervoud. |
| Die Kinder sind draußen. Ich sehe sie im Garten. | De kinderen zijn buiten. Ik zie ze in de tuin. | sie is hier meervoud. |
| Frau Berger, kann ich Sie kurz sprechen? | Mevrouw Berger, kan ik u even spreken? | Beleefd Sie krijgt een hoofdletter. |
| Dieses Geschenk ist für dich. | Dit cadeau is voor jou. | für verlangt de accusatief. |
| Ohne ihn können wir nicht anfangen. | Zonder hem kunnen we niet beginnen. | ohne verlangt de accusatief. |
| Ruf mich heute Abend an! | Bel me vanavond! | Het voornaamwoord staat tussen ruf en an. |
| Ich habe sie gestern im Zug getroffen. | Ik heb haar gisteren in de trein ontmoet. | In de voltooide tijd staat sie vóór getroffen. |
| Warum fragst du mich? | Waarom vraag je het mij? | Bij fragen staat de persoon in de accusatief. |
Veelgemaakte fouten
De onderwerpsvorm laten staan
- Fout: Er sieht ich.
- Goed: Er sieht mich.
- Waarom: Er voert de handeling uit; ‘mij’ ondergaat die. Daarom moet ich veranderen in mich.
er vervangen door er in plaats van ihn
- Fout: Kennst du er?
- Goed: Kennst du ihn?
- Waarom: Het mannelijke voornaamwoord heeft als lijdend voorwerp de vorm ihn. Dit is een van de zichtbaarste verschillen tussen nominatief en accusatief.
Het Nederlandse geslacht volgen
- Fout: Wo ist der Schlüssel? Ich finde es nicht.
- Goed: Wo ist der Schlüssel? Ich finde ihn nicht.
- Waarom: Schlüssel is in het Duits mannelijk (der Schlüssel). Het Nederlandse ‘de sleutel’ vertelt je niet welk Duits voornaamwoord nodig is.
Accusatief gebruiken bij elk voorwerp
- Fout: Sie hilft mich.
- Goed: Sie hilft mir.
- Waarom: helfen verlangt de datief. Een persoon na een werkwoord is dus niet automatisch een lijdend voorwerp. Leer jemandem helfen als vaste combinatie.
Sie zonder hoofdletter schrijven bij beleefd aanspreken
- Fout: Kann ich sie etwas fragen? wanneer je ‘u’ bedoelt.
- Goed: Kann ich Sie etwas fragen?
- Waarom: Het beleefde voornaamwoord Sie wordt altijd met een hoofdletter geschreven. sie kan ‘zij’, ‘haar’ of ‘hen/ze’ betekenen.
Het voornaamwoord te laat plaatsen
- Minder natuurlijk: Ich habe gestern im Bahnhof ihn gesehen.
- Natuurlijk: Ich habe ihn gestern im Bahnhof gesehen.
- Waarom: Korte, onbeklemtoonde voornaamwoorden staan doorgaans vroeg in de zin. Een afwijkende plaats kan alleen met bijzondere nadruk passend zijn.
Gebruiksnotities
In gesproken Duits hoor je soms gereduceerde uitspraakvormen, maar in gewone schrijftaal gebruik je altijd de volledige vormen mich, dich, ihn enzovoort. Anders dan in het Nederlands bestaan er geen standaard geschreven varianten naast elkaar zoals mij/me of jou/je. Mich kan dus zowel het nadrukkelijke ‘mij’ als het onbeklemtoonde ‘me’ vertalen.
De betekenis van sie blijkt uit de context. Ich sehe sie kan ‘Ik zie haar’ of ‘Ik zie hen/ze’ betekenen. Alleen de context of een eerder genoemd woord maakt het verschil duidelijk. Sie met hoofdletter betekent ‘u’, maar aan het begin van een zin helpt de hoofdletter niet: ook daar moet de context uitsluitsel geven.
Duits gebruikt bij lieben rechtstreeks de accusatief: Ich liebe dich. Het Nederlandse ‘houden van’ bevat een voorzetsel, maar dat patroon mag je niet letterlijk meenemen naar het Duits. Omgekeerd betekent Ich mag dich meestal ‘Ik vind je aardig/leuk’; het is vaak minder sterk dan Ich liebe dich.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A1 nog niet volledig te beheersen, maar je komt ze later vaak tegen.
Twee voorwerpen in één zin
Als een zin zowel een datief- als een accusatiefobject heeft, beïnvloedt de vorm de volgorde. Een persoonlijk voornaamwoord komt doorgaans vóór een zelfstandig naamwoord:
- Ich gebe ihm das Buch. — Ik geef hem het boek.
- Ich gebe es dem Mann. — Ik geef het aan de man.
Zijn beide voorwerpen voornaamwoorden, dan staat het accusatiefvoornaamwoord gewoonlijk vóór het datiefvoornaamwoord:
- Ich gebe es ihm. — Ik geef het hem.
Dat is een nuttige aanvulling op de eenvoudige beginnersregel ‘datief vóór accusatief’: die volgorde geldt vooral wanneer beide voorwerpen zelfstandige naamwoorden zijn. Voornaamwoorden staan liever vroeg.
Nadruk en contrast
De normale positie is Ich sehe ihn heute. Wil je scherp contrasteren, dan kun je het voornaamwoord benadrukken met je stem of het naar een opvallende positie verplaatsen:
- Ihn sehe ich heute, nicht seinen Bruder. — Hém zie ik vandaag, niet zijn broer.
Hier staat ihn vooraan, maar het blijft accusatief. De naamval wordt door de functie bepaald, niet door de plaats in de zin. Dat maakt het Duits flexibeler dan het Nederlands, al verandert de woordvolgorde wel de nadruk.
Accusatief of wederkerend voornaamwoord
In Er sieht ihn verwijst ihn naar een andere man. Verwijst het object terug naar het onderwerp, dan gebruikt de derde persoon sich:
- Er sieht sich im Spiegel. — Hij ziet zichzelf in de spiegel.
- Er sieht ihn im Spiegel. — Hij ziet hem in de spiegel.
Bij de eerste en tweede persoon zijn sommige vormen gelijk: Ich wasche mich, Du wäschst dich, Wir waschen uns. De functie is dan wederkerend, ook al ziet de vorm er hetzelfde uit als een gewoon accusatiefvoornaamwoord.
Werkwoorden met een vaste naamval
Betekenis alleen is niet altijd genoeg om de naamval te voorspellen. fragen neemt de accusatief (jemanden fragen), terwijl antworten doorgaans een datief voor de persoon heeft (jemandem antworten). Ook es gibt wordt altijd gevolgd door de accusatief: Es gibt ihn noch — Hij bestaat nog / Het is nog verkrijgbaar. Op een hoger niveau loont het om bij elk nieuw werkwoord meteen de vaste combinatie te noteren.
Oefentips
- Leer vormen in contrastparen. Zeg hardop: ich–mich, du–dich, er–ihn, wir–uns, ihr–euch. Maak daarna twee zinnen per paar, bijvoorbeeld Ich sehe ihn en Er sieht mich.
- Oefen met echte voorwerpen om je heen. Noem eerst het Duitse woord met lidwoord en vervang het daarna: der Tisch → Ich sehe ihn; die Lampe → Ich brauche sie; das Buch → Ich lese es. Zo verbind je grammaticaal geslacht direct met het juiste voornaamwoord.
- Noteer werkwoorden mét hun patroon. Schrijf niet alleen helfen = helpen, maar jemandem helfen; niet alleen fragen = vragen, maar jemanden fragen. Zo voorkom je dat je blindelings het Nederlandse zinsbouwpatroon volgt.
Verwante onderwerpen
- Voorkennis: Accusatief bij lidwoorden — laat zien hoe je het lijdend voorwerp herkent aan vormen als den en einen.
- Volgende stap: Wederkerende voornaamwoorden in de accusatief — behandelt mich, dich, sich, uns en euch wanneer de handeling terugwijst naar het onderwerp.
Vereiste kennis
Accusatief met lidwoorden in het DuitsA1Concepten die hierop voortbouwen
Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Akkusativpronomen in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen