A2

Perfectum met *sein* in het Duits

Perfekt mit sein

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Het Duitse Perfekt wordt bij een beperkte groep werkwoorden gevormd met een vorm van sein plus het voltooid deelwoord: Ich bin gegangen. Dat gebeurt vooral bij een verplaatsing naar een andere plaats (gehen, kommen, fahren) of een verandering van toestand (einschlafen, aufwachen, werden). Daarnaast horen onder meer bleiben en sein als vaste gevallen bij deze groep.

Overzicht

Het Perfekt is een verleden tijd die in alledaags gesproken Duits zeer vaak voorkomt. De vorm bestaat uit een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord (de werkwoordsvorm die in het Nederlands bijvoorbeeld op ge- kan beginnen: gegaan, gekomen). De meeste Duitse werkwoorden nemen haben, maar een belangrijke kleinere groep neemt sein: Wir sind angekommen en niet Wir haben angekommen.

Dit onderwerp komt doorgaans op A2 aan bod, nadat je het Perfekt met haben hebt leren vormen. Voor een eerste goede keuze volstaat vaak deze vraag: drukt het werkwoord een werkelijke verplaatsing van A naar B of een duidelijke overgang naar een nieuwe toestand uit? Dan is sein waarschijnlijk. Toch is dit geen waterdichte formule. Sommige werkwoorden moet je gewoon als combinatie leren, bijvoorbeeld sein – ist gewesen en bleiben – ist geblieben.

Voor Nederlandstaligen voelt veel vertrouwd: ook wij zeggen ik ben gegaan, zij is gekomen en hij is ingeslapen. Maar Nederlands en Duits kiezen niet bij ieder werkwoord hetzelfde hulpwerkwoord. Zo is Duits Ich bin zu Hause geblieben, terwijl in Nederland meestal ik ben thuisgebleven gebruikelijk is, maar in België ook andere voorkeuren kunnen voorkomen. Vertrouw daarom niet uitsluitend op wat in jouw variant van het Nederlands natuurlijk klinkt.

Hoe het werkt

De basisbouw

Een gewone hoofdzin heeft dit patroon:

onderwerp + vervoegde vorm van sein + overige informatie + voltooid deelwoord

Wir sind gestern spät angekommen.

Het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert of de toestand ondergaat) bepaalt de vorm van sein. Het voltooid deelwoord staat normaal helemaal achteraan.

Persoon Vorm van sein Voorbeeld
ich bin Ich bin gegangen.
du bist Du bist gekommen.
er / sie / es ist Sie ist eingeschlafen.
wir sind Wir sind gefahren.
ihr seid Ihr seid geblieben.
sie / Sie sind Sie sind aufgewacht.

In een ja-neevraag komt de vervoegde vorm vooraan: Bist du gut angekommen? Bij een vraagwoord volgt sein direct na het vraagwoord: Wann seid ihr zurückgekommen?

In een bijzin die wordt ingeleid door bijvoorbeeld weil of dass, staan beide werkwoordelijke delen aan het einde. Het voltooid deelwoord komt vóór de vorm van sein: Ich rufe dich an, weil ich angekommen bin.

Verplaatsing van de ene plaats naar de andere

Werkwoorden die een verandering van plaats uitdrukken, vormen hun Perfekt vaak met sein. Het gaat niet alleen om ‘beweging’ in brede zin, maar vooral om het bereiken of verlaten van een plaats of om een route van A naar B.

Veelvoorkomende voorbeelden zijn:

  • gehen – ist gegangen (gaan)
  • kommen – ist gekommen (komen)
  • fahren – ist gefahren (rijden, reizen)
  • fliegen – ist geflogen (vliegen)
  • laufen – ist gelaufen (lopen)
  • reisen – ist gereist (reizen)
  • steigen – ist gestiegen (stijgen, instappen)
  • ankommen – ist angekommen (aankomen)
  • abreisen – ist abgereist (vertrekken)
  • zurückkehren – ist zurückgekehrt (terugkeren)

De beginnerregel werkt hier goed: als iemand ergens heen gaat, ergens vandaan komt of op een andere plaats aankomt, kies je meestal sein.

Verandering van toestand

Ook een overgang van de ene toestand naar de andere krijgt vaak sein. Het onderwerp doet niet per se bewust iets; er verandert iets met die persoon of zaak.

Infinitief Voltooid deelwoord Verandering
einschlafen eingeschlafen wakker → slapend
aufwachen aufgewacht slapend → wakker
sterben gestorben levend → overleden
wachsen gewachsen kleiner → groter
verschwinden verschwunden aanwezig → weg
werden geworden een toestand → een andere toestand
entstehen entstanden nog niet bestaand → bestaand

Let op het verschil tussen een toestand en het ontstaan ervan: Er hat lange geschlafen beschrijft de activiteit of toestand ‘slapen’, maar Er ist schnell eingeschlafen beschrijft de overgang naar slaap.

Vaste belangrijke werkwoorden

Niet ieder sein-werkwoord past netjes onder verplaatsing of toestandsverandering. Leer deze zeer frequente vormen als vaste combinaties:

  • sein – ist gewesen: Ich bin schon einmal in Berlin gewesen.
  • bleiben – ist geblieben: Sie ist zu Hause geblieben.
  • passieren – ist passiert: Was ist passiert?
  • geschehen – ist geschehen: Es ist gestern geschehen.
  • begegnen – ist begegnet: Ich bin meiner Nachbarin begegnet.

Bij begegnen staat de persoon die je ontmoet in de datief (de vorm voor de persoon op wie de ontmoeting gericht is): meiner Nachbarin. Dat naamvalspunt is niet nodig om de keuze voor sein te begrijpen, maar de hele combinatie is nuttig om samen te onthouden.

Het voltooid deelwoord vormen

De keuze tussen haben en sein verandert niets aan de vorming van het voltooid deelwoord.

Type werkwoord Patroon Voorbeeld
regelmatig, niet-scheidbaar ge- + stam + -t reisen → gereist
sterk of onregelmatig vaak ge- + veranderde stam + -en gehen → gegangen
scheidbaar voorvoegsel + ge- + stam + uitgang ankommen → angekommen
onscheidbaar voorvoegsel geen ge- verschwinden → verschwunden
uitgang -ieren geen ge-, meestal -t passieren → passiert

Een scheidbaar werkwoord is een werkwoord waarvan het eerste deel in een gewone hoofdzin los kan komen: Wir kommen um acht Uhr an. In het deelwoord schuift ge- ertussen: Wir sind um acht Uhr angekommen. Voorvoegsels zoals be-, ent-, er-, ver- en zer- zijn normaal onscheidbaar en krijgen geen ge-.

Snelle beslisroute voor A2

  1. Is het werkwoord sein, bleiben, werden, passieren of geschehen? Leer de combinatie met sein.
  2. Gaat het om een werkelijke verplaatsing naar een andere plaats? Kies meestal sein.
  3. Gaat het om een overgang naar een nieuwe toestand? Kies meestal sein.
  4. Zo niet, dan is haben meestal de veilige keuze.
  5. Controleer twijfelgevallen in een woordenboek; daar staat bijvoorbeeld ist gefahren of hat gearbeitet.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Ich bin gegangen. Ik ben weggegaan. Verplaatsing; basisvoorbeeld uit het concept.
Sie ist nach Hause gefahren. Zij is naar huis gereden. Een bestemming maakt de verplaatsing duidelijk.
Er ist eingeschlafen. Hij is in slaap gevallen. Overgang van wakker naar slapend.
Wir sind gestern in Köln angekommen. Wij zijn gisteren in Keulen aangekomen. Scheidbaar werkwoord: ankommen → angekommen.
Bist du schon einmal nach Österreich geflogen? Ben je ooit naar Oostenrijk gevlogen? Ja-neevraag; bist staat vooraan.
Die Kinder sind in den Garten gelaufen. De kinderen zijn de tuin in gelopen. Gerichte beweging naar een andere plaats.
Meine Großeltern sind zu Hause geblieben. Mijn grootouders zijn thuisgebleven. bleiben is een vast sein-werkwoord.
Das Kind ist um sieben Uhr aufgewacht. Het kind is om zeven uur wakker geworden. Verandering van toestand.
Im Frühling sind die Tage länger geworden. In de lente zijn de dagen langer geworden. werden → geworden.
Was ist hier passiert? Wat is hier gebeurd? Vaste combinatie ist passiert.
Ich bin meiner alten Lehrerin begegnet. Ik ben mijn vroegere lerares tegengekomen. begegnen neemt sein.
Wir sind müde, weil wir spät zurückgekommen sind. We zijn moe omdat we laat zijn teruggekomen. In de bijzin staan zurückgekommen sind achteraan.
Der Zug ist pünktlich abgefahren. De trein is op tijd vertrokken. Scheidbaar abfahren → abgefahren.
Ich bin noch nie in Hamburg gewesen. Ik ben nog nooit in Hamburg geweest. Perfekt van sein: ist gewesen.
Über Nacht ist viel Schnee gefallen. In de loop van de nacht is er veel sneeuw gevallen. Een gebeurtenis/verandering; fallen neemt hier sein.

Veelgemaakte fouten

1. Bij ieder werkwoord automatisch haben kiezen

  • Fout: Ich habe nach Hause gegangen.
  • Goed: Ich bin nach Hause gegangen.
  • Waarom: gehen drukt een verplaatsing uit en vormt het Perfekt met sein. Vervoeg het hulpwerkwoord bij het onderwerp: ich bin.

2. Het hulpwerkwoord wel goed kiezen, maar verkeerd vervoegen

  • Fout: Wir ist früh angekommen.
  • Goed: Wir sind früh angekommen.
  • Waarom: Het onderwerp wir hoort bij sind. Het deelwoord angekommen verandert niet mee.

3. Het deelwoord midden in een hoofdzin zetten

  • Fout: Sie ist gefahren gestern nach Hause.
  • Goed: Sie ist gestern nach Hause gefahren.
  • Waarom: In een Duitse hoofdzin vormt het hulpwerkwoord met het deelwoord een ‘haak’: ist ... gefahren. Tijd en bestemming staan ertussen.

4. Denken dat elke lichamelijke activiteit sein krijgt

  • Fout: Ich bin zwei Stunden getanzt.
  • Goed: Ich habe zwei Stunden getanzt.
  • Waarom: Alleen bewegen is niet genoeg. Tanzen beschrijft hier een activiteit zonder overgang naar een andere plaats. De eenvoudige regel is dus niet ‘alles met beweging krijgt sein’, maar ‘gerichte verplaatsing of toestandsverandering krijgt vaak sein’.

5. Een Nederlands deelwoordpatroon rechtstreeks overnemen

  • Fout: Er ist aufgewachen.
  • Goed: Er ist aufgewacht.
  • Waarom: aufwachen is regelmatig: auf-ge-wach-t. Leer naast het hulpwerkwoord ook altijd het Duitse deelwoord.

6. In een bijzin de Nederlandse volgorde gebruiken

  • Fout: ..., weil ich bin angekommen.
  • Goed: ..., weil ich angekommen bin.
  • Waarom: Na weil gaat de vervoegde werkwoordsvorm naar het einde. Bij dit Perfekt krijg je dus deelwoord + sein.

Gebruiksnotities

In gesprekken gebruiken Duitstaligen het Perfekt voor veel gebeurtenissen in het verleden: Gestern bin ich spät nach Hause gekommen. In geschreven verhalen, nieuwsberichten en formele verslagen verschijnt vaker het Präteritum (een verleden tijd in één werkwoordsvorm): Gestern kam ich spät nach Hause. De betekenis kan hetzelfde zijn; stijl en tekstsoort bepalen vaak de keuze.

Bij sein zelf is het Präteritum in de spreektaal heel gewoon. Ich war müde klinkt meestal natuurlijker dan Ich bin müde gewesen, hoewel beide grammaticaal mogelijk zijn. Ook Es war schön is veel gewoner dan Es ist schön gewesen. Je moet ist gewesen dus herkennen en kunnen vormen, maar niet in elke gesproken zin verkiezen.

De grens tussen activiteit en verplaatsing kan bij werkwoorden zoals schwimmen, laufen en fahren van de context afhangen. Wir sind ans andere Ufer geschwommen legt de nadruk op het bereikte doel. Bij een activiteit zonder bestemming hoor je afhankelijk van werkwoord, regio en spreker soms haben: Wir haben eine Stunde geschwommen. In veel hedendaags gebruik komt bij schwimmen en laufen ook sein zonder uitdrukkelijke bestemming voor. Leer daarom eerst de duidelijke gevallen en let later op werkelijk taalgebruik.

Verder dan de basis

De volgende nuances hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar ze verklaren vormen die je later tegenkomt.

Hetzelfde werkwoord kan een ander hulpwerkwoord krijgen

Sommige bewegingswerkwoorden kunnen overgankelijk worden gebruikt: ze hebben dan een lijdend voorwerp (wie of wat rechtstreeks door de handeling wordt geraakt). In dat gebruik staat vaak haben.

  • Sie ist nach Berlin gefahren. — Zij is naar Berlijn gereden/gereisd.
  • Sie hat den Wagen in die Garage gefahren. — Zij heeft de auto de garage in gereden.

In de eerste zin verplaatst het onderwerp zichzelf. In de tweede verplaatst zij den Wagen door ermee te rijden. Dit onderscheid is vooral belangrijk bij fahren en vergelijkbare contextafhankelijke werkwoorden.

Noord en zuid kiezen soms anders

In Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland worden sommige werkwoorden die een houding of plaats aanduiden vaker met sein gebruikt dan in de noordelijke standaardtaal. Je kunt bijvoorbeeld ich bin gesessen horen, waar in Duitsland vaak ich habe gesessen staat. Vergelijkbare verschillen bestaan bij stehen en liegen. Beschouw zulke vormen niet meteen als fouten; voor neutraal Standaardduits kun je aanvankelijk de woordenboekvorm volgen.

Geworden tegenover worden

Het gewone Perfekt van werden is ist geworden: Er ist Arzt geworden. In passieve constructies verschijnt echter vaak de speciale vorm worden zonder ge- : Das Haus ist gebaut worden (‘Het huis is gebouwd’). Dat behoort tot de lijdende vorm en is niet hetzelfde patroon als een toestandsverandering met geworden.

Modale werkwoorden vormen een apart patroon

Een zin als ‘Ik heb naar huis moeten gaan’ wordt in het Duits meestal Ich habe nach Hause gehen müssen. Ondanks gehen staat hier haben, omdat de combinatie met het modale werkwoord müssen een bijzondere infinitiefconstructie vormt. Dit is een later onderwerp; laat het de eenvoudige A2-regel voor Ich bin nach Hause gegangen niet vertroebelen.

Oefentips

  1. Leer werkwoorden in drie delen. Noteer niet alleen gehen, maar gehen – ist gegangen – gaan. Doe hetzelfde met kommen – ist gekommen en bleiben – ist geblieben. Zo leer je hulpwerkwoord en deelwoord als één geheel.
  2. Maak contrastparen. Schrijf naast Ich habe gearbeitet een zin als Ich bin nach Hause gegangen. Wissel persoon en getal: Du bist gegangen, wir sind gegangen, ihr seid gegangen. Daarmee oefen je tegelijk de keuze en de vervoeging van sein.
  3. Vertel je dag als route. Gebruik vijf plaatsen en tijdstippen: Um acht Uhr bin ich aus dem Haus gegangen. Dann bin ich mit dem Bus gefahren ... Controleer daarna of ieder deelwoord achteraan staat.

Verwante onderwerpen

  • Vooraf: Perfectum met haben — de basisvorming van het Duitse Perfekt en het hulpwerkwoord voor de meeste werkwoorden.

Vereiste kennis

Het Perfekt met *haben* in het DuitsA2

Meer A2-concepten

Oefen Perfekt mit sein in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen