A1

Werkwoord 'sein' (tegenwoordige tijd) in het Duits

Verb 'sein' im Präsens

Overzicht

Sein (zijn) is het allerbelangrijkste werkwoord in het Duits. Het is sterk onregelmatig en je gebruikt het constant: om jezelf voor te stellen, om iemand of iets te beschrijven, om een beroep of nationaliteit te noemen. Net als het Nederlandse 'zijn' is het een suppletief werkwoord — de vormen zijn afkomstig van verschillende stammen en moeten gewoon uit het hoofd worden geleerd.

Sein is ook het hulpwerkwoord voor het perfectum van bewegings- en toestandswerkwoorden (ich bin gegangen, ich bin geblieben). Hoe eerder je alle vormen beheerst, hoe sneller je de rest van de grammatica kunt toepassen.

Hoe het werkt

Persoon Vorm Vertaling
ich bin ik ben
du bist jij bent
er/sie/es ist hij/zij/het is
wir sind wij zijn
ihr seid jullie zijn
sie/Sie sind zij zijn / u bent

Gebruik van sein:

  • Identiteit en beschrijving: Ich bin Lehrerin. Er ist müde.
  • Nationaliteit en herkomst: Sie ist Niederländerin. Wir sind aus Berlin.
  • Koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel: Das ist gut. Das war schwierig.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Opmerking
Ich bin müde. Ik ben moe. Beschrijving van toestand
Du bist mein Freund. Jij bent mijn vriend. Relatie
Er ist Arzt. Hij is arts. Beroep zonder lidwoord
Sie ist aus Wien. Zij is uit Wenen. Herkomst
Es ist spät. Het is laat. Onpersoonlijk
Wir sind zu Hause. Wij zijn thuis. Locatie
Ihr seid willkommen. Jullie zijn welkom. Meervoud informeel
Sie sind Studenten. Zij zijn studenten. 3e persoon meervoud
Sind Sie Herr Müller? Bent u meneer Müller? Formele vraag
Das ist richtig. Dat klopt. Verwijzing

Veelgemaakte fouten

"bin" voor alle personen gebruiken

  • Fout: Du bin müde.
  • Correct: Du bist müde.
  • Waarom: Elke persoon heeft zijn eigen vorm. Sein is sterk onregelmatig.

Sein en haben door elkaar halen

  • Fout: Ich habe müde.
  • Correct: Ich bin müde.
  • Waarom: Eigenschappen en toestanden combineer je met sein, niet met haben.

Lidwoord toevoegen bij beroepen

  • Fout: Er ist ein Arzt.
  • Correct: Er ist Arzt.
  • Waarom: Bij beroepen, nationaliteiten en religies laat je het onbepaald lidwoord weg (tenzij er een bijvoeglijk naamwoord bij staat: Er ist ein guter Arzt).

Oefentips

  1. Leer alle zes vormen als een rijtje: bin, bist, ist, sind, seid, sind. Zeg ze hardop totdat ze automatisch komen.
  2. Introduceer jezelf en anderen: "Ich bin [naam]. Ich bin [nationaliteit]. Ich bin [beroep]." Gebruik vervolgens alle andere personen.
  3. Maak korte beschrijvingen van mensen in je omgeving met sein.

Verwante concepten

Vereiste kennis

Persoonlijke voornaamwoorden (nominatief) in het DuitsA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Wil je Werkwoord 'sein' (tegenwoordige tijd) in het Duits en meer Duits-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen