A1

Het werkwoord *essere* in het Italiaans

Il Verbo Essere

languages.seo.contextNote

Kort gezegd

Essere betekent meestal zijn. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen sono, sei, è, siamo, siete, sono; het onderwerp wordt vaak weggelaten omdat de werkwoordsvorm al laat zien om wie het gaat. Je gebruikt essere onder meer voor identiteit, herkomst, plaats, tijd en een beschrijving: Sono di Utrecht, È tardi, Siamo stanchi.

Overzicht

Essere is een van de belangrijkste Italiaanse werkwoorden. Je hebt het al op A1-niveau nodig om jezelf voor te stellen, te zeggen waar iemand vandaan komt of zich bevindt, mensen en dingen te beschrijven en naar de tijd te vragen. Het is een onregelmatig werkwoord: de vormen zijn niet netjes af te leiden van de infinitief (de onbepaalde vorm, zoals Nederlands zijn). Je leert ze daarom het best als één vast rijtje.

Voor Nederlandstaligen is de basisbetekenis vertrouwd, maar Italiaans en Nederlands verdelen sommige uitdrukkingen anders. Een Italiaan heeft bijvoorbeeld honger en twintig jaar: ha fame, ha vent'anni. Daar gebruik je dus niet essere, ook al zeg je in het Nederlands “hongerig zijn” en “twintig jaar oud zijn”. Omgekeerd kan het Italiaans een onderwerp als io of noi meestal achterwege laten: Siamo pronti is al volledig en betekent “Wij zijn klaar”.

Bij essere hoort ook congruentie: woorden die een persoon of zaak beschrijven, passen zich vaak aan in geslacht en getal aan. Marco è stanco, maar Giulia è stanca en Marco e Giulia sono stanchi. Dat lijkt niet op het Nederlandse bijvoeglijk naamwoord na zijn, dat in “hij is moe” en “zij zijn moe” onveranderd blijft.

Hoe het werkt

De vormen in de tegenwoordige tijd

Persoon Italiaans Nederlands
io sono ik ben
tu sei jij bent
lui / lei / Lei è hij / zij is; u bent
noi siamo wij zijn
voi siete jullie zijn; u bent
loro sono zij zijn

Let op twee dingen. Sono kan zowel “ik ben” als “zij zijn” betekenen. Uit de situatie, een genoemd onderwerp of de rest van de zin blijkt welke lezing bedoeld is: Sono olandese betekent normaal “Ik ben Nederlands”, terwijl Anna e Luca sono italiani “Anna en Luca zijn Italiaans” betekent. Verder heeft è een accent. Zonder accent is e het voegwoord “en”.

Het onderwerp hoeft meestal niet genoemd te worden

Het onderwerp (wie of wat iets is of doet) staat in de uitgang van het Italiaanse werkwoord besloten. Daarom klinken deze korte zinnen heel natuurlijk:

  • Sono di Rotterdam. — Ik kom uit Rotterdam.
  • Sei pronto? — Ben je klaar?
  • Siamo in ritardo. — We zijn te laat.

Gebruik io, tu, noi enzovoort vooral wanneer je contrasteert, nadruk legt of onduidelijkheid voorkomt: Io sono pronto, ma loro non sono pronti — “Ik ben klaar, maar zij niet.” Nederlands eist bijna altijd een uitgesproken onderwerp; neem die gewoonte dus niet automatisch mee naar het Italiaans.

Identiteit, beroep en classificatie

Met essere vertel je wie of wat iemand is:

  • Sono Marta. — Ik ben Marta.
  • Luca è mio fratello. — Luca is mijn broer.
  • Siamo studenti. — Wij zijn studenten.
  • Questo è un problema. — Dit is een probleem.

Bij een ongewijzigd beroep, geloof of lidmaatschap ontbreekt het onbepaalde lidwoord vaak: Sono insegnante, Paola è cattolica. Dat komt deels overeen met Nederlands “Ik ben docent”. Als het zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, ding of begrip) nader wordt omschreven of als je iemand als één exemplaar typeert, staat er vaak wel een lidwoord: È un'insegnante bravissima — “Ze is een bijzonder goede docent.”

Herkomst en nationaliteit

Voor herkomst gebruik je vaak essere di plus een plaats:

  • Sono di Roma. — Ik kom uit Rome.
  • Di dove siete? — Waar komen jullie vandaan?

Een nationaliteit is meestal een bijvoeglijk naamwoord (een beschrijvend woord) en past zich aan de persoon aan: Paolo è italiano, Sara è italiana, Paolo e Sara sono italiani. De namen van nationaliteiten krijgen in het Italiaans normaal geen hoofdletter.

Plaats

Essere kan aangeven waar een persoon of zaak zich bevindt:

  • Il museo è in centro. — Het museum is in het centrum.
  • Siamo a casa. — We zijn thuis.
  • Le chiavi sono sul tavolo. — De sleutels liggen op tafel.

Het Nederlands kiest in zulke zinnen soms staan, liggen of zitten, maar Italiaans gebruikt vaak gewoon essere. Vertaal dus de betekenis, niet elk Nederlands werkwoord letterlijk. Voor het bestaan of aanwezig zijn van iets gebruik je daarentegen meestal c'è of ci sono: C'è un bar qui vicino — “Er is een café vlakbij.”

Eigenschappen en toestanden

Na essere kan een beschrijving volgen:

  • La casa è grande. — Het huis is groot.
  • Siamo stanchi. — We zijn moe.
  • È bello qui. — Het is mooi hier.

Het beschrijvende woord stemt gewoonlijk overeen met het onderwerp. Bij een gemengde groep wordt traditioneel de mannelijke meervoudsvorm gebruikt: Marco e Anna sono stanchi. Bij alleen vrouwen is het Anna e Giulia sono stanche.

Italiaans maakt niet met twee afzonderlijke basiswerkwoorden het vaste onderscheid dat het Spaans met ser en estar maakt. Essere kan zowel een vrij blijvende eigenschap als een tijdelijke toestand uitdrukken: È gentile en È stanco. Stare bestaat wel, maar vervangt essere niet stelselmatig; je leert de gebruikelijke constructies met stare apart.

Tijd, dag en datum

Bij één uur staat het werkwoord in het enkelvoud; bij andere kloktijden meestal in het meervoud:

  • È l'una. — Het is één uur.
  • Sono le tre e mezza. — Het is half vier.
  • Che ore sono? — Hoe laat is het?
  • È mezzogiorno. — Het is twaalf uur 's middags.

Voor een dag of datum is de derde persoon enkelvoud gebruikelijk: Oggi è lunedì en Oggi è il tredici luglio. Het Italiaanse Che ore sono? is letterlijk meervoudig. Laat je dus niet verleiden tot è doordat het Nederlandse “het” enkelvoudig is.

Ontkenningen en vragen

Voor een ontkenning zet je non direct vóór het werkwoord:

  • Non sono italiano. — Ik ben niet Italiaans.
  • Maria non è a casa. — Maria is niet thuis.

Voor een gewone ja-neevraag hoef je de woordvolgorde niet om te draaien. In gesproken taal maakt de intonatie er een vraag van; in geschreven taal doet het vraagteken dat: Sei stanco? — “Ben je moe?” Dit verschilt van Nederlands, waar “jij bent” vaak “ben jij?” wordt.

Voorbeelden in hun context

Italiaans Nederlands Toelichting
Io sono di Roma. Ik kom uit Rome. Io legt hier nadruk op de spreker.
Di dove sei? Waar kom je vandaan? Informele vraag aan één persoon.
Lei è la signora De Luca? Bent u mevrouw De Luca? Beleefd Lei krijgt de vorm è.
Siamo stanchi dopo il viaggio. We zijn moe na de reis. De mannelijke meervoudsvorm kan ook een gemengde groep beschrijven.
Giulia e Marta sono pronte. Giulia en Marta zijn klaar. Pronte is vrouwelijk meervoud.
È bello qui. Het is mooi hier. Onpersoonlijke beschrijving van de omgeving.
Il supermercato è vicino alla stazione. De supermarkt is dicht bij het station. Plaats van een gebouw.
Le bottiglie sono in frigorifero. De flessen staan in de koelkast. Nederlands kiest “staan”; Italiaans gebruikt essere.
Che ore sono? Hoe laat is het? De vaste vraag staat in het meervoud.
È l'una, ma sono già in ufficio. Het is één uur, maar ik ben al op kantoor. È hoort bij één uur; sono betekent hier “ik ben”.
Oggi è domenica. Vandaag is het zondag. Dag van de week met enkelvoudig è.
Mio padre è medico. Mijn vader is arts. Beroep zonder onbepaald lidwoord.
Elena è un'ottima insegnante. Elena is een uitstekende docent. Door de nadere omschrijving staat er een lidwoord.
Non siete in ritardo. Jullie zijn niet te laat. Non staat vóór siete.
Questi documenti sono importanti. Deze documenten zijn belangrijk. Importanti is meervoud.

Veelgemaakte fouten

È en e verwisselen

  • Fout: Marco e stanco.
  • Goed: Marco è stanco.
  • Waarom: è betekent “is”; e zonder accent betekent “en”. Het accent is geen versiering maar onderscheidt twee woorden.

Een Nederlands onderwerp altijd uitspreken

  • Minder natuurlijk zonder bijzondere nadruk: Io sono stanco e io sono a casa.
  • Natuurlijk: Sono stanco e sono a casa.
  • Waarom: De vorm sono maakt al duidelijk dat de spreker over zichzelf praat. Voeg io toe voor contrast, bijvoorbeeld Io sono stanco, tu no.

Geen overeenkomst toepassen

  • Fout: Maria è stanco.
  • Goed: Maria è stanca.
  • Waarom: Het bijvoeglijk naamwoord past zich aan Maria aan en krijgt hier de vrouwelijke uitgang -a. In het Nederlands blijft “moe” onveranderd; in het Italiaans moet je op de uitgang letten.

Essere gebruiken voor leeftijd of honger

  • Fout: Sono vent'anni. Sono fame.
  • Goed: Ho vent'anni. Ho fame.
  • Waarom: Italiaans gebruikt in deze vaste uitdrukkingen avere (“hebben”): letterlijk “ik heb twintig jaar” en “ik heb honger”. Voor stanco is essere juist wel goed: Sono stanco.

È gebruiken in een meervoudige klokvraag

  • Fout: Che ore è?
  • Goed: Che ore sono?
  • Waarom: In deze vaste vraag is ore meervoud en hoort daar sono bij. De enkelvoudige variant Che ora è? is eveneens grammaticaal, maar meng enkelvoud en meervoud niet door elkaar.

Essere en “er zijn” één op één gelijkstellen

  • Fout: Sono molti ristoranti qui.
  • Goed: Ci sono molti ristoranti qui.
  • Waarom: Voor het bestaan of de aanwezigheid van meerdere zaken gebruikt Italiaans ci sono. Gewoon sono koppelt een al bekend onderwerp aan een plaats of beschrijving: I ristoranti sono qui.

Gebruiksnotities

Met vrienden en familie spreek je één persoon aan met tu sei. In een formele situatie is Lei è gebruikelijk, ook wanneer je een man aanspreekt: Lei è il signor Bianchi? In brieven en zeer verzorgde teksten zie je het beleefde voornaamwoord vaak met een hoofdletter. In hedendaagse teksten komt een kleine letter eveneens voor; de werkwoordsvorm blijft derde persoon enkelvoud.

Voor een groep gebruik je in heel Italië gewoonlijk voi siete, zowel informeel als in veel beleefde situaties. Oudere of regionale beleefdheidsvormen bestaan, maar zijn voor een beginnende leerder niet nodig.

Bij beroep en nationaliteit bepaalt de context hoeveel woorden nodig zijn. Op de vraag Che lavoro fai? volstaat Sono infermiera. Wil je iemand beoordelen of nader typeren, dan is een lidwoord natuurlijker: È un'infermiera molto esperta. Dat verschil is geen absolute rekensom; betekenis en formulering spelen mee.

Verder dan de basis

De volgende toepassingen hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Essere als hulpwerkwoord

In samengestelde tijden kan essere als hulpwerkwoord dienen bij onder meer veel werkwoorden van beweging of toestandsverandering en bij wederkerende werkwoorden. Een hulpwerkwoord helpt een andere werkwoordsvorm te maken. Het voltooid deelwoord (de vorm zoals Nederlands “gegaan” of “geworden”) stemt dan af op het onderwerp:

  • Maria è arrivata. — Maria is aangekomen.
  • Luca è arrivato. — Luca is aangekomen.
  • Le ragazze sono partite. — De meisjes zijn vertrokken.
  • Ci siamo svegliati presto. — We zijn vroeg wakker geworden.

Niet elk Italiaans werkwoord dat in het Nederlands met zijn wordt voltooid, volgt automatisch dezelfde keuze. Leer het hulpwerkwoord daarom samen met het werkwoord.

De lijdende vorm

Op B2-niveau ontmoet je essere ook in de passieve of lijdende vorm, waarbij de aandacht ligt op wie of wat de handeling ondergaat:

  • La porta è chiusa dal custode. — De deur wordt door de conciërge gesloten.
  • I documenti sono stati firmati. — De documenten zijn ondertekend.

Ook hier past het voltooid deelwoord zich aan het grammaticale onderwerp aan: porta chiusa, documenti firmati.

Andere wijzen en tijden

Naast de tegenwoordige tijd heeft essere veel onregelmatige vormen, zoals ero (“ik was”), sarò (“ik zal zijn”), sarei (“ik zou zijn”) en sia. Sia hoort bij de aanvoegende wijs (een werkwoordsvorm die onder meer onzekerheid, wens of beoordeling kan uitdrukken): Penso che sia vero — “Ik denk dat het waar is.” Probeer deze vormen niet allemaal tegelijk te leren; bouw voort op de zes tegenwoordige vormen.

Esserci: aanwezig of beschikbaar zijn

De combinatie van essere met ci levert esserci op. In de tegenwoordige tijd herken je vooral c'è en ci sono. Daarmee introduceer je iets nieuws of zeg je dat iets bestaat: C'è tempo — “Er is tijd”; Ci sono due possibilità — “Er zijn twee mogelijkheden.” Dit is verwant aan essere, maar heeft een eigen zinsbouw en verdient afzonderlijke oefening.

Oefentips

  1. Leer in twee ritmes. Zeg eerst sono–sei–è en daarna siamo–siete–sono. Maak vervolgens voor elke vorm één persoonlijke zin. Wissel de naamwoorden af, zodat je niet alleen het rijtje maar ook het gebruik traint.
  2. Oefen Nederlandse valkuilen in paren. Vergelijk hardop Sono stanco met Ho fame, en Le chiavi sono sul tavolo met Ci sono delle chiavi sul tavolo. Zo leer je wanneer Nederlands “zijn” niet rechtstreeks naar essere leidt.
  3. Controleer drie punten per zin. Kijk na of je de juiste persoonsvorm hebt, of è zijn accent heeft en of een beschrijvend woord overeenkomt: è pronta, sono pronti, sono pronte. Laat het onderwerp daarna weg wanneer het niet nodig is.

Verwante onderwerpen

languages.concept.prerequisite

Onderwerpsvoornaamwoorden in het ItaliaansA1

languages.concept.buildsOn

languages.concept.related

languages.concept.otherLanguages

languages.concept.compareLanguages

languages.cta.conceptText

languages.cta.practiceConceptButton