A1

Het Duitse werkwoord „werden” in de tegenwoordige tijd

Verb 'werden' im Präsens

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

In het kort

Werden betekent als zelfstandig werkwoord meestal worden of raken: Ich werde müde betekent „Ik word moe”. De vormen zijn onregelmatig: ich werde, du wirst, er/sie/es wird, wir werden, ihr werdet, sie/Sie werden. Vooral wirst en wird moet je apart leren; ze volgen niet het Nederlandse patroon met wordt.

Overzicht

Werden beschrijft een verandering: iemand krijgt een beroep, een toestand verandert of het weer slaat om. Het gaat dus niet om hoe iets nu is, maar om de overgang naar een nieuwe toestand. Vergelijk Es ist kalt („Het is koud”) met Es wird kalt („Het wordt koud”). Dat verschil komt in alledaagse gesprekken voortdurend voor.

Dit is een belangrijk onderwerp op A1-niveau. Je hebt de vormen nodig om te praten over moe worden, ouder worden, het weer en plannen of ontwikkelingen. Het onderwerp (wie of wat de verandering ondergaat) staat in een gewone hoofdzin meestal vóór de persoonsvorm: Meine Tochter wird Ärztin.

Voor Nederlandstaligen is de basisbetekenis prettig herkenbaar: Duits werden en Nederlands worden zijn nauw verwant. Juist daardoor liggen fouten op de loer. De Duitse vormen wirst en wird lijken niet op Nederlands wordt, en Duits gebruikt werden later ook als hulpwerkwoord voor de lijdende vorm en de toekomst. De beginnersregel blijft echter eenvoudig: leer eerst de zes tegenwoordige vormen en gebruik ze voor een verandering.

Hoe het werkt

De vervoeging

De infinitief (de onverbogen vorm van het werkwoord) is werden. In het enkelvoud verandert niet alleen de uitgang, maar ook de stam. Daarom kun je de vormen niet betrouwbaar maken door simpelweg een gewone uitgang achter werd- te zetten.

Persoon Duitse vorm Nederlandse betekenis
ich werde ik word
du wirst jij wordt
er / sie / es wird hij / zij / het wordt
wir werden wij worden
ihr werdet jullie worden
sie werden zij worden
Sie werden u wordt / u wordt allen

Let op de drie enkelvoudsvormen: werde – wirst – wird. Bij du en er/sie/es verandert de klinker en verdwijnt de tweede e. De meervoudsvormen zijn regelmatiger. Sie met een hoofdletter is de beleefde aanspreekvorm en krijgt, net als bij andere Duitse werkwoorden, dezelfde vorm als sie in het meervoud.

Verandering van toestand

Na werden staat vaak een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt), zoals kalt, müde, ruhig of nervös:

  • Das Essen wird kalt. — Het eten wordt koud.
  • Wir werden langsam müde. — We worden langzaam moe.
  • Warum wirst du nervös? — Waarom word je zenuwachtig?

Het bijvoeglijk naamwoord krijgt hier geen uitgang. Het beschrijft de toestand die ontstaat en staat niet rechtstreeks vóór een zelfstandig naamwoord. Vergelijk ein kalter Tag met Der Tag wird kalt: alleen in de eerste woordgroep staat kalt vóór het zelfstandig naamwoord en krijgt het een uitgang.

Met woorden als langsam, allmählich, plötzlich, immer en bald kun je het verloop preciezer maken:

  • Es wird langsam dunkel. — Het wordt langzaam donker.
  • Die Situation wird immer schwieriger. — De situatie wordt steeds moeilijker.
  • Plötzlich wird es still. — Plotseling wordt het stil.

Een nieuwe rol, identiteit of beroep

Werden kan ook aangeven dat iemand of iets een nieuwe rol krijgt. Na het werkwoord kan dan een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of begrip) staan:

  • Er wird Arzt. — Hij wordt arts.
  • Meine Schwester wird Lehrerin. — Mijn zus wordt lerares.
  • Das Dorf wird eine Stadt. — Het dorp wordt een stad.

Bij beroepen staat in het Duits doorgaans geen lidwoord wanneer alleen het beroep bedoeld wordt: Sie wird Ärztin, niet Sie wird eine Ärztin. Een lidwoord is wel mogelijk als er extra informatie of een bijzondere typering volgt: Sie wird eine ausgezeichnete Ärztin („Ze wordt een uitstekende arts”). Dit lijkt sterk op het Nederlands.

Het naamwoord na werden staat in de nominatief (de vorm voor het onderwerp en de gelijkstelling daarmee). Bij Mein Bruder wird ein guter Lehrer verwijzen mein Bruder en ein guter Lehrer naar dezelfde persoon. Er is geen lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat).

Woordvolgorde in hoofdzinnen en vragen

In een gewone Duitse hoofdzin staat de vervoegde werkwoordsvorm op de tweede zinsplaats. De eerste plaats kan door het onderwerp worden ingenomen, maar ook door een tijdsbepaling of een ander zinsdeel:

  • Ich werde heute früh müde.
  • Heute werde ich früh müde.
  • Im Herbst werden die Tage kürzer.

Als iets anders vooraan staat, komt het onderwerp dus na werde/wirst/wird/werden/werdet. Dat lijkt op het Nederlands: „Vandaag word ik vroeg moe.”

In een ja-neevraag komt de persoonsvorm vooraan:

  • Wirst du bald fertig? — Ben je snel klaar?
  • Wird das Wetter besser? — Wordt het weer beter?

Bij een vraagwoord staat het vraagwoord eerst en de persoonsvorm daarna: Wann wird es dunkel? („Wanneer wordt het donker?”).

Ontkenning

Gebruik meestal nicht om een verandering of eigenschap te ontkennen:

  • Es wird nicht kalt. — Het wordt niet koud.
  • Ich werde nicht nervös. — Ik word niet zenuwachtig.

Voor een zelfstandig naamwoord zonder bepaald lidwoord gebruik je vaak kein: Er wird kein Arzt („Hij wordt geen arts”). Met een tegenstelling klinkt ook nicht natuurlijk: Er wird nicht Arzt, sondern Lehrer („Hij wordt geen arts, maar leraar”).

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Es wird kalt. Het wordt koud. Verandering van het weer
Ich werde müde. Ik word moe. ich werde
Er wird Arzt. Hij wordt arts. Beroep zonder lidwoord
Du wirst jeden Tag besser. Je wordt elke dag beter. du wirst
Meine Tochter wird morgen zehn. Mijn dochter wordt morgen tien. Leeftijd die iemand bereikt
Im Winter werden die Nächte länger. In de winter worden de nachten langer. Meervoud: werden
Werdet ihr schon müde? Worden jullie al moe? Vraag met ihr werdet
Frau Keller wird unsere neue Chefin. Mevrouw Keller wordt onze nieuwe leidinggevende. Nieuwe rol met nadere bepaling
Warum wird das Kind so ruhig? Waarom wordt het kind zo stil? Vraagwoord plus wird
Langsam werde ich ungeduldig. Langzaam word ik ongeduldig. Ander zinsdeel op plaats één
Das Problem wird nicht kleiner. Het probleem wordt niet kleiner. Ontkenning met nicht
Sie werden bald Eltern. Zij worden binnenkort ouders. sie werden in het meervoud
Werden Sie nervös? Wordt u zenuwachtig? Beleefde aanspreekvorm
Wenn es dunkel wird, gehen wir nach Hause. Als het donker wordt, gaan we naar huis. wird achteraan in een bijzin

De Nederlandse vertaling hoeft niet altijd letterlijk worden te bevatten. Wirst du bald fertig? wordt natuurlijker vertaald als „Ben je snel klaar?” en Es wird dunkel kan ook „Het begint donker te worden” betekenen. Kijk daarom steeds naar de verandering die de Duitse zin uitdrukt, niet alleen naar één vast Nederlands woord.

Veelgemaakte fouten

1. Du wirst vervangen door een regelmatige vorm

  • Fout: Du werdest müde.
  • Goed: Du wirst müde.
  • Waarom: De tegenwoordige vorm bij du is onregelmatig: wirst. Werdest hoort niet bij het gewone tegenwoordige paradigma dat je hier leert.

2. Een Nederlandse t in wird stoppen

  • Fout: Es wirdt kalt.
  • Goed: Es wird kalt.
  • Waarom: Nederlands het wordt eindigt op -dt, maar Duits schrijft wird zonder extra t. Ook du wirdst is fout; het is du wirst.

3. Sein gebruiken wanneer er echt iets verandert

  • Fout: Ich bin müde als je wilt zeggen dat je moe aan het worden bent.
  • Goed: Ich werde müde.
  • Waarom: Sein beschrijft een toestand: „Ik ben moe.” Werden beschrijft de overgang: „Ik word moe.” Beide zinnen zijn correct, maar ze betekenen niet hetzelfde.

4. Een lidwoord voor ieder beroep zetten

  • Minder natuurlijk: Er wird ein Arzt.
  • Gewoonlijk: Er wird Arzt.
  • Waarom: Bij een beroep zonder verdere omschrijving laat het Duits het lidwoord meestal weg. Met een eigenschap is het wel normaal: Er wird ein guter Arzt.

5. Nederlandse woordvolgorde half overnemen

  • Fout: Heute ich werde früh müde.
  • Goed: Heute werde ich früh müde.
  • Waarom: In een hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Staat heute vooraan, dan volgt werde direct daarna.

6. Ich werde kalt gebruiken voor „Ik krijg het koud”

  • Misleidend: Ich werde kalt.
  • Natuurlijk: Mir wird kalt.
  • Waarom: Ich werde kalt kan betekenen dat je lichaam zelf koud wordt. Voor de ervaring „ik krijg het koud” gebruikt het Duits vaak mir: letterlijk ongeveer „voor mij wordt het koud”. Deze constructie is wat gevorderder, maar zeer gebruikelijk.

Gebruiksnotities

Werden tegenover bekommen

Het Nederlandse worden correspondeert vaak met Duits werden, maar Nederlands krijgen wordt niet automatisch werden. Duits bekommen betekent meestal „krijgen” of „ontvangen”: Ich bekomme eine Nachricht („Ik krijg een bericht”). Bij een verandering van eigenschap gebruik je werden: Ich werde krank („Ik word ziek”).

Andersom vertaalt Nederlands een Duitse verandering soms met raken, gaan of beginnen te: Er wird wütend is „Hij wordt/raakt boos”; Es wird dunkel is „Het wordt donker” of „Het begint donker te worden”. Zulke vertalingen veranderen niets aan de Duitse vervoeging.

Leeftijd en ontwikkeling

Voor de leeftijd die iemand bereikt, is werden heel gewoon: Ich werde im Mai dreißig („Ik word in mei dertig”). Voor de huidige leeftijd gebruikt Duits sein: Ich bin neunundzwanzig Jahre alt („Ik ben negenentwintig jaar oud”). Zeg dus niet Ich werde dreißig Jahre alt als je bedoelt dat je nu dertig bent; die zin gaat over het bereiken van die leeftijd.

Ervaringen met mir, dir, ihm …

Bij lichamelijke of gevoelsmatige veranderingen komen vormen voor als:

  • Mir wird warm. — Ik krijg het warm.
  • Wird dir schlecht? — Word je misselijk?
  • Den Kindern wird langweilig. — De kinderen beginnen zich te vervelen.

Mir, dir en den Kindern staan in de datief (de vorm die hier de persoon met de ervaring aanwijst). Voor A1 is het voldoende om Mir wird kalt/warm als nuttig patroon te herkennen en te leren. De volledige datief kun je later systematisch bestuderen.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

De volgende toepassingen hoef je op A1 nog niet zelf te beheersen. Ze verklaren wel waarom werden zo vaak voorkomt in Duitse teksten.

Hulpwerkwoord voor de toekomst

Met een infinitief kan werden een verwachting, voorspelling of toekomstige gebeurtenis uitdrukken:

  • Morgen wird es regnen. — Morgen zal het regenen.
  • Wir werden später darüber sprechen. — We zullen er later over praten.

De vervoegde vorm van werden staat in de hoofdzin op de tweede plaats; de infinitief staat achteraan. Duits gebruikt voor nabije of geplande toekomst ook vaak gewoon de tegenwoordige tijd: Morgen fahre ich nach Berlin. De vorm met werden is dus niet bij elke verwijzing naar de toekomst verplicht.

Hulpwerkwoord voor de lijdende vorm

Werden vormt ook de lijdende vorm, waarbij de handeling of het resultaat centraal staat en niet degene die handelt:

  • Das Essen wird gekocht. — Het eten wordt gekookt.
  • Die Türen werden um acht Uhr geöffnet. — De deuren worden om acht uur geopend.

Hier staat achter werden een voltooid deelwoord (een werkwoordsvorm zoals gekocht of geöffnet). Verwar dit niet met het zelfstandige gebruik: in Das Essen wird kalt is kalt een eigenschap; in Das Essen wird gekocht is gekocht een handeling in de lijdende vorm.

Bijzinnen

In een bijzin die begint met bijvoorbeeld weil, wenn of dass, staat de vervoegde vorm meestal achteraan:

  • Ich gehe nach Hause, weil ich müde werde. — Ik ga naar huis omdat ik moe word.
  • Sie sagt, dass das Wetter besser wird. — Ze zegt dat het weer beter wordt.

Bij toekomstige of lijdende constructies staan er meerdere werkwoordsvormen aan het einde. Dat is stof voor later; houd voor nu het eenvoudige patroon vast: in een bijzin verhuist werde/wirst/wird/werden/werdet naar het einde.

Würde is geen tegenwoordige vorm

Je zult ook würde tegenkomen, bijvoorbeeld in Ich würde gern kommen („Ik zou graag komen”). Dat is de Konjunktiv II (een werkwoordsvorm voor onder meer beleefde, denkbeeldige of voorwaardelijke situaties), niet de gewone tegenwoordige tijd van dit artikel. Schrijf dus ich werde voor „ik word” en ich würde voor „ik zou”.

Oefentips

  1. Leer de vormen in drie blokken. Zeg hardop: werde – wirst – wird, daarna werden – werdet – werden. Maak vervolgens bij elke vorm één korte zin met müde, kalt of een beroep.
  2. Oefen het verschil tussen toestand en verandering. Maak paren als Das Wetter ist schön / Das Wetter wird schön en Ich bin nervös / Ich werde nervös. Vertaal telkens bewust met „is” tegenover „wordt”.
  3. Wissel de eerste zinsplaats. Begin met ich, daarna met heute, langsam of im Winter: Ich werde müdeHeute werde ich früh müde. Zo oefen je de vorm én de Duitse woordvolgorde.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het DuitsA1

Meer A1-concepten

Oefen Verb 'werden' im Präsens in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen