Het Plusquamperfekt in het Duits
Plusquamperfekt
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.
In het kort
Het Plusquamperfekt drukt uit dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden: Ich hatte schon gegessen, als er kam (“Ik had al gegeten toen hij kwam”). Je vormt het met hatte of war en een Partizip II (voltooid deelwoord): hatte gegessen, war gegangen. Welke van de twee hulpwerkwoorden je kiest, volgt dezelfde regel als bij het Perfekt.
Overzicht
Het Duitse Plusquamperfekt komt meestal overeen met de Nederlandse voltooid verleden tijd: “ik had gewerkt”, “zij was vertrokken”. Het maakt de volgorde van twee gebeurtenissen in het verleden duidelijk. De eerdere gebeurtenis staat in het Plusquamperfekt; voor de latere gebeurtenis gebruikt het Duits doorgaans het Präteritum of Perfekt.
Vergelijk: Als ich am Bahnhof ankam, war der Zug schon abgefahren. Eerst vertrok de trein; daarna kwam ik bij het station aan. Het woord schon helpt, maar de werkwoordsvorm war abgefahren laat op zichzelf al zien dat het vertrek eerder plaatsvond.
Dit onderwerp hoort bij B2 omdat het vooral nuttig is in langere verhalen, verslagen en verklaringen. Voor Nederlandstaligen is de basis herkenbaar. Toch ontstaan er fouten door de Duitse keuze tussen hatte en war, de plaats van het voltooid deelwoord en de eindpositie van het vervoegde werkwoord in een bijzin.
Hoe het werkt
De basisformule
Het Plusquamperfekt bestaat uit twee delen:
verleden tijd van haben of sein + Partizip II
Het hulpwerkwoord (het werkwoord dat helpt om de tijd te vormen) wordt vervoegd als hatte of war. Het Partizip II is het voltooid deelwoord, bijvoorbeeld gemacht, gesehen of gefahren.
| Persoon | haben | sein |
|---|---|---|
| ich | hatte | war |
| du | hattest | warst |
| er/sie/es | hatte | war |
| wir | hatten | waren |
| ihr | hattet | wart |
| sie/Sie | hatten | waren |
Het Partizip II verandert niet mee met persoon of getal:
- ich hatte gearbeitet
- du hattest gearbeitet
- wir hatten gearbeitet
Hatte of war kiezen
De keuze is dezelfde als bij het Perfekt. Heeft een werkwoord in het Perfekt haben, dan krijgt het in het Plusquamperfekt hatte: ich habe gelesen wordt ich hatte gelesen. Heeft het Perfekt sein, dan wordt bin/ist/sind vervangen door een vorm van war: sie ist gegangen wordt sie war gegangen.
De meeste werkwoorden nemen haben. Daaronder vallen werkwoorden met een lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat), zoals das Buch lesen, en veel activiteiten zonder duidelijke verplaatsing of toestandsverandering:
- Er hatte das Buch gelesen.
- Wir hatten lange gearbeitet.
- Sie hatte geschlafen.
Sein komt vooral voor bij een verplaatsing van de ene plaats naar de andere en bij een duidelijke verandering van toestand:
- Der Zug war abgefahren.
- Sie war eingeschlafen.
- Wir waren angekommen.
Ook sein, werden en bleiben vormen hun voltooide tijden met sein: war gewesen, war geworden, war geblieben. Leer bij twijfel het Perfekt altijd samen met het werkwoord: fahren – ist gefahren, besuchen – hat besucht.
Het Partizip II vormen
De vorming is dezelfde als in het Perfekt:
| Soort werkwoord | Patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| regelmatig | ge- + stam + -t | machen → gemacht |
| sterk, vaak met klinkerwisseling | meestal ge- + stam + -en | sehen → gesehen |
| onscheidbaar voorvoegsel | geen ge- | besuchen → besucht |
| werkwoord op -ieren | geen ge- | studieren → studiert |
| scheidbaar voorvoegsel | ge- tussen voorvoegsel en stam | einkaufen → eingekauft |
Omdat dit artikel voortbouwt op het Perfekt, is het verstandig onregelmatige vormen als één geheel te leren: essen – gegessen – hat gegessen en gehen – gegangen – ist gegangen.
Woordvolgorde in een hoofdzin
In een gewone mededelende hoofdzin staat de vervoegde vorm van hatte of war op de tweede zinsplaats. Het Partizip II staat aan het einde. Samen vormen ze een zinshaak: de twee werkwoordelijke delen omsluiten het midden van de zin.
- Ich hatte vor dem Termin noch schnell gegessen.
- Der Bus war bereits abgefahren.
- Vor dem Termin hatte ich noch schnell gegessen.
“Op de tweede zinsplaats” betekent niet altijd “als tweede woord”. In de laatste zin neemt Vor dem Termin samen de eerste plaats in.
Bij een ja-neevraag staat het hulpwerkwoord vooraan:
- Hattest du die E-Mail schon gelesen?
- War sie damals schon umgezogen?
Woordvolgorde in een bijzin
Een bijzin is een zinsdeel dat met bijvoorbeeld weil, als of nachdem begint en niet zelfstandig de hoofdmededeling vormt. Daar staat de hele werkwoordgroep aan het einde. Het Partizip II komt vóór hatte of war:
- ..., weil ich den Schlüssel vergessen hatte
- ..., als der letzte Gast gegangen war
- ..., nachdem wir alles besprochen hatten
Dat verschilt zichtbaar van de hoofdzin: Ich hatte den Schlüssel vergessen. → ..., weil ich den Schlüssel vergessen hatte.
Twee momenten in het verleden
Het Plusquamperfekt geeft meestal de eerdere van twee gebeurtenissen aan:
- Sie hatte die Tür abgeschlossen.
- Dann verließ sie das Haus.
In één zin kan dat worden: Nachdem sie die Tür abgeschlossen hatte, verließ sie das Haus. Het latere moment staat hier in het Präteritum (verließ). In een informeel gesprek kan ook het Perfekt voorkomen: Nachdem sie die Tür abgeschlossen hatte, hat sie das Haus verlassen.
Voorbeelden in context
| Duits | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Ich hatte schon gegessen, als er kam. | Ik had al gegeten toen hij kwam. | Het eten gebeurde eerst. |
| Sie war schon gegangen. | Ze was al vertrokken. | Gehen neemt sein. |
| Nachdem er gearbeitet hatte, ging er nach Hause. | Nadat hij had gewerkt, ging hij naar huis. | In de bijzin staat hatte achteraan. |
| Als wir ankamen, hatte der Film bereits begonnen. | Toen wij aankwamen, was de film al begonnen. | Beginnen neemt in het Duits haben. |
| Der Zug war abgefahren, bevor wir den Bahnsteig erreichten. | De trein was vertrokken voordat we het perron bereikten. | Een eerdere verplaatsing met sein. |
| Warum hattest du mir nichts gesagt? | Waarom had je me niets gezegd? | Vraag met het Partizip II aan het einde. |
| Niemand konnte hinein, weil Anna die Tür abgeschlossen hatte. | Niemand kon naar binnen, omdat Anna de deur op slot had gedaan. | De reden ligt vóór het beschreven gevolg. |
| Wir waren noch nie in Berlin gewesen. | We waren nog nooit in Berlijn geweest. | Plusquamperfekt van sein: waren gewesen. |
| Vor dem Umzug hatte er zehn Jahre in Köln gewohnt. | Voor de verhuizing had hij tien jaar in Keulen gewoond. | Een toestand die vóór een later verleden duurde. |
| Kaum hatte ich mich hingesetzt, klingelte das Telefon. | Ik was nauwelijks gaan zitten of de telefoon ging. | Kaum benadrukt dat het tweede meteen volgde. |
| Sie fand den Schlüssel dort, wo sie ihn hingelegt hatte. | Ze vond de sleutel waar ze hem had neergelegd. | De sleutel was eerder neergelegd. |
| Hattet ihr die Tickets vorher online gekauft? | Hadden jullie de kaartjes vooraf online gekocht? | Ja-neevraag met hattet vooraan. |
| Nachdem das Kind eingeschlafen war, wurde es im Haus ruhig. | Nadat het kind in slaap was gevallen, werd het rustig in huis. | Toestandsverandering met sein. |
Veelgemaakte fouten
1. Het hulpwerkwoord uit het Nederlands overnemen
- Fout: Der Film war schon begonnen.
- Goed: Der Film hatte schon begonnen.
- Waarom: In het Nederlands zeggen we “de film was begonnen”, maar Duits beginnen vormt het Perfekt met haben: Der Film hat begonnen. Daarom is het Plusquamperfekt hatte begonnen. De Nederlandse keuze is dus geen betrouwbare gids.
2. Haben gebruiken bij elk werkwoord
- Fout: Sie hatte schon nach Hause gegangen.
- Goed: Sie war schon nach Hause gegangen.
- Waarom: Gehen vormt het Perfekt met sein: sie ist gegangen. In het Plusquamperfekt wordt dat sie war gegangen.
3. Het hulpwerkwoord in een bijzin te vroeg zetten
- Fout: Nachdem er hatte gearbeitet, ging er nach Hause.
- Goed: Nachdem er gearbeitet hatte, ging er nach Hause.
- Waarom: In een gewone Duitse bijzin staat de vervoegde vorm achteraan. Eerst komt het Partizip II, daarna hatte of war.
4. Beide gebeurtenissen in het Plusquamperfekt zetten
- Fout: Nachdem er gegessen hatte, hatte er das Restaurant verlassen.
- Goed: Nachdem er gegessen hatte, verließ er das Restaurant.
- Waarom: Het Plusquamperfekt markeert normaal de eerdere achtergrondgebeurtenis. De gebeurtenis die daarna het verhaal voortzet, staat meestal in het Präteritum of Perfekt. De foute zin is niet onder alle omstandigheden onmogelijk, maar zonder extra verleden referentiepunt klinkt hij onnodig en onduidelijk.
5. Het voorvoegsel ge- verkeerd gebruiken
- Fout: Ich hatte die Stadt gebesucht.
- Goed: Ich hatte die Stadt besucht.
- Waarom: Werkwoorden met een onscheidbaar voorvoegsel zoals be-, ver- of ent- krijgen geen ge- in het Partizip II.
6. Het Partizip II direct na hatte plaatsen
- Fout: Ich hatte vergessen den Termin.
- Goed: Ich hatte den Termin vergessen.
- Waarom: In de neutrale Duitse hoofdzin staat het Partizip II achteraan. Dat is voor Nederlanders extra opletten, omdat gesproken Nederlands soms werkwoordelijke delen eerder bij elkaar houdt.
Gebruiksnotities
Vertellen en verslag doen
Het Plusquamperfekt komt vaak voor wanneer een verhaal al in het verleden staat en de spreker nog verder teruggaat. Na één duidelijke terugblik kan een schrijver soms weer het Präteritum gebruiken zodra de tijdsvolgorde vaststaat. Het is dus niet nodig iedere zin over het eerdere tijdvak mechanisch in het Plusquamperfekt te zetten.
In geschreven verhalen is de combinatie Plusquamperfekt voor eerder + Präteritum voor later heel gebruikelijk. In alledaagse spreektaal gebruikt men voor het latere moment vaak het Perfekt. Het Plusquamperfekt zelf blijft in beide registers normaal:
- geschreven: Nachdem sie gegessen hatte, ging sie los.
- gesproken: Nachdem sie gegessen hatte, ist sie losgegangen.
Signaalwoorden helpen, maar bepalen de tijd niet alleen
Woorden als schon, bereits, vorher, zuvor, noch nie, nachdem en bevor maken de volgorde vaak expliciet. Toch is het de relatie tussen de gebeurtenissen die telt. Gestern hatte ich keine Zeit bevat bijvoorbeeld hatte, maar dat is gewoon het Präteritum van het zelfstandige werkwoord haben (“ik had geen tijd”), geen Plusquamperfekt. Voor een Plusquamperfekt is ook een Partizip II nodig: Ich hatte keine Zeit gehabt.
Nachdem en de tijdsvolgorde
In verzorgde vertelstijl staat de eerdere handeling na nachdem vaak in het Plusquamperfekt: Nachdem wir bezahlt hatten, gingen wir. In hedendaags taalgebruik komt ook dezelfde voltooide tijd in beide zinsdelen voor, vooral in gesprekken. Voor helder en verzorgd B2-Duits is de combinatie met Plusquamperfekt echter een veilige keuze wanneer de hoofdhandeling in het verleden ligt.
Verder dan de basis
Een eerdere toestand, niet alleen een korte handeling
Het Plusquamperfekt kan ook een toestand of activiteit beschrijven die langere tijd vóór een ander verleden moment gold:
- Sie hatte damals schon fünf Jahre in Wien gelebt.
- Er war lange krank gewesen, bevor er wieder arbeitete.
Een tijdsbepaling als seit drei Jahren kan tonen dat de toestand tot het toenmalige referentiepunt voortduurde: Als ich ihn traf, hatte er seit drei Jahren in Wien gelebt. Afhankelijk van de bedoelde voortduur kan een andere formulering natuurlijker zijn; de context moet duidelijk maken of hij daarna nog in Wenen woonde.
Kaum, noch nicht en onverwachte gevolgen
Met kaum kun je twee gebeurtenissen heel dicht op elkaar plaatsen: Kaum hatte der Vortrag begonnen, fiel der Strom aus. De constructie betekent ongeveer “de lezing was nog maar net begonnen of de stroom viel uit”. Met noch nicht laat je juist zien dat iets vóór het referentiepunt niet voltooid was: Ich hatte den Bericht noch nicht gelesen, als sie anrief.
Plusquamperfekt in niet-werkelijke voorwaarden
De vorm hätte/wäre + Partizip II lijkt erop, maar is geen gewoon Plusquamperfekt. Het is de Konjunktiv II van het verleden (een vorm voor een niet-werkelijke of gemiste mogelijkheid):
- werkelijk verleden: Ich hatte früher gebucht. — Ik had eerder geboekt.
- niet-werkelijke mogelijkheid: Wenn ich früher gebucht hätte, wäre es billiger gewesen. — Als ik eerder had geboekt, was het goedkoper geweest.
Let op de vormen hätte en wäre met umlaut. Ze vertellen niet simpelweg wat eerst gebeurde, maar wat had kunnen gebeuren en niet gebeurde. Dat onderscheid is belangrijk in advies achteraf, spijt en voorwaardelijke zinnen.
Modale werkwoorden en de dubbele infinitief
Bij modale werkwoorden zoals müssen en können gebruikt het Duits vaak een dubbele infinitief: twee hele werkwoorden aan het einde in plaats van een gewoon Partizip II.
- Ich hatte lange arbeiten müssen. — Ik had lang moeten werken.
- Sie hatte nicht kommen können. — Ze had niet kunnen komen.
In een bijzin is de woordvolgorde bijzonder: ..., weil ich lange hatte arbeiten müssen. Het vervoegde hulpwerkwoord staat hier vóór de twee infinitieven. Dit is een gevorderde uitzondering op de gewone regel Partizip II + hatte/war en verdient afzonderlijke oefening.
Oefentips
- Bouw tijdlijnen met twee gebeurtenissen. Schrijf eerst “trein vertrekt” en daarna “ik kom aan”. Maak vervolgens: Als ich ankam, war der Zug abgefahren. Zo koppel je de vorm aan de betekenis in plaats van alleen aan een signaalwoord.
- Leer elk werkwoord met zijn Perfekt-hulpwerkwoord. Maak paren als hat gegessen → hatte gegessen en ist angekommen → war angekommen. Dat voorkomt dat je bij iedere zin opnieuw moet gokken.
- Oefen hoofdzin en bijzin als paar. Zet Wir hatten alles vorbereitet om in ..., nachdem wir alles vorbereitet hatten. Lees beide hardop, zodat de Duitse zinshaak en de eindpositie vanzelfsprekender gaan klinken.
Verwante onderwerpen
- Vooraf nodig: Perfekt met haben — herhaal hier de vorming van het Partizip II en de basis van de voltooide tijden.
Vereiste kennis
Het Perfekt met *haben* in het DuitsA2Meer B2-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Plusquamperfekt in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · B2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen