B1

Voltooid verleden tijd in het Nederlands

Voltooid Verleden Tijd

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Nederlands op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Met de voltooid verleden tijd (vvt) vertel je dat iets al voltooid was vóór een ander moment in het verleden: Ik had al gegeten toen hij kwam. Je maakt deze tijd met had/hadden of was/waren plus een voltooid deelwoord (de werkwoordsvorm in bijvoorbeeld gegeten of vertrokken). Het hulpwerkwoord is hetzelfde als in de voltooid tegenwoordige tijd, maar staat nu in de verleden tijd.

Overzicht

Wie over het verleden vertelt, moet soms twee momenten uit elkaar houden. In Toen ik bij het station aankwam, was de trein al vertrokken gebeurde het vertrek eerst; mijn aankomst kwam daarna. De voltooid verleden tijd maakt die volgorde meteen duidelijk. Daarom wordt deze tijd ook wel het plusquamperfectum genoemd.

De vvt komt meestal aan bod op niveau B1. De vorm zelf is niet helemaal nieuw: als je ik heb gegeten en zij is vertrokken kent, hoef je alleen heb/heeft door had en is door was te vervangen. De echte uitdaging zit in het gebruik. Je kiest de vvt niet simpelweg omdat iets lang geleden is, maar omdat je terugkijkt vanuit een ander verleden moment.

Je hoort en leest de vvt veel in verhalen, nieuwsberichten, gesprekken over ervaringen en verklaringen van oorzaken. Woorden als al, nog niet, nooit, net, toen en nadat helpen vaak om de tijdsrelatie te herkennen, maar ze zijn niet verplicht.

Zo werkt het

De basisvorm

De opbouw is:

onderwerp + had/hadden of was/waren + voltooid deelwoord

Het onderwerp is degene of datgene waarover de zin iets zegt. Het hulpwerkwoord wordt aangepast aan het onderwerp; het voltooid deelwoord verandert niet.

Persoon Met hebben Met zijn
ik had gewerkt was gegaan
jij/je, u had gewerkt was gegaan
hij, zij/ze, het had gewerkt was gegaan
wij/we hadden gewerkt waren gegaan
jullie hadden gewerkt waren gegaan
zij/ze hadden gewerkt waren gegaan

Er zijn dus maar twee vormen van elk hulpwerkwoord:

  • enkelvoud: had of was;
  • meervoud: hadden of waren.

Hebben of zijn kiezen

Je gebruikt in de vvt hetzelfde hulpwerkwoord als in de voltooid tegenwoordige tijd:

  • Ik heb de deur geslotenIk had de deur gesloten.
  • Zij is naar huis gegaanZij was naar huis gegaan.
  • De prijzen zijn gestegenDe prijzen waren gestegen.

De meeste werkwoorden krijgen hebben. Zijn hoort onder meer bij veel werkwoorden die een verandering of een gerichte verplaatsing uitdrukken, zoals vertrekken, aankomen, vallen, groeien, sterven en worden. Ook zijn zelf vormt de voltooide tijden met zijn: Hij was ziek geweest.

Bij sommige bewegingswerkwoorden hangt de keuze af van de betekenis. Vergelijk:

Betekenis Voltooid tegenwoordige tijd Voltooid verleden tijd
activiteit zonder genoemde bestemming We hebben uren gefietst. We hadden uren gefietst.
verplaatsing naar een bestemming We zijn naar Utrecht gefietst. We waren naar Utrecht gefietst.

Leer het hulpwerkwoord daarom bij het werkwoord en de betekenis, niet als een losse lijst zonder voorbeelden.

Het voltooid deelwoord

Regelmatige voltooid deelwoorden hebben vaak ge- en eindigen op -d of -t: gemaakt, geleerd, gewerkt. Werkwoorden met een onbeklemtoond voorvoegsel zoals be-, ge-, her-, ont- of ver- krijgen gewoonlijk geen extra ge- (betaald, herhaald, ontdekt, verteld). Bij scheidbare werkwoorden staat ge meestal tussen de twee delen: opgebeld, afgemaakt, teruggekomen.

Veel veelgebruikte werkwoorden zijn onregelmatig. Hun deelwoord moet je apart leren:

Hele werkwoord Voltooid deelwoord Voorbeeld in de vvt
eten gegeten Ik had gegeten.
zien gezien Wij hadden het gezien.
schrijven geschreven Zij had een brief geschreven.
gaan gegaan Hij was al gegaan.
komen gekomen De bus was te laat gekomen.
zijn geweest Ik was daar eerder geweest.

Twee verleden momenten

De vvt wijst meestal naar de vroegste van twee gebeurtenissen:

  1. Eerst: ik at.
  2. Daarna: hij kwam.
  3. Samen: Ik had gegeten toen hij kwam.

Het latere moment staat vaak in de onvoltooid verleden tijd (ovt), zoals kwam, zag of begon. Het hoeft niet altijd als aparte gebeurtenis genoemd te worden. In Zij was al vertrokken blijkt het vergelijkingsmoment vaak uit de situatie: bijvoorbeeld het moment waarop iemand bij haar huis aankwam.

Woordvolgorde in een hoofdzin

In een gewone mededelende hoofdzin staat het vervoegde hulpwerkwoord op de tweede zinsplaats. Het voltooid deelwoord staat meestal aan het einde:

  • Ik had de film al gezien.
  • De gasten waren nog niet aangekomen.
  • Voor de vergadering hadden we alles goed voorbereid.

Begint de zin met een ander zinsdeel, dan komt het onderwerp na het hulpwerkwoord: Voor de vergadering hadden we alles voorbereid. Dat is dezelfde omkering die ook in andere Nederlandse hoofdzinnen voorkomt.

Bij een ja-neevraag staat het hulpwerkwoord vooraan:

  • Had je die film al gezien?
  • Waren de gasten al vertrokken?

Bij ontkenning staat niet meestal vóór het voltooid deelwoord: Wij hadden het niet gezien. Een ontkennend woord kan dezelfde functie hebben: Ik was daar nog nooit geweest.

Woordvolgorde in een bijzin

Een bijzin is een zinsdeel dat met woorden als omdat, toen, nadat of hoewel begint en niet zelfstandig de hoofdboodschap vormt. Daar staan hulpwerkwoord en voltooid deelwoord samen aan het einde:

  • ... omdat ik de mail al had gelezen.
  • ... nadat hij alles verteld had.

Zowel had gelezen als gelezen had komt in correcte Nederlandse bijzinnen voor. Welke volgorde natuurlijker klinkt, verschilt onder meer per regio, stijl en werkwoordsgroep. Kies in je eigen tekst een volgorde die je consequent en prettig vindt; verander de betekenis er niet door.

Voorbeelden in context

Nederlands Betekenis in andere woorden Opmerking
Ik had al gegeten toen hij kwam. Mijn maaltijd was klaar vóór zijn komst. al benadrukt dat de handeling voltooid was.
Zij was al vertrokken. Haar vertrek vond vóór het bedoelde verleden moment plaats. Het tweede moment blijkt uit de context.
Wij hadden het niet gezien. Op dat moment hadden wij er nog geen kennis van genomen. Ontkenning met niet.
Nadat hij gegeten had, ging hij weg. Eerst at hij; daarna vertrok hij. De bijzin staat vooraan.
Toen ik thuiskwam, waren de kinderen al naar bed gegaan. De kinderen gingen eerder naar bed dan ik thuiskwam. gaan krijgt hier zijn.
Ze kon naar binnen, omdat iemand de deur had opengelaten. De open deur was de eerdere oorzaak. De vvt verklaart een toestand in het verleden.
Had je vóór die reis ooit gevlogen? De vraag gaat over ervaring tot aan een verleden reis. Vraagzin met ooit.
Om acht uur had de monteur de reparatie nog niet afgerond. De reparatie was om acht uur niet klaar. Een tijdstip is het verleden referentiepunt.
Ik herkende hem meteen, want we hadden elkaar eerder ontmoet. Onze eerdere ontmoeting verklaart de herkenning. Eerdere ervaring als achtergrond.
Voordat ze solliciteerde, had ze haar cv laten nakijken. Het nakijken gebeurde vóór de sollicitatie. Twee bewust geordende handelingen.
De planten waren doodgegaan doordat niemand ze water had gegeven. Geen water geven leidde eerder tot het resultaat. Oorzaak en gevolg staan beide in het verleden.
Hij zei dat hij de rekening al had betaald. Volgens hem vond de betaling vóór zijn uitspraak plaats. Terugblik in weergegeven informatie.
Ik had net mijn jas uitgetrokken toen de bel ging. De bel ging direct na het uittrekken. net ... toen legt de momenten dicht bij elkaar.
Nadat de storm was gaan liggen, gingen we naar buiten. Eerst werd het rustig; daarna gingen we naar buiten. gaan liggen vormt hier een werkwoordsgroep.

Veelgemaakte fouten

1. De tegenwoordige voltooide tijd gebruiken bij een duidelijke terugblik

  • Onjuist in deze tijdslijn: Toen hij kwam, heb ik al gegeten.
  • Juist: Toen hij kwam, had ik al gegeten.
  • Waarom: Zowel het eten als zijn komst ligt in het verleden, en het eten gebeurde eerst. Heb gegeten kijkt normaal vanuit het heden; had gegeten kijkt vanuit zijn komst.

2. De verleden tijd van het hoofdwerkwoord na had zetten

  • Onjuist: Ik had hem gisteren zag.
  • Juist: Ik had hem gisteren gezien.
  • Waarom: Na had/hadden of was/waren heb je een voltooid deelwoord nodig, niet de gewone verleden vorm zag.

3. Automatisch altijd hebben kiezen

  • Onjuist: Zij had al vertrokken.
  • Juist: Zij was al vertrokken.
  • Waarom: Vertrekken vormt de voltooide tijden met zijn: is vertrokken wordt was vertrokken.

4. Enkelvoud en meervoud verwisselen

  • Onjuist: De gasten was al aangekomen.
  • Juist: De gasten waren al aangekomen.
  • Waarom: De gasten is meervoud. Daarom gebruik je waren. Het deelwoord aangekomen blijft onveranderd.

5. De vvt gebruiken zonder echt verleden referentiepunt

  • Minder passend zonder context: Ik had mijn sleutels verloren.
  • Passend bij een actuele situatie: Ik heb mijn sleutels verloren.
  • Passend met een verleden moment: Ik had mijn sleutels verloren en kon daarom niet naar binnen.
  • Waarom: De vvt heeft een standpunt in het verleden nodig. Als het verlies vooral nu belangrijk is, ligt de voltooid tegenwoordige tijd meer voor de hand.

6. De woordvolgorde van een bijzin in een hoofdzin gebruiken

  • Onjuist als zelfstandige mededeling: Ik de mail al gelezen had.
  • Juist: Ik had de mail al gelezen.
  • Waarom: In een hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede zinsplaats. De volgorde ... omdat ik de mail al gelezen had hoort bij een bijzin en kan niet zonder meer als hoofdzin worden gebruikt.

Gebruik en nuance

Wanneer de vvt veel toevoegt

De vvt is vooral nuttig als de chronologische volgorde niet gelijk is aan de vertelvolgorde. Een verhaal kan beginnen bij een later moment en daarna terugkijken: Ik stond voor een gesloten deur. Ik had mijn sleutel op kantoor laten liggen. De tweede zin wordt later verteld, maar beschrijft wat eerder gebeurde.

Ook bij oorzaken maakt de vvt de samenhang helder: De straat stond blank omdat het de hele nacht had geregend. De regen ging vooraf aan de toestand van de straat. In verslagen en nieuwsberichten helpt dit onderscheid de lezer om gebeurtenissen correct te ordenen.

Wanneer een andere verleden tijd genoeg is

Niet elke opeenvolging vraagt om de vvt. In Hij deed de deur open, liep naar buiten en belde een taxi volgen de gebeurtenissen elkaar gewoon in de vertelvolgorde. De ovt is dan natuurlijk en overzichtelijk.

Tijdsaanduidingen kunnen de volgorde al duidelijk maken: Na het eten ging hij weg. Een uitgebreidere versie met de vvt, Nadat hij gegeten had, ging hij weg, legt meer nadruk op het voltooide eten. Beide kunnen goed zijn; de gewenste focus verschilt.

Woorden die vaak bij de vvt staan

  • al: iets was eerder klaar dan verwacht — Ze had al geboekt.
  • nog niet: iets was tot dat moment niet klaar — We hadden nog niet betaald.
  • nooit/eerder/ooit: ervaring tot een verleden grens — Ik was daar nooit eerder geweest.
  • net: iets gebeurde kort voor het volgende moment — Hij was net vertrokken.
  • toen, nadat, voordat, omdat, doordat: leggen een tijdsrelatie of oorzaak vast.

Deze woorden zijn aanwijzingen, geen automatische voorschriften. Kijk altijd naar de relatie tussen de gebeurtenissen.

Gesproken en geschreven Nederlands

In zorgvuldig geschreven verhalen wordt de vvt vaak gebruikt om een terugblik ondubbelzinnig te markeren. In spontane gesprekken vertrouwen sprekers soms meer op woorden als eerst, daarna, al en toen, waardoor ze een eenvoudigere verleden tijd kiezen. Dat maakt de vvt niet formeel of onnatuurlijk: zinnen als Dat had ik niet verwacht en Ik was het helemaal vergeten zijn juist heel gewoon in gesprekken.

Verder dan de basis

Onwerkelijke voorwaarden in het verleden

De vvt kan aangeven dat een voorwaarde in het verleden niet werkelijk is vervuld:

  • Als ik dat had geweten, was ik eerder gekomen.
  • Als we beter hadden opgelet, zouden we de afslag niet hebben gemist.

De bijzin kijkt naar een denkbeeldige eerdere situatie. De andere zin noemt het gevolg dat dan mogelijk was geweest. Dit gebruik gaat verder dan alleen gebeurtenissen ordenen: de spreker stelt zich een alternatief verleden voor.

Modale werkwoorden en de vervangende infinitief

Bij werkwoorden als kunnen, moeten, willen en mogen verschijnt vaak geen voltooid deelwoord zoals gekund of gewild als er nog een ander werkwoord bij staat. In plaats daarvan komen twee hele werkwoorden aan het einde. Zo'n hele werkwoordsvorm heet een infinitief, zoals bellen of werken:

  • Ik had hem willen bellen.
  • We hadden langer moeten wachten.
  • Zij had dat niet kunnen weten.

Niet: Ik had hem gewild bellen. Deze constructie heet de vervangende infinitief en komt ook in andere voltooide tijden voor.

Toestandsbeschrijving of eerdere handeling

Sommige combinaties met was/waren kunnen zonder context meer dan één lezing oproepen. De deur was gesloten kan vooral een toestand beschrijven: de deur stond niet open. In De conciërge ontdekte dat de deur al was gesloten ligt een eerdere handeling meer voor de hand. Woorden als al, een handelende persoon en de omringende zinnen helpen om de bedoelde lezing duidelijk te maken.

De vvt als achtergrond in een verhaal

Een verteller kan meerdere vvt-zinnen gebruiken om de voorgeschiedenis neer te zetten en daarna terugkeren naar de hoofdgebeurtenissen in de ovt:

Er lag sneeuw op straat. Het had de hele nacht gevroren en de gemeente had nog niet gestrooid. Voorzichtig reed Noor de wijk uit.

De eerste twee voltooide handelingen vormen de achtergrond. Met reed gaat het verhaal verder. Dit afwisselen van tijden maakt langere teksten overzichtelijk zonder steeds eerst en daarna te herhalen.

Oefentips

  1. Teken twee punten op een tijdlijn. Schrijf bij het eerste punt een handeling in de vvt en bij het tweede punt een handeling in de ovt: had gebeld → kwam aan. Maak daarna één zin met toen, omdat of nadat.
  2. Zet zinnen uit de voltooid tegenwoordige tijd om. Verander bijvoorbeeld We hebben gereserveerd in We hadden gereserveerd voordat we vertrokken. Zo oefen je tegelijk het juiste hulpwerkwoord en het verleden referentiepunt.
  3. Vertel een klein probleem achteraf. Begin met het gevolg en geef daarna de oorzaak: Ik miste de trein. Ik was te laat van huis vertrokken. Gebruik daarbij afwisselend al, nog niet, net en nooit eerder.

Verwante onderwerpen

  • Vooraf: Voltooid tegenwoordige tijd — hier leer je de keuze tussen hebben en zijn en de vorm van het voltooid deelwoord; de voltooid verleden tijd bouwt daarop voort.

Vereiste kennis

Voltooid tegenwoordige tijd in het NederlandsA2

Meer B1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Voltooid Verleden Tijd in Nederlands met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Nederlands · B1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen