B2

De υπερσυντέλικος in het Grieks

Υπερσυντέλικος

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Grieks op Settemila Lingue.

In het kort

De υπερσυντέλικος is de Griekse voltooid verleden tijd: είχα + onveranderlijke werkwoordsvorm, bijvoorbeeld είχα φάει (‘ik had gegeten’). Je gebruikt deze tijd wanneer iets al voltooid was vóór een ander moment in het verleden. Het Grieks gebruikt daarbij altijd een vorm van έχω, ook waar het Nederlands was of waren kiest: είχαν φύγει betekent ‘ze waren vertrokken’.

Overzicht

Met de υπερσυντέλικος zet je twee punten op een tijdlijn. De handeling in de υπερσυντέλικος gebeurde het eerst en was vóór het latere verleden tijdstip al afgerond. In Είχαν φύγει όταν φτάσαμε (‘Ze waren vertrokken toen we aankwamen’) komt eerst het vertrek en daarna onze aankomst.

De kernvorm is eenvoudig, maar het juiste gebruik vraagt op B2-niveau om gevoel voor het verband tussen gebeurtenissen. Niet elke reeks gebeurtenissen in het verleden heeft namelijk een υπερσυντέλικος nodig. Vaak vertelt de aoristus (de gewone Griekse verleden tijd voor een afgeronde gebeurtenis) de volgorde al. De υπερσυντέλικος maakt vooral duidelijk dat je vanuit een later verleden moment terugkijkt naar wat toen al gebeurd was.

Voor Nederlandstaligen lijkt deze tijd op de Nederlandse voltooid verleden tijd: ik had gelezen, we hadden gegeten, zij waren vertrokken. Er is één belangrijk verschil. Het Nederlands vormt sommige tijden met hebben en andere met zijn, maar het Grieks gebruikt in deze constructie steeds de verleden vorm van έχω (‘hebben’): είχε έρθει (‘hij/zij was gekomen’), είχαμε πάει (‘we waren gegaan’).

Hoe het werkt

De basisformule

De vorm bestaat uit:

verleden tijd van έχω + onveranderlijke perfectieve werkwoordsvorm

Perfectief betekent hier dat de handeling als één afgerond geheel wordt gezien. De tweede vorm verandert niet naar persoon, getal of geslacht. Alleen είχα wordt vervoegd.

Persoon Vorm van έχω Voorbeeld met γράφω Nederlands
εγώ είχα είχα γράψει ik had geschreven
εσύ είχες είχες γράψει jij had geschreven
αυτός / αυτή / αυτό είχε είχε γράψει hij / zij / het had geschreven
εμείς είχαμε είχαμε γράψει wij hadden geschreven
εσείς είχατε είχατε γράψει jullie hadden geschreven / u had geschreven
αυτοί / αυτές / αυτά είχαν(ε) είχαν(ε) γράψει zij hadden geschreven

De slot-ε in είχανε komt vooral in gesproken taal voor. Είχαν is overal bruikbaar en is de gewone vorm in verzorgde schrijftaal.

De onveranderlijke vorm ken je al uit de παρακείμενος, de Griekse voltooide tegenwoordige tijd: έχω γράψει (‘ik heb geschreven’). Voor de υπερσυντέλικος zet je alleen het hulpwerkwoord in het verleden: είχα γράψει (‘ik had geschreven’).

De tweede werkwoordsvorm

Deze vorm is geen Nederlands voltooid deelwoord: hij past zich niet aan het onderwerp aan en krijgt geen uitgang voor mannelijk, vrouwelijk of onzijdig. Je leert hem het handigst samen met de perfectieve stam van het werkwoord.

Tegenwoordige tijd Betekenis Onveranderlijke vorm Υπερσυντέλικος
γράφω schrijven γράψει είχα γράψει
διαβάζω lezen διαβάσει είχα διαβάσει
βλέπω zien δει είχα δει
τρώω eten φάει είχα φάει
πίνω drinken πιει είχα πιει
πηγαίνω gaan πάει είχα πάει
έρχομαι komen έρθει είχα έρθει
φεύγω vertrekken φύγει είχα φύγει
κάνω doen, maken κάνει είχα κάνει
λέω zeggen πει είχα πει

Bij veel werkwoorden is deze vorm niet direct uit de tegenwoordige tijd te raden. Leer daarom liever βλέπω – είδα – έχω δει als een reeks dan alleen βλέπω. Wie de παρακείμενος al beheerst, hoeft voor dit onderwerp geen nieuwe tweede vorm te leren.

Ontkenning

Zet δεν direct vóór de vervoegde vorm van έχω:

  • Δεν είχα κοιμηθεί καλά. — Ik had niet goed geslapen.
  • Δεν είχαν τελειώσει ακόμη. — Ze waren nog niet klaar.

Woorden als ακόμη/ακόμα (‘nog’), ήδη (‘al’) en ποτέ (‘ooit/nooit’) helpen het tijdsverband duidelijk te maken. In een ontkennende zin betekent ποτέ doorgaans ‘nooit’: Δεν το είχα ακούσει ποτέ (‘Ik had dat nog nooit gehoord’).

Vragen

Een gewone ja-neevraag heeft dezelfde woordvolgorde als een mededeling; in de uitspraak maakt de intonatie er een vraag van:

  • Είχες διαβάσει το βιβλίο; — Had je het boek gelezen?
  • Είχαν φτάσει πριν από εμάς; — Waren ze vóór ons aangekomen?

Een vraagwoord staat meestal vooraan: Γιατί είχατε φύγει τόσο νωρίς; (‘Waarom waren jullie zo vroeg vertrokken?’).

Voornaamwoorden bij het werkwoord

Een kort voorwerpsvoornaamwoord — een woordje als ‘hem’, ‘haar’ of ‘het’ — staat vóór είχα, niet tussen de twee werkwoordsvormen:

  • Το είχα ξεχάσει. — Ik was het vergeten.
  • Δεν τον είχα γνωρίσει ακόμη. — Ik had hem nog niet ontmoet.
  • Μου το είχε εξηγήσει. — Hij/zij had het me uitgelegd.

De volgorde είχα το ξεχάσει is in de neutrale standaardtaal niet juist.

De tijdlijn herkennen

In Όταν άνοιξα την πόρτα, οι άλλοι είχαν φύγει is άνοιξα het latere referentiepunt: het moment waarop ik de deur opende. Είχαν φύγει ligt daarvóór. Je kunt de relatie zo voorstellen:

vertrek → deur openen → nu

Het latere punt hoeft niet altijd als aparte gebeurtenis te worden genoemd. De context kan het leveren:

  • Πεινούσες; — Όχι, είχα ήδη φάει.
    Had je honger? — Nee, ik had al gegeten.

Hier is het relevante verleden moment het moment waarop iemand vroeg of je honger had.

Voorbeelden in context

Grieks Nederlands Toelichting
Είχα ήδη φάει όταν με πήρες τηλέφωνο. Ik had al gegeten toen je me belde. Het eten gebeurde vóór het telefoontje.
Δεν είχε δει ποτέ τη θάλασσα. Hij/zij had de zee nog nooit gezien. δεν + ποτέ drukt ‘nooit’ uit.
Είχαν φύγει όταν φτάσαμε. Ze waren vertrokken toen we aankwamen. Het Grieks gebruikt είχαν, het Nederlands waren.
Είχες διαβάσει το βιβλίο πριν δεις την ταινία; Had je het boek gelezen voordat je de film zag? Vraag over de eerdere handeling.
Μέχρι τις οκτώ είχαμε τελειώσει τη δουλειά. Om acht uur hadden we het werk af. μέχρι geeft de uiterste grens aan.
Το τρένο είχε ήδη αναχωρήσει. De trein was al vertrokken. Het latere referentiepunt blijkt uit de context.
Μου είχε πει ότι θα αργούσε. Hij/zij had me gezegd dat hij/zij te laat zou komen. μου staat vóór het hulpwerkwoord.
Δεν είχαμε ξαναπάει στην Κρήτη. We waren nog nooit eerder op Kreta geweest. ξανα- legt nadruk op herhaling of eerdere ervaring.
Αφού είχε κλείσει όλα τα παράθυρα, έφυγε. Nadat hij/zij alle ramen had gesloten, vertrok hij/zij. αφού maakt de volgorde expliciet.
Είχα ξεχάσει τα κλειδιά μου και δεν μπορούσα να μπω. Ik was mijn sleutels vergeten en kon niet naar binnen. De eerdere fout verklaart de toestand erna.
Όταν γνωριστήκαμε, εκείνη είχε ήδη ζήσει δέκα χρόνια στην Αθήνα. Toen we elkaar leerden kennen, had zij al tien jaar in Athene gewoond. Een periode die vóór dat moment lag.
Δεν είχαν προλάβει να φάνε πριν αρχίσει η συνάντηση. Ze hadden geen tijd gehad om te eten voordat de vergadering begon. De handeling was niet voltooid vóór de grens.
Πού είχατε παρκάρει το αυτοκίνητο; Waar hadden jullie de auto geparkeerd? Vraagwoord vooraan.
Ως τότε κανείς δεν είχε καταλάβει το λάθος. Tot dan toe had niemand de fout begrepen. ως τότε noemt het verleden referentiepunt.

Veelgemaakte fouten

1. Het Nederlandse hulpwerkwoord letterlijk overnemen

  • Fout: Ήταν φύγει όταν έφτασα.
  • Goed: Είχε φύγει όταν έφτασα.
  • Waarom: Nederlands zegt ‘hij/zij was vertrokken’, maar de Griekse υπερσυντέλικος gebruikt altijd een vorm van έχω. Ήταν betekent ‘hij/zij/het was’ en vormt deze tijd niet.

2. Het hulpwerkwoord niet vervoegen

  • Fout: Είχαμες τελειώσει.
  • Goed: Είχαμε τελειώσει.
  • Waarom: De juiste vormen zijn είχα, είχες, είχε, είχαμε, είχατε, είχαν. Er komt geen extra persoonsuitgang achter είχαμε.

3. De tweede vorm aanpassen aan persoon of getal

  • Fout: Είχαν φύγανε νωρίς.
  • Goed: Είχαν φύγει νωρίς.
  • Waarom: Alleen het hulpwerkwoord draagt persoon en getal. Φύγει blijft onveranderd. Φύγανε is een vervoegde aoristusvorm en kan hier niet als tweede deel dienen.

4. De aoristus gebruiken wanneer de eerdere gebeurtenis centraal staat

  • Minder duidelijk: Όταν έφτασα, έφυγαν.
  • Bedoeld: Όταν έφτασα, είχαν φύγει.
  • Waarom: De eerste zin betekent normaal ‘toen ik aankwam, vertrokken ze’: de gebeurtenissen vallen samen of volgen elkaar. Met είχαν φύγει waren ze al weg vóór mijn aankomst.

5. Een kort voornaamwoord tussen beide vormen zetten

  • Fout: Είχα το δει.
  • Goed: Το είχα δει.
  • Waarom: Onbeklemtoonde voorwerpsvoornaamwoorden staan vóór het vervoegde hulpwerkwoord: το είχα δει, μου είχε πει, δεν τον είχα ακούσει.

6. De υπερσυντέλικος voor elke oude gebeurtenis gebruiken

  • Onnatuurlijk zonder terugblik: Χθες είχα πάει στο μουσείο και μετά είχα φάει έξω.
  • Natuurlijk: Χθες πήγα στο μουσείο και μετά έφαγα έξω.
  • Waarom: Voor een gewone chronologische reeks gebruik je meestal de aoristus. De υπερσυντέλικος is nuttig als je vanuit een later verleden moment naar een eerdere, al voltooide handeling terugkijkt.

Gebruiksnotities

De υπερσυντέλικος komt zowel in gesprekken als in geschreven verhalen voor. Hij is niet formeel of ouderwets. In spontane gesprekken wordt de tijd echter alleen gebruikt wanneer het eerdere tijdsniveau relevant is. Als woorden als πριν (‘voordat’) of αφού (‘nadat’) de volgorde al ondubbelzinnig maken, kan een spreker soms twee aoristusvormen kiezen. Met de υπερσυντέλικος leg je sterker de nadruk op het resultaat dat op het latere moment al bestond.

Vergelijk:

  • Έκλεισε την πόρτα και έφυγε. — Hij/zij sloot de deur en vertrok.
    Twee opeenvolgende gebeurtenissen.
  • Είχε κλείσει την πόρτα όταν έφτασα. — Hij/zij had de deur gesloten toen ik aankwam.
    De gesloten deur was al een feit bij mijn aankomst.

Ook het contrast met de παρακείμενος is belangrijk. Έχω χάσει τα κλειδιά μου (‘Ik ben mijn sleutels kwijtgeraakt’) verbindt een voltooide handeling met het heden: nu heb ik ze niet. Είχα χάσει τα κλειδιά μου (‘Ik was mijn sleutels kwijtgeraakt’) verplaatst dat resultaat naar een moment in het verleden. Misschien vond ik ze later terug; daarover zegt de vorm zelf niets.

De onvoltooid verleden tijd, de παρατατικός, beschrijft juist een voortdurende toestand, achtergrond of gewoonte: Όταν έφτασα, κοιμόταν (‘Toen ik aankwam, sliep hij/zij’). Met είχε κοιμηθεί (‘hij/zij had geslapen’) presenteer je het slapen als al voltooid. Dat verschil tussen voortgang en voltooiing is vaak belangrijker dan de Nederlandse vertaling doet vermoeden.

Voorbij de basis: gevorderd gebruik

Onwerkelijke voorwaarden in het verleden

Dezelfde vorm verschijnt in zinnen over een verleden dat niet werkelijk zo is verlopen. Met αν + υπερσυντέλικος stel je een niet-vervulde voorwaarde voor; in het gevolg staat vaak θα + υπερσυντέλικος:

  • Αν είχα φύγει νωρίτερα, θα είχα προλάβει το τρένο. — Als ik eerder was vertrokken, had ik de trein gehaald.
  • Αν μου το είχες πει, θα σε είχα βοηθήσει. — Als je het me had verteld, had ik je geholpen.

Hier geeft de vorm niet alleen aan wat eerder was. Hij maakt samen met αν en θα duidelijk dat de spreker over een gemiste mogelijkheid praat. Let op dat θα vóór het hulpwerkwoord staat en een kort voornaamwoord daar weer vóór kan komen: θα το είχα κάνει (‘ik zou het hebben gedaan’).

Terugblik in verhalen en verslagen

In een verhaal staat de hoofdlijn vaak in de aoristus. De υπερσυντέλικος onderbreekt die lijn voor achtergrondinformatie die nog eerder ligt:

Μπήκε στο σπίτι και κοίταξε γύρω. Κάποιος είχε ανοίξει το παράθυρο.
‘Hij/zij ging het huis binnen en keek rond. Iemand had het raam geopend.’

Zo begrijpt de lezer dat het openen niet daarna gebeurt, maar al vóór het binnengaan. Zodra de terugblik klaar is, gaat het verhaal meestal weer verder met de aoristus of de onvoltooid verleden tijd.

Resultaat tegenover ervaring

Zonder genoemd later moment kan de context verschillende accenten geven. Είχα επισκεφτεί την πόλη πολλές φορές kan een eerdere ervaring samenvatten: ‘Ik had de stad vaak bezocht.’ Είχα ετοιμάσει το φαγητό legt eerder een resultaat vast: ‘Ik had het eten klaargemaakt.’ In beide gevallen blijft de hoofdgedachte hetzelfde: op een bepaald verleden moment was de ervaring opgebouwd of de handeling voltooid.

Gebruik de tijd niet automatisch omdat het Nederlands een voltooid verleden tijd heeft. Kijk eerst naar de Griekse tijdlijn: is er werkelijk een verleden standpunt vanwaaruit je terugkijkt? Zo ja, dan is de υπερσυντέλικος meestal de passende keuze.

Oefentips

  1. Teken steeds twee punten op een tijdlijn. Schrijf bijvoorbeeld είχαν φύγει → φτάσαμε. Zet daarna beide vormen in één zin met όταν, πριν of αφού. Zo oefen je betekenis in plaats van alleen uitgangen.
  2. Bouw voort op de παρακείμενος. Maak paren als έχω δει / είχα δει, έχουμε τελειώσει / είχαμε τελειώσει en έχουν έρθει / είχαν έρθει. Alleen het tijdstip van έχω verandert.
  3. Vertaal niet blind vanuit het Nederlands. Markeer in Nederlandse oefenzinnen eerst het latere verleden moment. Controleer daarna of het Grieks een terugblik nodig heeft. Let extra op Nederlandse vormen met was/waren: in het Grieks blijft het είχε/είχαν + vorm.

Verwante begrippen

  • Vereiste voorkennis: De παρακείμενος — gebruikt dezelfde onveranderlijke werkwoordsvorm met de tegenwoordige tijd van έχω en vormt daardoor de directe basis voor de υπερσυντέλικος.

Vereiste kennis

De παρακείμενος in het GrieksB1

Meer B2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Υπερσυντέλικος in Grieks met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Grieks · B2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen