A1

Wollen, mögen en möchten in het Duits

Modalverben: wollen, mögen

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

In het kort

Gebruik wollen voor een duidelijke wil of een plan, mögen voor iets of iemand leuk of lekker vinden, en möchten voor een vriendelijke wens: Ich will nach Hause, Ich mag Kaffee, Ich möchte einen Kaffee. Staat er een tweede werkwoord in de zin, dan komt dat als infinitief (de hele werkwoordsvorm, zoals gehen) meestal achteraan: Ich möchte nach Hause gehen.

Overzicht

Met wollen, mögen en möchten kun je vanaf A1 veel alledaagse dingen zeggen: wat je van plan bent, wat je graag eet, wie je aardig vindt en wat je in een café wilt bestellen. De drie vormen liggen qua betekenis dicht bij elkaar, maar zijn niet zomaar verwisselbaar. Ich will einen Kaffee is een sterke, directe wens; Ich möchte einen Kaffee klinkt als een beleefde bestelling; Ich mag Kaffee beschrijft je smaak.

Voor een Nederlandstalige zijn er twee herkenningspunten én twee valkuilen. Duits wollen lijkt sterk op Nederlands willen. Ook de werkwoordgroep in Ich will heute kochen lijkt op Ik wil vandaag koken. Daarentegen betekent Duits mögen meestal niet Nederlands mogen in de betekenis ‘toestemming hebben’. Daarvoor is dürfen het gewone Duitse werkwoord: Du darfst gehen betekent ‘Je mag gaan’.

Möchten is grammaticaal een vorm van mögen, maar het is zo gewoon dat je het als beginner het best als vaste betekenis leert: ‘graag willen’ of ‘zou graag willen’. Het verschil in toon is praktisch belangrijker dan de historische uitleg: bij een verzoek is möchten doorgaans vriendelijker dan wollen.

Hoe het werkt

De kernbetekenissen

Vorm Meest bruikbare Nederlandse equivalent Typische situatie Voorbeeld
wollen willen, van plan zijn een duidelijke wens of bedoeling Wir wollen morgen abreisen.
mögen leuk/lekker vinden, aardig vinden smaak, voorkeur of sympathie Sie mag diese Musik.
möchten graag willen, zouden willen een beleefde of voorzichtige wens Ich möchte bitte zahlen.

Een snelle controlevraag helpt:

  • Gaat het om wat iemand wil doen? Kies meestal wollen.
  • Gaat het om wat iemand prettig, lekker of aardig vindt? Kies mögen.
  • Vraagt of bestelt iemand op een vriendelijke manier iets? Kies meestal möchten.

Wollen vervoegen

Wollen is onregelmatig: de klinker verandert in het enkelvoud en de eerste en derde persoon hebben geen gewone uitgang.

Persoon Vorm Nederlands
ich will ik wil
du willst jij wilt
er/sie/es will hij/zij/het wil
wir wollen wij willen
ihr wollt jullie willen
sie/Sie wollen zij willen/u wilt

Leer vooral het blok ich will – du willst – er/sie/es will uit het hoofd. De vorm is du willst, niet du willt. Bij ihr wollt keert de o terug.

Mögen vervoegen

Ook mögen verandert in het enkelvoud. Daar staat mag zonder umlaut; in het meervoud vind je ö terug.

Persoon Vorm Nederlands
ich mag ik vind … leuk/lekker
du magst jij vindt … leuk/lekker
er/sie/es mag hij/zij/het vindt … leuk/lekker
wir mögen wij vinden … leuk/lekker
ihr mögt jullie vinden … leuk/lekker
sie/Sie mögen zij vinden/u vindt … leuk/lekker

Na mögen staat vaak een zelfstandig naamwoord (een woord voor een mens, dier, ding of begrip): Ich mag Tee, Sie mag ihren Nachbarn. Dat zinsdeel is meestal het lijdend voorwerp (wie of wat de voorkeur betreft).

Möchten vervoegen

Voor dagelijks gebruik kun je möchten als een eigen reeks leren. Let op de umlaut en op du möchtest en ihr möchtet.

Persoon Vorm Nederlands
ich möchte ik wil graag
du möchtest jij wilt graag
er/sie/es möchte hij/zij/het wil graag
wir möchten wij willen graag
ihr möchtet jullie willen graag
sie/Sie möchten zij willen graag/u wilt graag

In een winkel, restaurant of gesprek met een onbekende is Ich möchte …, bitte een veilige, natuurlijke formule. Sie met een hoofdletter is de beleefde aanspreekvorm: Möchten Sie noch etwas?

Twee werkwoorden: het vervoegde werkwoord en de infinitief

Als wollen of möchten samen met een ander werkwoord staat, wordt alleen het modale werkwoord vervoegd. Het andere werkwoord blijft in de infinitief en staat aan het einde van een gewone hoofdzin.

Zinstype Patroon Voorbeeld
mededeling onderwerp + modaal werkwoord + middenstuk + infinitief Ich will heute länger schlafen.
tijd vooraan tijd + modaal werkwoord + onderwerp + middenstuk + infinitief Heute möchte ich zu Hause bleiben.
ja-neevraag modaal werkwoord + onderwerp + middenstuk + infinitief Willst du morgen mitkommen?
vraagwoordvraag vraagwoord + modaal werkwoord + onderwerp + middenstuk + infinitief Was wollt ihr essen?

Het vervoegde werkwoord staat in een mededelende hoofdzin op de tweede zinsplaats. Een zinsplaats kan uit meer dan één woord bestaan: in Am Wochenende wollen wir wandern vormt Am Wochenende samen de eerste plaats. De Nederlandse woordvolgorde biedt hier vaak steun, maar vertrouw niet alleen op het Nederlands: houd bewust het vervoegde werkwoord op plaats twee en parkeer de infinitief achteraan.

Mögen kan eveneens met een infinitief voorkomen, maar voor een gewone activiteit klinkt gern plus een werkwoord vaak natuurlijker:

  • Ich mag Musik. — Ik houd van muziek.
  • Ich höre gern Musik. — Ik luister graag naar muziek.
  • Ich mag es, Musik zu hören. — Ik vind het fijn om naar muziek te luisteren.

Voor A1 is mögen + zelfstandig naamwoord en gern + activiteit de handigste verdeling.

Zonder tweede werkwoord

Bij een gewenst ding kan de infinitief achterwege blijven als de bedoeling duidelijk is:

  • Ich möchte einen Kaffee. — Ik wil graag een koffie.
  • Wir wollen zwei Fahrkarten. — Wij willen twee kaartjes.
  • Möchtest du ein Stück Kuchen? — Wil je een stuk taart?

Het voorwerp staat vaak in de accusatief (de naamval voor wie of wat rechtstreeks bij de handeling betrokken is). Dat zie je vooral bij mannelijke woorden: der Kaffee wordt einen Kaffee en der Kuchen wordt den Kuchen.

Ontkennen met nicht en kein

Gebruik doorgaans nicht om een handeling of de hele bewering te ontkennen:

  • Ich will nicht warten. — Ik wil niet wachten.
  • Sie möchte heute nicht kochen. — Zij wil vandaag liever niet koken.
  • Ich mag den Film nicht. — Ik vind de film niet leuk.

Gebruik kein bij een zelfstandig naamwoord waar zonder ontkenning ein zou kunnen staan, of waar geen lidwoord staat:

  • Ich möchte keinen Zucker. — Ik wil geen suiker.
  • Er mag keine Tomaten. — Hij houdt niet van tomaten.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Opmerking
Ich will nach Hause. Ik wil naar huis. duidelijke wens met wollen
Willst du heute mit uns essen? Wil je vandaag met ons eten? infinitief achteraan
Wir wollen im Mai nach Hamburg fahren. Wij willen in mei naar Hamburg reizen. plan of voornemen
Heute will Lena nicht arbeiten. Vandaag wil Lena niet werken. will op de tweede zinsplaats
Was wollt ihr am Wochenende machen? Wat willen jullie in het weekend doen? vraagwoordvraag
Ich möchte Kaffee. Ik wil graag koffie. beleefde wens zonder tweede werkwoord
Ich möchte einen Kaffee, bitte. Ik wil graag een koffie, alstublieft. natuurlijke bestelling
Möchten Sie die Speisekarte sehen? Wilt u de menukaart zien? beleefde aanspreekvorm
Wir möchten noch etwas bestellen. Wij willen graag nog iets bestellen. bestellen staat achteraan
Er möchte keinen Zucker im Tee. Hij wil geen suiker in zijn thee. ontkenning met kein
Er mag keine Tomaten. Hij houdt niet van tomaten. smaak of voorkeur
Magst du deine neue Wohnung? Vind je je nieuwe woning fijn? vraag met mögen
Meine Eltern mögen ihn sehr. Mijn ouders mogen hem erg graag. sympathie voor een persoon
Ich mag den Film nicht. Ik vind de film niet leuk. bepaald voorwerp + nicht
Ich lese abends gern. Ik lees ’s avonds graag. activiteit: gern klinkt natuurlijk

Veelgemaakte fouten

Mögen gelijkstellen aan Nederlands mogen

  • Fout: Ich mag heute länger bleiben als je bedoelt dat je toestemming hebt.
  • Goed: Ich darf heute länger bleiben.
  • Waarom: Mögen gaat meestal over voorkeur; dürfen over toestemming. In vragen komt Mag ich …? wel voor als beleefde vraag om toestemming, maar Darf ich …? is voor leerders het duidelijkste algemene patroon.

Wollen gebruiken voor elke beleefde bestelling

  • Ongeschikt in veel bedieningssituaties: Ich will einen Kaffee.
  • Beter: Ich möchte einen Kaffee, bitte.
  • Waarom: De eerste zin is grammaticaal, maar kan kortaf of eisend overkomen. Met vrienden kan wollen heel normaal zijn; de situatie bepaalt de toon.

Beide werkwoorden vervoegen

  • Fout: Sie möchte kommt morgen.
  • Goed: Sie möchte morgen kommen.
  • Waarom: Alleen möchte krijgt een persoonsvorm. Kommen blijft de infinitief en gaat naar het einde.

De Nederlandse volgorde te letterlijk volgen

  • Fout: Heute ich will zu Hause bleiben.
  • Goed: Heute will ich zu Hause bleiben.
  • Waarom: Als Heute de eerste zinsplaats inneemt, moet will direct daarna komen. Het onderwerp schuift achter het werkwoord.

Du willt zeggen

  • Fout: Du willt Deutsch lernen.
  • Goed: Du willst Deutsch lernen.
  • Waarom: De juiste vorm is willst. Leer de onregelmatige enkelvoudsvormen als één rijtje.

Mögen voor iedere activiteit gebruiken

  • Minder natuurlijk als eenvoudige A1-zin: Ich mag schwimmen.
  • Natuurlijker: Ich schwimme gern.
  • Waarom: Voor ‘iets graag doen’ gebruikt het Duits heel vaak het gewone werkwoord met gern. Ich mag Schwimmen kan wel, maar behandelt zwemmen eerder als activiteit of begrip.

Gebruiksnotities

Wollen is niet per definitie onbeleefd. Wir wollen nächstes Jahr umziehen is een neutrale mededeling over een plan. De directheid wordt vooral merkbaar wanneer je iets van iemand anders vraagt: Ich will mit dem Chef sprechen klinkt stelliger dan Ich möchte mit dem Chef sprechen.

Möchten past zowel bij concrete dingen als bij handelingen: Ich möchte ein Wasser en Ich möchte bezahlen. In informele gesprekken is Ich hätte gern … (‘Ik had graag …’) eveneens een heel gebruikelijke bestelvorm. Die hoef je op A1 nog niet grammaticaal te ontleden.

Bij eten vertaalt Nederlands mögen vaak met lekker vinden; bij personen met aardig vinden of graag mogen; bij muziek en plaatsen met houden van of leuk vinden. Eén vaste Nederlandse vertaling werkt dus niet altijd. Kijk naar het voorwerp en de situatie.

Wat je in het Nederlands bedoelt Gewoon Duits patroon Voorbeeld
iets willen doen wollen + infinitief Ich will gehen.
iets beleefd willen möchten + voorwerp/infinitief Ich möchte zahlen.
iets of iemand leuk vinden mögen + voorwerp Ich mag sie.
toestemming hebben dürfen + infinitief Ich darf gehen.
een activiteit graag doen werkwoord + gern Ich koche gern.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later tegenkomen.

Möchten is de Konjunktiv II van mögen. De Konjunktiv II is een werkwoordsvorm waarmee Duits onder meer wensen, beleefdheid en niet-werkelijke situaties uitdrukt. Dat verklaart de verzachtende toon van ich möchte. De gewone verleden tijd van mögen is daarentegen mochte, zonder umlaut: Als Kind mochte ich keinen Käse (‘Als kind lustte ik geen kaas’). Möchte en mochte verschillen dus zowel in spelling als betekenis.

In een bijzin na bijvoorbeeld weil (‘omdat’) of dass (‘dat’) staat het vervoegde modale werkwoord aan het einde: Ich gehe früh, weil ich schlafen will. De infinitief schlafen staat vlak vóór will. Dit wijkt zichtbaar af van de hoofdzin Ich will früh schlafen.

In voltooide tijden kunnen modale werkwoorden samen met een ander werkwoord een bijzondere dubbele infinitief krijgen: Ich habe nicht kommen wollen (‘Ik heb niet willen komen’). Zonder tweede werkwoord is een gewoon voltooid deelwoord mogelijk, bijvoorbeeld Das habe ich nie gewollt. Deze patronen behoren niet tot de A1-kern; herkenning is voorlopig voldoende.

Wollen heeft daarnaast enkele gevorderde betekenissen. Er will nichts gesehen haben betekent niet eenvoudig dat hij niets wil zien, maar dat hij beweert niets gezien te hebben. Ook kan wollen in formele instructies voorkomen, zoals Man wolle beachten …. Zulke vormen zijn nuttig om later te herkennen, maar niet geschikt als model voor een eenvoudig dagelijks verzoek.

Oefentips

  1. Maak drie kaartjes met de kern: wollen = plan of sterke wil, mögen = voorkeur, möchten = vriendelijke wens. Formuleer bij elk kaartje elke dag twee eigen zinnen.
  2. Oefen de woordvolgorde door één zin te verschuiven: Ich will heute kochenHeute will ich kochenWillst du heute kochen? Zo train je plaats twee én de infinitief achteraan.
  3. Kijk thuis naar vijf dingen of activiteiten en kies bewust tussen mögen en gern: Ich mag diesen Kaffee, maar Ich trinke gern Kaffee. Zeg daarna wat je wilt kopen met möchte.

Verwante concepten

Vereiste kennis

Können en müssen in het DuitsA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Modalverben: wollen, mögen in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen