A1

Wissen in de Duitse tegenwoordige tijd

Verb 'wissen' im Präsens

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

In het kort

Het Duitse wissen betekent meestal weten: je gebruikt het voor feiten, informatie en zekerheid. De vormen zijn ich weiß, du weißt, er/sie/es weiß, wir wissen, ihr wisst en sie/Sie wissen. Leer vooral de onregelmatige vormen met weiß uit het hoofd en gebruik kennen wanneer je bedoelt dat je een persoon, plaats of zaak kent.

Overzicht

Wissen is een onregelmatig Duits werkwoord waarmee je uitdrukt dat iemand informatie heeft: Ich weiß die Antwort (“Ik weet het antwoord”). Je gebruikt het ook bijzonder vaak in vragen en ontkenningen: Weißt du das? (“Weet jij dat?”) en Ich weiß es nicht (“Ik weet het niet”). Daarom kom je dit werkwoord al op A1-niveau voortdurend tegen.

Voor Nederlandstaligen voelt de basisbetekenis vertrouwd aan. Duits wissen en Nederlands weten worden in veel vergelijkbare situaties gebruikt. Ook het onderscheid tussen “weten” en “kennen” helpt: je weet een feit, maar je kent een persoon. Toch kun je niet eenvoudig Nederlandse uitgangen op het Duitse werkwoord toepassen. De enkelvoudsvormen hebben weiß-, terwijl de meervoudsvormen weer wiss- hebben.

De vorm weiß is bovendien niet hetzelfde woord als het bijvoeglijk naamwoord weiß (“wit”). De context maakt het verschil duidelijk: in Ich weiß das is weiß een werkwoord; in ein weißes Hemd beschrijft het de kleur van een overhemd.

Zo werkt het

De vervoeging

De infinitief (de onverbogen vorm die in een woordenboek staat) is wissen. Het werkwoord volgt in de tegenwoordige tijd niet volledig het gewone patroon van regelmatige werkwoorden. In het enkelvoud verandert wiss- in weiß-, en bij ich en er/sie/es ontbreekt een zichtbare uitgang.

Persoon Vorm Nederlandse betekenis
ich weiß ik weet
du weißt jij weet
er / sie / es weiß hij / zij / het weet
wir wissen wij weten
ihr wisst jullie weten
sie wissen zij weten
Sie wissen u weet / u weet allen

Let op drie vormgroepen:

  1. ich weiß en er/sie/es weiß zijn gelijk;
  2. du weißt krijgt een -t achter weiß;
  3. in het meervoud staan wir wissen, ihr wisst en sie wissen met ss.

De beleefdheidsvorm Sie krijgt, zoals altijd, een hoofdletter en gebruikt dezelfde vorm als sie in het meervoud: Wissen Sie das? kan “Weet u dat?” betekenen. Het onderwerp en de situatie maken duidelijk of sie “zij” of Sie “u” betekent.

Mededelende zinnen, vragen en ontkenningen

In een gewone mededelende hoofdzin staat de vervoegde werkwoordsvorm meestal op de tweede zinsplaats:

  • Ich weiß die Antwort. — Ik weet het antwoord.
  • Das weiß ich schon. — Dat weet ik al.
  • Morgen wissen wir mehr. — Morgen weten we meer.

“De tweede zinsplaats” betekent niet noodzakelijk het tweede losse woord. In Morgen wissen wir mehr vormt morgen het eerste zinsdeel en staat wissen daarna.

In een ja-neevraag komt de werkwoordsvorm vooraan:

  • Weißt du das? — Weet je dat?
  • Wissen Sie, wo der Bahnhof ist? — Weet u waar het station is?

Bij een vraag met een vraagwoord staat eerst het vraagwoord en daarna het werkwoord:

  • Was weißt du darüber? — Wat weet je daarover?
  • Woher weiß sie das? — Hoe weet zij dat? / Waar weet zij dat van?

De vaste ontkenning Ich weiß es nicht is belangrijk om als geheel te leren. Het voornaamwoord es verwijst naar de informatie waarover het gesprek gaat. Wanneer een bijzin volgt, is es vaak niet nodig: Ich weiß nicht, wo er ist (“Ik weet niet waar hij is”).

Wat kan er na wissen staan?

Wissen kan verschillende soorten aanvullingen krijgen.

Patroon Duits voorbeeld Uitleg
wissen + zelfstandig naamwoord Ich weiß die Antwort. Je weet een concreet feit of antwoord.
wissen + es/das Wir wissen das. es of das verwijst naar bekende informatie.
wissen + vraagwoordbijzin Sie weiß, wann der Zug fährt. Je weet wie, wat, waar, wanneer, waarom of hoe.
wissen + dass-bijzin Ich weiß, dass du recht hast. Je weet dat een mededeling waar is.
wissen + ob-bijzin Er weiß nicht, ob sie kommt. Je weet wel of niet of iets het geval is.

Een bijzin is een zinsdeel met een eigen onderwerp en werkwoord dat onderdeel is van een grotere zin. Na dass, ob en een indirect vraagwoord staat de vervoegde werkwoordsvorm aan het einde: wo er ist, dass du recht hast, ob sie kommt. Vergelijk de directe vraag Wo ist er? met de ingebedde vraag Weißt du, wo er ist?. De woordvolgorde verandert dus.

Voor een persoon, plaats, boek of onderwerp waarmee je vertrouwd bent, gebruik je meestal kennen, niet wissen:

  • Ich kenne Anna. — Ik ken Anna.
  • Kennst du Berlin? — Ken jij Berlijn?
  • Ich kenne dieses Buch. — Ik ken dit boek.

Een handige beginnersregel is: wissen + informatie, kennen + iemand of iets waarmee je bekend bent. Net als in het Nederlands bestaan er grensgevallen, maar deze regel voorkomt de meeste fouten.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Ich weiß es nicht. Ik weet het niet. Zeer gebruikelijke vaste zin.
Weißt du, wo er ist? Weet je waar hij is? In de bijzin staat ist achteraan.
Sie weiß alles. Zij weet alles. Derde persoon enkelvoud.
Wir wissen die Antwort. Wij weten het antwoord. Meervoudsvorm wissen.
Wisst ihr das schon? Weten jullie dat al? Vraag aan meerdere mensen die je met ihr aanspreekt.
Wissen Sie, wann das Museum öffnet? Weet u wanneer het museum opengaat? Beleefde aanspreekvorm.
Paul weiß viel über Geschichte. Paul weet veel over geschiedenis. Kennis over een onderwerp.
Ich weiß, dass heute kein Bus fährt. Ik weet dat er vandaag geen bus rijdt. Feit in een dass-bijzin.
Sie weiß nicht, ob die Tür offen ist. Ze weet niet of de deur open is. Onzekerheid met ob.
Woher weißt du meinen Namen? Hoe weet je mijn naam? woher vraagt naar de bron van de informatie.
Das weiß niemand. Dat weet niemand. das staat vooraan; weiß blijft op de tweede plaats.
Jetzt wissen wir mehr. Nu weten we meer. Tijdsbepaling vooraan.
Ich kenne den Mann, aber ich weiß seinen Namen nicht. Ik ken de man, maar ik weet zijn naam niet. Contrast tussen bekendheid en informatie.
Du weißt doch, dass ich morgen arbeite. Je weet toch dat ik morgen werk. doch herinnert de ander aan gedeelde kennis.

Veelgemaakte fouten

Een regelmatige vorm maken

  • Onjuist: Ich wisse die Antwort.
  • Juist: Ich weiß die Antwort.
  • Waarom: in de gewone tegenwoordige tijd is de ik-vorm onregelmatig. Wisse komt wel in andere, gevorderde grammaticale constructies voor, maar is niet de normale A1-vorm.

Weiß met een verkeerde uitgang gebruiken

  • Onjuist: Du weiß die Antwort.
  • Juist: Du weißt die Antwort.
  • Waarom: bij du eindigt de vorm op -t. Leer du weißt als één geheel.

De enkelvoudsstam in het meervoud houden

  • Onjuist: Wir weißen das.
  • Juist: Wir wissen das.
  • Waarom: alleen de enkelvoudsvormen hebben weiß-. Bovendien betekent weißen als afzonderlijk werkwoord iets anders, zoals iets wit maken.

Wissen gebruiken voor mensen en plaatsen

  • Onjuist: Ich weiß Maria gut.
  • Juist: Ich kenne Maria gut.
  • Waarom: bij vertrouwdheid met een persoon gebruik je kennen. Wissen gaat om informatie die je weet.

De woordvolgorde van een directe vraag behouden

  • Onjuist: Weißt du, wo ist der Schlüssel?
  • Juist: Weißt du, wo der Schlüssel ist?
  • Waarom: wo der Schlüssel ist is een bijzin. De vervoegde vorm ist staat daarin achteraan. Dit verschilt van de directe vraag Wo ist der Schlüssel?

Es onnodig verdubbelen voor een bijzin

  • Minder natuurlijk: Ich weiß es nicht, wo er wohnt.
  • Natuurlijk: Ich weiß nicht, wo er wohnt.
  • Waarom: wanneer de vraagwoordbijzin zelf zegt welke informatie ontbreekt, laat je es meestal weg. Als Ich weiß es nicht zelfstandig staat, is es juist heel normaal.

Gebruiksnotities

In Duitsland en Oostenrijk schrijf je weiß en weißt met ß. In Zwitserland en Liechtenstein wordt ß doorgaans niet gebruikt; daar zijn weiss en weisst de normale spellingen. Wanneer je de algemene Duitse standaardspelling leert, kies je weiß en weißt. Typ niet zomaar weiss omdat je toetsenbord geen ß toont; op veel systemen kun je de letter via een Duitse toetsenbordindeling of een tekenmenu invoeren.

Ich weiß nicht kan letterlijk betekenen dat je iets niet weet, maar de zin kan ook een voorzichtige reactie inleiden: Ich weiß nicht, das ist vielleicht zu teuer (“Ik weet het niet, dat is misschien te duur”). De spreker drukt dan twijfel of terughoudendheid uit. De intonatie en de rest van de zin bepalen de bedoeling.

Met schon en doch krijgt de zin een subtiele extra betekenis. Ich weiß das schon kan betekenen “Dat weet ik heus wel” of eenvoudig “Dat weet ik al”. Du weißt doch, dass ... doet een beroep op iets wat de gesprekspartner eigenlijk al weet: “Je weet toch dat ...”. Zulke kleine woorden hebben niet altijd één vaste Nederlandse vertaling.

Verder dan de basis

De volgende vormen en constructies hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later geregeld tegenkomen.

Wüsste voor twijfel, beleefdheid en een denkbeeldige situatie

Wüsste is de Konjunktiv II (een werkwoordsvorm voor onder meer denkbeeldige situaties en voorzichtige formuleringen) van wissen. In Ich wüsste gern ... klinkt een wens beleefd: Ich wüsste gern, wann der Kurs beginnt (“Ik zou graag willen weten wanneer de cursus begint”). Wenn ich das wüsste! betekent “Wist ik dat maar!” of, afhankelijk van de toon, “Als ik dat eens wist!”.

Let op dat Nederlands hier vaak “zou weten” of een verleden tijd gebruikt. Dat betekent niet dat Duits gewoon würde wissen nodig heeft; de korte vorm wüsste is zeer gebruikelijk.

Bescheid wissen en von etwas wissen

De verbinding Bescheid wissen betekent dat iemand op de hoogte is of voldoende informatie heeft:

  • Keine Sorge, ich weiß Bescheid. — Geen zorgen, ik ben op de hoogte.
  • Weiß sie schon Bescheid? — Is zij al op de hoogte?

Von etwas wissen betekent weten van het bestaan of gebeuren van iets: Ich wusste nichts von dem Termin (“Ik wist niets van de afspraak”). Met über leg je eerder de nadruk op kennis over een onderwerp: Was weißt du über diese Firma? (“Wat weet je over dit bedrijf?”).

Zu schätzen wissen

In de vaste, wat verzorgde uitdrukking etwas zu schätzen wissen betekent wissen niet simpelweg “een feit weten”, maar “iets weten te waarderen”: Ich weiß deine Hilfe zu schätzen (“Ik weet je hulp te waarderen”). De infinitiefgroep zu schätzen staat daarbij vóór wissen wanneer beide aan het einde van een bijzin staan: ..., weil ich deine Hilfe zu schätzen weiß.

Verleden tijd en andere vormen herkennen

De meest voorkomende verleden vormen zijn wusste en gewusst: Ich wusste das nicht (“Ik wist dat niet”) en Das habe ich nicht gewusst (“Dat heb ik niet geweten”). Ze horen niet bij de tegenwoordige tijd, maar het is nuttig te herkennen dat de spelling teruggaat naar wuss-/gewuss-, niet naar weiß-. Het voltooid deelwoord gewusst is de vorm die samen met haben wordt gebruikt.

Oefentips

  1. Leer de vormen in drie blokken. Zeg hardop: ich weiß – du weißt – er weiß; daarna wir wissen – ihr wisst – sie wissen. Maak vervolgens bij elke vorm één korte zin.
  2. Oefen het verschil met kennen. Schrijf twee kolommen: feiten en informatie bij wissen, personen, plaatsen en bekende zaken bij kennen. Maak paren zoals Ich kenne den Film en Ich weiß, wann der Film beginnt.
  3. Bouw vragen om tot bijzinnen. Begin met Wo ist Lea? en maak daarvan Weißt du, wo Lea ist? Doe hetzelfde met Wann fährt der Zug?, Warum lacht er? en Kommt sie?Weißt du, ob sie kommt? Zo oefen je tegelijk wissen en de Duitse woordvolgorde.

Verwante begrippen

Vereiste kennis

Regelmatige werkwoorden in het DuitsA1

Meer A1-concepten

Oefen Verb 'wissen' im Präsens in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen