Ontkenning met *nicht* en *kein* in het Duits
Verneinung mit nicht/kein
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.
Kort gezegd
Gebruik kein bij een zelfstandig naamwoord dat zonder lidwoord of met ein/eine zou staan: Ich habe kein Auto. Gebruik nicht om een werkwoord, eigenschap, omstandigheid of iets met een bepaald of bezittelijk lidwoord te ontkennen: Ich fahre nicht en Das ist nicht mein Auto. Kein krijgt uitgangen zoals ein; de plaats van nicht hangt af van wat precies wordt ontkend.
Overzicht
In het Nederlands kan niet een hele zin of een bepaald zinsdeel ontkennen, terwijl geen vooral bij een zelfstandig naamwoord hoort. Het Duits maakt in grote lijnen hetzelfde onderscheid met nicht en kein. Daardoor voelt de basisregel voor Nederlandstaligen vertrouwd: Ik begrijp het niet wordt Ich verstehe es nicht en Ik heb geen auto wordt Ich habe kein Auto.
Toch zijn de twee systemen niet volledig gelijk. Vooral de plaats van nicht vraagt aandacht. Duits heeft een vaste zinsbouw, en bij een scheidbaar werkwoord, een voltooid deelwoord of een infinitief staat nicht vaak vóór het deel dat aan het einde van de zin staat. Bovendien gedraagt kein zich als een Duits lidwoord: de uitgang verandert volgens geslacht, getal en naamval.
Dit onderwerp hoort bij A1, omdat je er meteen al eenvoudige antwoorden, voorkeuren en afwijzingen mee kunt formuleren. Begin met de keuze nicht of kein en met de vormen kein, keine, keinen. De verdere plaatsingsregels en de minder gewone naamvallen kun je daarna stap voor stap toevoegen.
Hoe werkt het?
De basiskeuze: nicht of kein?
Stel eerst deze vraag: ontken ik een zelfstandig naamwoord als geheel? Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, zaak of begrip, zoals Mann, Tasche, Wasser of Zeit.
- Gebruik kein als de positieve zin ein/eine heeft of helemaal geen lidwoord heeft.
- Gebruik nicht voor een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, plaats- of tijdsaanduiding, of een ander specifiek zinsdeel.
- Gebruik doorgaans ook nicht als het zelfstandig naamwoord al een bepaald lidwoord (der, die, das) of een bezittelijk woord (mein, dein, sein enzovoort) heeft.
| Positieve zin | Ontkennende zin | Waarom? |
|---|---|---|
| Das ist ein Hund. | Das ist kein Hund. | ein wordt kein |
| Ich habe Zeit. | Ich habe keine Zeit. | zonder lidwoord wordt kein gebruikt |
| Sie trinkt Kaffee. | Sie trinkt keinen Kaffee. | zelfstandig naamwoord zonder lidwoord |
| Der Hund ist müde. | Der Hund ist nicht müde. | een eigenschap wordt ontkend |
| Ich kaufe das Buch. | Ich kaufe das Buch nicht. | das Buch heeft een bepaald lidwoord |
| Das ist mein Schlüssel. | Das ist nicht mein Schlüssel. | mein blijft staan; nicht ontkent de identificatie |
Een handige proef is dus: zou je in een bevestigende zin een of geen lidwoord gebruiken? Dan ligt kein voor de hand. Staat er de/het, mijn/jouw of ontken je iets anders dan het zelfstandig naamwoord, kies dan meestal nicht.
Kein krijgt uitgangen
Kein volgt hetzelfde patroon als het onbepaalde lidwoord ein. Het past zich aan het grammaticale geslacht aan en aan de naamval: de vorm die laat zien welke functie een woordgroep in de zin heeft. Voor de basis heb je vooral de nominatief (meestal het onderwerp: wie of wat iets doet of is) en de accusatief nodig (vaak het lijdend voorwerp: wie of wat de handeling ondergaat).
| Geslacht/getal | Nominatief | Accusatief | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| mannelijk | kein | keinen | Kein Bus kommt. / Ich sehe keinen Bus. |
| vrouwelijk | keine | keine | Keine Lampe brennt. / Ich kaufe keine Lampe. |
| onzijdig | kein | kein | Kein Kind wartet. / Ich höre kein Kind. |
| meervoud | keine | keine | Keine Züge fahren. / Ich sehe keine Züge. |
Vooral keinen verdient extra oefening. Bij een mannelijk lijdend voorwerp zeg je niet kein Kaffee, maar keinen Kaffee: Ich trinke keinen Kaffee. In het meervoud bestaat geen onbepaald lidwoord, maar wel een negatieve vorm: Freunde → keine Freunde.
Later kom je ook de datief tegen, de naamval die onder meer na woorden als mit, bei en von staat.
| Geslacht/getal | Datief | Voorbeeld |
|---|---|---|
| mannelijk | keinem | mit keinem Kollegen |
| vrouwelijk | keiner | mit keiner Kollegin |
| onzijdig | keinem | mit keinem Problem |
| meervoud | keinen | mit keinen Freunden |
In de datief meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord meestal bovendien een -n: mit keinen Freunden. Deze vormen hoef je op A1 nog niet allemaal actief te beheersen, maar het is nuttig ze te herkennen.
Waar staat nicht?
De eenvoudigste hoofdregel is:
Staat nicht bij één bepaald woord of zinsdeel, dan komt het meestal direct ervoor. Ontkent het de hele mededeling, dan staat het vrij laat in de zin.
Eén onderdeel ontkennen
Nicht staat vóór het onderdeel waarop het contrast valt:
- Das Auto ist nicht neu. — Het is niet nieuw.
- Wir fahren nicht heute, sondern morgen. — Niet vandaag, maar morgen.
- Er wohnt nicht in Berlin. — Niet in Berlijn.
- Ich nehme nicht den Bus, sondern den Zug. — Niet de bus, maar de trein.
De toevoeging met sondern (“maar juist”) maakt vaak duidelijk wat wordt gecorrigeerd. Let op het verschil tussen aber en sondern: na een echte ontkenning gebruik je sondern om het alternatief te noemen.
De hele zin ontkennen
Bij een eenvoudig werkwoord staat nicht vaak aan of dicht bij het einde:
- Ich verstehe nicht.
- Er arbeitet heute nicht.
- Wir kaufen das Buch nicht.
“Zo laat mogelijk” is nuttiger dan “altijd helemaal achteraan”. Bepaalde werkwoordelijke delen vormen namelijk een zinsbeugel: een deel staat vroeg en het andere deel aan het einde. Nicht staat dan gewoonlijk vóór dat laatste werkwoordelijke deel:
| Constructie | Plaats van nicht | Voorbeeld |
|---|---|---|
| scheidbaar werkwoord | vóór het afgescheiden deel | Ich rufe heute nicht an. |
| modaal werkwoord + infinitief | vóór de infinitief | Ich kann heute nicht kommen. |
| voltooide tijd | vóór het voltooid deelwoord | Wir haben nicht gewartet. |
| toekomstige of passieve vorm | vóór de werkwoordelijke eindgroep | Das wird nicht funktionieren. |
Een infinitief is de onverbogen basisvorm van een werkwoord, zoals kommen. Een voltooid deelwoord is de vorm die je in een voltooide tijd gebruikt, zoals gewartet in hat gewartet.
Betekenisverschil door de plaats van nicht
De plaats is niet alleen een kwestie van grammatica; ze bepaalt ook het contrast:
- Ich fahre heute nicht nach Köln. — Mijn bestemming is niet Keulen.
- Ich fahre nicht heute nach Köln. — Ik ga wel naar Keulen, maar niet vandaag.
- Ich fahre heute nicht nach Köln. — In gewone tekst ongebruikelijk als aparte schrijfwijze; in gesproken taal kan sterke nadruk op fahre een correctie uitdrukken, bijvoorbeeld dat ik vlieg.
In neutrale ontkenningen hoef je niet elk mogelijk contrast uit te rekenen. Zet nicht laat in de zin, maar vóór een infinitief, deelwoord, afgescheiden werkwoorddeel of zinsdeel dat specifiek wordt ontkend.
Voorbeelden in context
| Duits | Nederlands | Opmerking |
|---|---|---|
| Ich verstehe nicht. | Ik begrijp het niet. | De hele mededeling is ontkennend. |
| Das ist kein Hund. | Dat is geen hond. | ein Hund wordt kein Hund. |
| Er kommt heute nicht. | Hij komt vandaag niet. | nicht staat laat in de eenvoudige zin. |
| Wir haben kein Auto. | Wij hebben geen auto. | Onzijdig lijdend voorwerp. |
| Sie trinkt keinen Kaffee. | Zij drinkt geen koffie. | Mannelijk lijdend voorwerp: keinen. |
| Ich habe keine Geschwister. | Ik heb geen broers of zussen. | Meervoud: keine. |
| Der Film ist nicht langweilig. | De film is niet saai. | nicht ontkent het bijvoeglijk naamwoord. |
| Das ist nicht meine Tasche. | Dat is niet mijn tas. | Bij meine gebruik je nicht, niet kein. |
| Wir wohnen nicht in der Stadt. | Wij wonen niet in de stad. | De plaatsbepaling wordt ontkend. |
| Lena arbeitet morgen nicht. | Lena werkt morgen niet. | De hele gebeurtenis gaat niet door. |
| Lena arbeitet nicht morgen, sondern am Freitag. | Lena werkt niet morgen, maar vrijdag. | Specifiek contrast bij de tijd. |
| Ich stehe am Sonntag nicht früh auf. | Ik sta zondag niet vroeg op. | nicht staat vóór het afgescheiden auf. |
| Du musst das nicht machen. | Je hoeft dat niet te doen. | nicht staat vóór de infinitief machen. |
| Wir haben den Schlüssel nicht gefunden. | Wij hebben de sleutel niet gevonden. | Vóór het voltooid deelwoord. |
| Ohne Ticket darf man nicht einsteigen. | Zonder kaartje mag je niet instappen. | Ontkenning vóór de infinitief. |
Veelgemaakte fouten
Nicht gebruiken waar kein nodig is
- Onjuist: Ich habe nicht Auto.
- Juist: Ich habe kein Auto.
- Waarom: Auto zou in de positieve zin met ein staan: Ich habe ein Auto. Daarom wordt de ontkenning met kein gevormd.
Kein naast een bezittelijk woord zetten
- Onjuist: Das ist kein mein Fahrrad.
- Juist: Das ist nicht mein Fahrrad.
- Waarom: Mein bepaalt het zelfstandig naamwoord al. Je kunt kein en mein niet samen als lidwoord vóór hetzelfde zelfstandig naamwoord zetten.
De accusatiefuitgang vergeten
- Onjuist: Er hat kein Bruder.
- Juist: Er hat keinen Bruder.
- Waarom: Bruder is mannelijk en is hier het lijdend voorwerp van haben. Daarom is de accusatiefvorm keinen.
Nicht na het afgescheiden werkwoorddeel zetten
- Onjuist: Ich rufe dich an nicht.
- Juist: Ich rufe dich nicht an.
- Waarom: Het afgescheiden deel an sluit de zinsbeugel. De neutrale ontkenning staat ervoor.
De Nederlandse woordvolgorde blind kopiëren
- Onjuist: Ich habe nicht den Film gesehen. als je gewoon bedoelt dat je de film niet hebt gezien
- Juist: Ich habe den Film nicht gesehen.
- Waarom: In een neutrale Duitse zin staat nicht vóór het voltooid deelwoord. Ich habe nicht den Film gesehen kan wel, maar alleen met een sterk contrast: niet de film, maar bijvoorbeeld de serie.
Nicht müssen als “niet moeten” verstaan
- Misleidend: Du musst das nicht machen vertalen als “Je moet dat niet doen.”
- Juist: Du musst das nicht machen betekent meestal “Je hoeft dat niet te doen.”
- Waarom: De ontkenning hoort bij de noodzaak. Voor een verbod gebruik je bijvoorbeeld Du darfst das nicht machen (“Je mag dat niet doen”). Dit betekenisverschil is ook voor Nederlandstaligen belangrijk.
Gebruiksnotities
In korte antwoorden kan nicht zelfstandig staan: Kommst du mit? — Heute nicht. Ook combinaties als noch nicht (“nog niet”), nicht mehr (“niet meer”) en gar nicht (“helemaal niet”) zijn zeer gebruikelijk. Leer ze als vaste blokken:
- Ich bin noch nicht fertig. — Ik ben nog niet klaar.
- Sie arbeitet hier nicht mehr. — Zij werkt hier niet meer.
- Das gefällt mir gar nicht. — Dat bevalt me helemaal niet.
Kein kan eveneens zelfstandig worden gebruikt wanneer het zelfstandig naamwoord uit de context duidelijk is. De uitgang blijft dan belangrijk: Hast du einen Stift? — Nein, ich habe keinen. (“Heb je een pen? — Nee, ik heb er geen.”)
In de spreektaal krijgt het woord waarop het contrast valt extra klemtoon. Daardoor kan dezelfde woordvolgorde verschillende nuances hebben. Als je zelf spreekt, helpt een expliciete tegenstelling met sondern om dubbelzinnigheid te vermijden: Nicht am Montag, sondern am Dienstag.
Verder dan de basis
De volgende details hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later tegenkomen.
Kein tegenover nicht ein
Normaal is kein de ontkenning van ein: Das ist kein Fehler. Toch komt nicht ein voor wanneer juist het getal één wordt tegengesproken of versterkt:
- Nicht ein Gast ist gekommen. — Geen enkele gast is gekomen.
- Er hat nicht ein Buch gekauft, sondern drei. — Hij heeft niet één boek gekocht, maar drie.
Hier is ein geen gewoon onbepaald lidwoord, maar een benadrukt telwoord. In alledaagse neutrale zinnen blijft kein de veilige keuze.
Ontkenning van een bepaald zelfstandig naamwoord
Nicht kan direct vóór een woordgroep met een bepaald lidwoord staan als je die specifieke keuze corrigeert:
- Nicht der rote Pullover, sondern der blaue. — Niet de rode trui, maar de blauwe.
Dat is iets anders dan kein roter Pullover: daarmee zeg je dat het helemaal geen rode trui is of dat er geen rode trui aanwezig is. Het verschil draait om correctie van een specifieke keuze tegenover afwezigheid of ontkenning van de categorie.
Bereik van de ontkenning
Het “bereik” is het deel van de betekenis waarop de ontkenning slaat. Vergelijk:
- Alle Gäste kommen nicht. — Kan dubbelzinnig of onnatuurlijk klinken: komen ze allemaal niet, of komen niet allemaal?
- Nicht alle Gäste kommen. — Niet alle gasten komen.
- Kein Gast kommt. — Geen enkele gast komt.
Bij woorden als alle, immer en überall is een duidelijke plaatsing belangrijk. Nicht immer betekent “niet altijd”, terwijl nie “nooit” betekent. Nicht überall is “niet overal”; nirgendwo is “nergens”. Deze negatieve woorden zijn vaak preciezer dan een zin met los nicht.
Dubbele ontkenning
In het Standaardduits heffen twee ontkenningen elkaar vaak logisch op of klinken ze regionaal en niet-standaard. Zeg daarom als beginner:
- Ich habe nichts gesehen. — Ik heb niets gezien.
- niet: Ich habe nicht nichts gesehen, tenzij je bewust bedoelt: “Het is niet zo dat ik niets heb gezien.”
Woorden als nichts (niets), niemand (niemand), nie (nooit) en nirgendwo (nergens) maken de zin al ontkennend. Voeg niet automatisch nog nicht toe zoals in sommige dialecten of andere talen gebeurt.
Oefentips
- Maak positieve en negatieve paren. Schrijf vijf zinnen met ein/eine of zonder lidwoord en verander ze met kein: Ich habe einen Termin → Ich habe keinen Termin. Schrijf daarnaast vijf zinnen waarin je een eigenschap of handeling met nicht ontkent.
- Markeer het einde van de zinsbeugel. Onderstreep in zinnen met anrufen, een modaal werkwoord of de voltooide tijd het laatste werkwoorddeel. Zet nicht er direct vóór: Ich kann nicht kommen, Ich habe nicht angerufen.
- Oefen contrasten hardop. Zeg één zin met wisselende nadruk: nicht heute, nicht nach Berlin, nicht mit dem Auto. Voeg telkens sondern ... toe. Zo verbind je de plaats van nicht aan de bedoelde betekenis.
Verwante onderwerpen
- Voorkennis: Onbepaalde lidwoorden in de nominatief — laat zien hoe ein/eine werkt; kein volgt hetzelfde basispatroon.
- Handige vervolgstap: Woordvolgorde in de hoofdzin — helpt om de positie van nicht en de Duitse zinsbeugel beter te begrijpen.
Vereiste kennis
Onbepaalde lidwoorden in de Duitse nominatiefA1Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Verneinung mit nicht/kein in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen