Betrekkelijke bijzinnen in het Duits
Relativsätze
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.
In het kort
Een Duitse betrekkelijke bijzin geeft nadere informatie over een persoon of zaak: Das Buch, das ich lese, ist spannend. Geslacht en getal van het betrekkelijk voornaamwoord komen van het woord waarnaar het verwijst; de naamval hangt af van zijn functie in de bijzin. De persoonsvorm staat achteraan en de bijzin wordt met komma’s afgescheiden.
Overzicht
Een betrekkelijke bijzin (Relativsatz) is een bijzin die een eerder genoemd zelfstandig naamwoord nader bepaalt. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor bijvoorbeeld een persoon, voorwerp of begrip. In Der Nachbar, der oben wohnt, spielt Klavier vertelt der oben wohnt iets extra’s over der Nachbar. Dat eerder genoemde woord heet het antecedent: het woord waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord terugverwijst.
De basis lijkt op het Nederlands: “de buurman die boven woont” wordt der Nachbar, der oben wohnt. Toch kun je Nederlands die of dat niet eenvoudig woord voor woord omzetten. Het Duits houdt rekening met mannelijk, vrouwelijk, onzijdig en meervoud én met de rol van het voornaamwoord binnen de bijzin. Daardoor kan hetzelfde antecedent leiden tot der, den, dem of dessen.
Rond B1 leer je deze bouwvorm omdat je er losse mededelingen natuurlijk mee kunt verbinden. Je bouwt voort op gewone bijzinnen met weil en dass: ook in een betrekkelijke bijzin staat het vervoegde werkwoord aan het einde. De kernregel is goed te overzien; vooral de keuze van de naamval vraagt oefening.
Hoe het werkt
Van twee zinnen naar één geheel
Neem deze twee mededelingen:
- Der Mann ist mein Lehrer.
- Der Mann steht dort.
Omdat beide zinnen over dezelfde man gaan, kan de tweede mededeling als betrekkelijke bijzin in de eerste worden opgenomen:
- Der Mann, der dort steht, ist mein Lehrer.
De bijzin staat zo dicht mogelijk achter der Mann. Omdat hij midden in de hoofdzin staat, komt er zowel vóór als na de bijzin een komma. Laat je de hoofdzin na de bijzin doorgaan, dan verandert de normale woordvolgorde van die hoofdzin niet: Der Mann ... ist mein Lehrer.
Kies de vorm in twee stappen
Bij elk betrekkelijk voornaamwoord beantwoord je twee afzonderlijke vragen:
- Waarnaar verwijst het? Het antecedent bepaalt geslacht en getal: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud.
- Welke rol heeft het in de bijzin? Die rol bepaalt de naamval: nominatief, accusatief, datief of genitief.
Vergelijk drie zinnen met hetzelfde mannelijke antecedent:
- Der Mann, der dort wartet, ist mein Onkel. — der is het onderwerp (wie de handeling uitvoert) van wartet.
- Der Mann, den ich dort sehe, ist mein Onkel. — den is het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat) van sehe.
- Der Mann, dem ich vertraue, ist mein Onkel. — dem staat in de datief, omdat vertrauen de datief verlangt.
De rol van der Mann in de hoofdzin is dus niet beslissend. Test alleen de open plek in de bijzin: “hij wacht”, “ik zie hem” of “ik vertrouw hem”.
De volledige vormreeks
| Naamval | Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | Meervoud |
|---|---|---|---|---|
| Nominatief | der | die | das | die |
| Accusatief | den | die | das | die |
| Datief | dem | der | dem | denen |
| Genitief | dessen | deren | dessen | deren |
De nominatief is de vorm voor het onderwerp. De accusatief markeert meestal het lijdend voorwerp. De datief komt onder meer voor bij een meewerkend voorwerp (de persoon aan of voor wie iets gebeurt), bij datiefwerkwoorden en na bepaalde voorzetsels. De genitief drukt hier bezit of verbondenheid uit, vergelijkbaar met Nederlands “wiens” of “van wie”.
De vormen lijken grotendeels op de Duitse bepaalde lidwoorden, maar er zijn belangrijke verschillen: datief meervoud is denen, niet den, en de genitief gebruikt dessen en deren.
Nominatief of accusatief?
Vraag eerst of er in de bijzin al een ander onderwerp staat.
- Die Kollegin, die heute arbeitet, ... — die voert de handeling uit en is nominatief.
- Die Kollegin, die ich heute treffe, ... — ich is al onderwerp; die is wat ik tref en is accusatief.
Bij vrouwelijke en meervoudige antecedenten zien nominatief en accusatief er allebei uit als die. Bij onzijdige woorden is in beide gevallen das. De functie blijft grammaticaal wel verschillend, ook wanneer je dat niet aan de vorm ziet.
Datief door werkwoord of betekenis
Sommige werkwoorden vragen een datief, ook waar een Nederlandstalige misschien aan een lijdend voorwerp denkt:
- Die Frau, der ich helfe, ... — jemandem helfen
- Der Freund, dem ich danke, ... — jemandem danken
- Die Leute, denen wir vertrauen, ... — jemandem vertrauen
Leer zulke werkwoorden daarom samen met hun naamval. Bij een echt meewerkend voorwerp werkt dezelfde regel: Das Kind, dem ich ein Buch schenke, freut sich.
Een voorzetsel blijft vóór het voornaamwoord
Hoort er een voorzetsel bij de open plek, dan staat dat vóór het betrekkelijk voornaamwoord. Het voorzetsel bepaalt de naamval, of de betekenis doet dat bij een wisselvoorzetsel (een voorzetsel dat zowel accusatief als datief kan krijgen).
- die Kollegin, mit der ich arbeite — mit vraagt datief
- der Kurs, für den ich mich interessiere — für vraagt accusatief
- die Stadt, in der ich wohne — plaats zonder richting, dus datief
- die Stadt, in die wir fahren — richting naar een bestemming, dus accusatief
Het Nederlands gebruikt vaak “waarmee”, “waarvoor” of “waarin”. Bij personen is mit der, für den enzovoort ook in het Duits de gewone keuze. Bij zaken kan in informeler taal soms een vorm met wo(r)- voorkomen; daarover lees je verderop meer.
De genitief: dessen en deren
Met dessen en deren zeg je van wie of waarvan iets is:
- Der Mann, dessen Tochter in Berlin lebt, ...
- Die Frau, deren Fahrrad gestohlen wurde, ...
- Die Kinder, deren Eltern hier arbeiten, ...
Kies dessen bij een mannelijk of onzijdig antecedent en deren bij een vrouwelijk antecedent of meervoud. De naamvalsvorm slaat op de bezitter, niet op het bezeten woord. Daarom blijft het dessen in zowel der Mann, dessen Tochter ... als der Mann, dessen Kinder ....
Na dessen of deren komt normaal geen extra lidwoord of bezittelijk voornaamwoord: dessen neues Auto, niet dessen sein neues Auto. Een bijvoeglijk naamwoord krijgt de uitgang die nodig is zonder voorafgaand lidwoord.
Woordvolgorde en werkwoordgroepen
De vervoegde persoonsvorm staat aan het einde van de betrekkelijke bijzin:
- Das ist der Zug, der nach Hamburg fährt.
- Kennst du die Frau, die uns gestern angerufen hat?
- Das ist ein Problem, das ich nicht allein lösen kann.
Bij een voltooide tijd staat het voltooid deelwoord (de vorm zoals gemacht of gesehen) vóór het hulpwerkwoord: angerufen hat. Bij een modaal werkwoord staat de infinitief (de onvervoegde vorm) vóór het vervoegde modale werkwoord: lösen kann. Een scheidbaar werkwoord wordt aan het einde weer één geheel als het zelf de persoonsvorm is: der jeden Morgen früh aufsteht.
Voorbeelden in context
| Duits | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| Der Mann, der dort steht, ist mein Lehrer. | De man die daar staat, is mijn leraar. | Mannelijk antecedent; onderwerp in de bijzin. |
| Das Buch, das ich lese, ist interessant. | Het boek dat ik lees, is interessant. | Onzijdig antecedent; lijdend voorwerp. |
| Die Frau, der ich helfe, wohnt nebenan. | De vrouw die ik help, woont hiernaast. | helfen verlangt de datief. |
| Wo ist der Schlüssel, den du gefunden hast? | Waar is de sleutel die je hebt gevonden? | Mannelijk, accusatief; voltooide tijd. |
| Die Kinder, die im Garten spielen, sind unsere Nachbarn. | De kinderen die in de tuin spelen, zijn onze buren. | Meervoud, nominatief. |
| Das sind die Gäste, denen wir das Essen servieren. | Dat zijn de gasten aan wie we het eten serveren. | Meervoud, datief. |
| Der Kollege, mit dem ich das Büro teile, kommt später. | De collega met wie ik het kantoor deel, komt later. | mit verlangt de datief. |
| Die Stelle, für die sie sich beworben hat, ist noch frei. | De functie waarop ze heeft gesolliciteerd, is nog vrij. | sich für etwas bewerben met accusatief. |
| Das Dorf, in dem meine Großeltern leben, liegt am Rhein. | Het dorp waarin mijn grootouders wonen, ligt aan de Rijn. | Vaste plaats na in: datief. |
| Die Insel, auf die wir morgen fahren, ist autofrei. | Het eiland waar we morgen naartoe gaan, is autovrij. | Richting na auf: accusatief. |
| Der Student, dessen Laptop kaputt ist, arbeitet in der Bibliothek. | De student wiens laptop stuk is, werkt in de bibliotheek. | Mannelijke bezitter: dessen. |
| Die Firma, deren Produkte weltweit verkauft werden, wächst schnell. | Het bedrijf waarvan de producten wereldwijd worden verkocht, groeit snel. | Vrouwelijk antecedent: deren. |
| Das ist alles, was ich darüber weiß. | Dat is alles wat ik erover weet. | Na alles gebruik je vaak was. |
| Sie ist die freundlichste Ärztin, die ich kenne. | Zij is de vriendelijkste arts die ik ken. | Na een concreet zelfstandig naamwoord blijft die correct. |
Veelgemaakte fouten
De naamval uit de hoofdzin overnemen
- Fout: Der Mann, den dort wartet, ist mein Chef.
- Goed: Der Mann, der dort wartet, ist mein Chef.
- Waarom: In de bijzin voert de man het wachten uit. Het voornaamwoord is daar dus onderwerp en staat in de nominatief.
Nederlands die of dat letterlijk kopiëren
- Fout: Das Mädchen, die dort sitzt, heißt Lea.
- Goed: Das Mädchen, das dort sitzt, heißt Lea.
- Waarom: Mädchen is grammaticaal onzijdig door het achtervoegsel -chen. Het natuurlijke geslacht van de persoon verandert de grammaticale vorm hier niet.
De persoonsvorm niet achteraan zetten
- Fout: Das ist der Film, den ich habe gesehen.
- Goed: Das ist der Film, den ich gesehen habe.
- Waarom: Een betrekkelijke bijzin volgt de Duitse bijzinsvolgorde. De vervoegde vorm habe staat achteraan.
Het voorzetsel weglaten
- Fout: Die Kollegin, der ich arbeite, ist nett.
- Goed: Die Kollegin, mit der ich arbeite, ist nett.
- Waarom: De Duitse verbinding is mit jemandem arbeiten. Het voorzetsel moet vóór het betrekkelijk voornaamwoord blijven staan.
Den gebruiken in datief meervoud
- Fout: Die Leute, den ich vertraue, ...
- Goed: Die Leute, denen ich vertraue, ...
- Waarom: Datief meervoud van het betrekkelijk voornaamwoord is denen. De vorm den is hier niet voldoende.
Een komma vergeten
- Fout: Das Fahrrad das vor der Tür steht gehört mir.
- Goed: Das Fahrrad, das vor der Tür steht, gehört mir.
- Waarom: Duitse betrekkelijke bijzinnen worden altijd met komma’s afgescheiden. Staat de bijzin midden in de hoofdzin, dan zijn er twee komma’s nodig.
Gebruiksnotities
Anders dan in sommige talen maakt de Duitse komma geen onderscheid tussen noodzakelijke en slechts aanvullende informatie: iedere betrekkelijke bijzin krijgt komma’s. Ook een bijzin die precies aangeeft welk voorwerp wordt bedoeld, schrijf je dus tussen komma’s: Das Buch, das auf dem Tisch liegt, gehört mir.
In verzorgde geschreven taal zijn vormen als mit dem, über die en von denen veilig en precies. In de spreektaal hoor je bij verwijzingen naar zaken ook wo(r)- met een voorzetsel, bijvoorbeeld Das ist das Thema, worüber wir gesprochen haben. Vaak klinkt das Thema, über das wir gesprochen haben neutraler in formele teksten. Bij personen gebruik je geen worüber of womit: zeg die Person, mit der ....
Een lange betrekkelijke bijzin kan de hoofdzin moeilijk leesbaar maken. Het Duits kan zulke constructies goed vormen, maar in gewone communicatie zijn twee kortere zinnen soms duidelijker. Zorg in elk geval dat de bijzin direct na zijn antecedent staat, zodat niet onduidelijk wordt waarnaar hij verwijst.
Verder dan de basis
Was na onbepaalde woorden en een hele mededeling
Na onbepaalde woorden als alles, nichts, etwas en das gebruik je vaak was:
- Alles, was du sagst, bleibt unter uns.
- Es gibt nichts, was mich überrascht.
Was kan ook terugverwijzen naar de inhoud van een hele voorafgaande zin: Er hat die Prüfung bestanden, was uns sehr gefreut hat. Hier verwijst was niet alleen naar die Prüfung, maar naar het hele feit dat hij geslaagd is.
Na een zelfstandig naamwoord gebruik je normaal een vorm van der, die, das. Bij een overtreffende trap is het verschil zichtbaar: Das Beste, was ich tun kann heeft het zelfstandig gebruikte das Beste, maar der beste Rat, den ich geben kann heeft het concrete mannelijke zelfstandig naamwoord Rat.
Relatieve bijwoorden voor plaats
Bij plaatsnamen en woorden met een ruime plaatsbetekenis komt wo voor:
- Berlin, wo ich drei Jahre gelebt habe, ...
- An dem Tag, an dem wir ankamen, ...
Bij een concreet zelfstandig naamwoord is een voorzetsel plus voornaamwoord vaak preciezer: die Stadt, in der ich wohne. Wo is heel gewoon bij plaatsnamen en in gesproken taal, maar gebruik het niet automatisch als vertaling van ieder Nederlands “waar”.
Vrije betrekkelijke bijzinnen
Een vrije betrekkelijke bijzin heeft geen uitgesproken antecedent. De bijzin zelf betekent dan bijvoorbeeld “wie ook maar” of “datgene wat”:
- Wer zuerst kommt, bekommt den besten Platz. — Wie het eerst komt, krijgt de beste plaats.
- Nimm, was du brauchst. — Neem wat je nodig hebt.
De vorm wer kan binnen zijn eigen bijzin veranderen: Wem das zu teuer ist, der kann warten. Dit is nuttig om te herkennen, maar voor de B1-kern zijn bijzinnen met een duidelijk antecedent belangrijker.
Meerdere ingebedde bijzinnen
In formele of compacte teksten kan een betrekkelijke bijzin zelf weer een andere bijzin bevatten: Der Mann, der das Buch, das ich ihm gegeben habe, gelesen hat, meldete sich später. Zulke inbedding is grammaticaal mogelijk, maar vraagt veel van de lezer. Controleer bij elke bijzin afzonderlijk het antecedent, de naamval en het werkwoord aan het einde.
Oefentips
- Werk met twee kleuren. Onderstreep het antecedent in één kleur en het betrekkelijk voornaamwoord in een andere. Noteer eerst geslacht/getal en daarna pas de functie in de bijzin.
- Maak steeds een reeks van vier. Begin met der Mann en vorm zinnen met der, den, dem en dessen. Herhaal dat met die Frau, das Kind en een meervoud. Zo leer je niet alleen de tabel, maar ook de reden voor elke vorm.
- Splits bij twijfel de zin. Maak van Das Buch, das ich lese, ... tijdelijk Ich lese das Buch. De vorm van das Buch in die eenvoudige zin laat zien welke naamval je in de betrekkelijke bijzin nodig hebt.
Verwante onderwerpen
- Vereiste voorkennis: Bijzinnen met weil en dass — oefen eerst dat de vervoegde werkwoordsvorm in een bijzin achteraan staat.
- Vervolg: Complexe zinsstructuren — combineer en verwerk betrekkelijke bijzinnen met andere soorten bijzinnen.
Vereiste kennis
Bijzinnen met weil en dass in het DuitsA2Concepten die hierop voortbouwen
Meer B1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Relativsätze in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · B1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen