A2

Betrekkelijke bijzinnen in het Arabisch

الجملة الموصولة

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Arabisch op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Na een bepaald zelfstandig naamwoord gebruikt het Arabisch meestal een betrekkelijk voornaamwoord: الكتاب الذي قرأته ‘het boek dat ik heb gelezen’. Na een onbepaald zelfstandig naamwoord volgt de beschrijvende bijzin zonder zo’n woord: رأيت رجلاً يحمل حقيبةً ‘ik zag een man die een tas droeg’. Als het beschreven woord in de bijzin geen onderwerp is, verwijst het Arabisch er vaak nog eens naar met een achtervoegsel: de ـه in قرأته betekent letterlijk ‘ik las het’.

Overzicht

Een betrekkelijke bijzin is een zinsdeel dat extra informatie geeft over een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of begrip). In het Nederlands doen woorden als die en dat die taak: de student die slaagde, het boek dat ik las. In het Arabisch heet zo’n constructie الجملة الموصولة. Het woord vóór de bijzin, bijvoorbeeld الكتاب ‘het boek’, noemen we het antecedent: het woord waarnaar de bijzin terugwijst.

Dit onderwerp hoort bij A2, omdat je er korte zinnen mee kunt samenvoegen. In plaats van هذا كتاب. قرأت الكتاب. ‘Dit is een boek. Ik heb het boek gelezen’ kun je zeggen: هذا الكتاب الذي قرأته ‘dit is het boek dat ik heb gelezen’. Daarvoor moet je vooral twee vragen beantwoorden: is het antecedent bepaald of onbepaald, en welke vorm past bij geslacht en aantal?

Voor Nederlandstaligen voelt vooral de tweede vraag ongewoon. Nederlands kiest grotendeels tussen die en dat op basis van het soort zelfstandig naamwoord. Arabisch maakt meer onderscheid: mannelijk of vrouwelijk, enkelvoud, tweevoud of meervoud. Bovendien kan in de Arabische bijzin een extra terugverwijzend voornaamwoord nodig zijn waar het Nederlands er juist geen gebruikt.

Hoe het werkt

1. Bepaald antecedent: gebruik een betrekkelijk voornaamwoord

Een woord is bepaald wanneer duidelijk is om welke persoon of zaak het gaat. Dat is onder meer zo bij een zelfstandig naamwoord met الـ ‘de/het’, zoals الكتاب ‘het boek’ en الطالبة ‘de studente’. Na zo’n antecedent staat een vorm van الذي.

De basisstructuur is:

bepaald zelfstandig naamwoord + betrekkelijk voornaamwoord + bijzin

  • الطالب الذي نجح — de student die slaagde
  • الطالبة التي نجحت — de studente die slaagde
  • الكتاب الذي اشتريته — het boek dat ik kocht

Het betrekkelijk voornaamwoord komt overeen met het antecedent in geslacht en aantal.

Antecedent Vorm Betekenis in een Nederlandse vertaling
mannelijk enkelvoud الذي die, dat
vrouwelijk enkelvoud التي die, dat
mannelijk tweevoud اللذانِ / اللذينِ die twee
vrouwelijk tweevoud اللتانِ / اللتينِ die twee
mannelijk menselijk meervoud الذين die
vrouwelijk menselijk meervoud اللواتي / اللاتي die

Voor de kern op A2 zijn الذي، التي، الذين het belangrijkst. De twee vormen van het tweevoud hangen samen met de naamval (de vorm die de functie in de hoofdzin aangeeft): اللذانِ en اللتانِ worden gebruikt als onderwerp, اللذينِ en اللتينِ in andere functies. In teksten zonder klinkertekens blijft het verschil zichtbaar aan ا of ي. Bij het vrouwelijke meervoud komen meerdere correcte vormen voor; اللاتي en اللواتي zijn beide gangbaar in verzorgd Standaardarabisch.

2. Onbepaald antecedent: geen betrekkelijk voornaamwoord

Een onbepaald zelfstandig naamwoord verwijst niet naar één al bekende persoon of zaak: رجلٌ ‘een man’, كتابٌ ‘een boek’. Zo’n woord krijgt in het Arabisch normaal geen الذي of التي. De volgende bijzin beschrijft het rechtstreeks en werkt als een bijvoeglijke bepaling.

  • رأيت رجلاً يحمل حقيبةً. — Ik zag een man die een tas droeg.
  • اشتريت كتاباً يتحدث عن التاريخ. — Ik kocht een boek dat over geschiedenis gaat.
  • تسكن هنا امرأةٌ تعمل في المستشفى. — Hier woont een vrouw die in het ziekenhuis werkt.

Dit is een belangrijk verschil met het Nederlands. Nederlands heeft in deze zinnen nog steeds die of dat. In het Arabisch zou رجلاً الذي botsen: رجلاً is onbepaald, maar الذي hoort bij een bepaald antecedent.

Vergelijk het betekenisverschil:

Arabisch Nederlands Wat verandert er?
جاء الطالب الذي يسكن بجانبنا. De student die naast ons woont, kwam. Een bepaalde student; الذي is nodig.
جاء طالبٌ يسكن بجانبنا. Er kwam een student die naast ons woont. Een niet nader bepaalde student; geen الذي.

3. Wanneer het antecedent zelf het onderwerp is

Het onderwerp is wie of wat de handeling uitvoert. Als het antecedent die rol heeft binnen de betrekkelijke bijzin, is geen extra voornaamwoord nodig. Het betrekkelijk voornaamwoord neemt die plek al in.

  • الطالبة التي نجحت — de studente die slaagde
  • الرجل الذي وصل أمس — de man die gisteren aankwam
  • الأصدقاء الذين زاروني — de vrienden die mij bezochten

In الذين زاروني zijn de vrienden degenen die bezoeken. De uitgang ـوني betekent ‘mij’; die verwijst dus niet terug naar الأصدقاء.

4. Wanneer het antecedent lijdend voorwerp is

Het lijdend voorwerp is wie of wat de handeling ondergaat. Dan bevat de Arabische bijzin meestal een terugverwijzend voornaamwoord, in het Arabisch ضمير عائد. Vaak zit dat als achtervoegsel aan het werkwoord.

  • الكتاب الذي قرأته — het boek dat ik las
  • السيارة التي اشتريناها — de auto die wij kochten

Letterlijk zijn de bijzinnen قرأته ‘ik las het’ en اشتريناها ‘wij kochten haar/haar als grammaticaal vrouwelijk woord’. Nederlands zegt niet het boek dat ik het las, maar Arabisch houdt die verwijzing normaal wel vast.

De vorm past bij het antecedent:

Antecedent Terugverwijzing Voorbeeld
mannelijk enkelvoud ـه القلم الذي وجدته — de pen die ik vond
vrouwelijk enkelvoud ـها الحقيبة التي وجدتها — de tas die ik vond
menselijk meervoud passend meervoudsachtervoegsel الطلاب الذين قابلتهم — de studenten die ik ontmoette

5. Na een voorzetsel of in een bezitsverband

Ook na een voorzetsel staat de terugverwijzing gewoonlijk in de bijzin. Het voorzetsel blijft op de plaats waar de betekenis het vraagt.

  • البيت الذي أسكن فيه — het huis waarin ik woon
  • المدينة التي جئت منها — de stad waaruit ik kwam
  • الشخص الذي تحدثت معه — de persoon met wie ik sprak

De letterlijke opbouw is ‘het huis dat ik erin woon’, ‘de stad die ik ervandaan kwam’ en ‘de persoon die ik met hem sprak’. Dit klinkt dubbel in het Nederlands, maar is normaal Arabisch.

Hetzelfde gebeurt bij bezit:

  • الرجل الذي قابلتُ أخاه — de man wiens broer ik ontmoette

Het achtervoegsel ـه aan أخاه ‘zijn broer’ verwijst naar الرجل. De terugverwijzing hoeft dus niet altijd aan het werkwoord te zitten.

6. Niet-menselijke meervouden

Niet-menselijke meervouden worden in het Standaardarabisch vaak behandeld als vrouwelijk enkelvoud. Daarom staat bij woorden voor meerdere zaken of dieren doorgaans التي, niet الذين.

  • الكتب التي قرأتها — de boeken die ik las
  • السيارات التي وصلت — de auto’s die aankwamen

الذين gebruik je vooral voor mannelijke personen of gemengde groepen personen. Voor een groep uitsluitend vrouwen kun je اللاتي of اللواتي gebruiken.

Voorbeelden in context

Arabisch Nederlands Opmerking
هذا هو الكتاب الذي قرأته في العطلة. Dit is het boek dat ik in de vakantie heb gelezen. Bepaald, mannelijk; ـه verwijst naar het boek.
الطالبة التي نجحت أختي. De studente die geslaagd is, is mijn zus. التي past bij een vrouwelijke persoon.
الأصدقاء الذين زاروني يسكنون في عمّان. De vrienden die mij bezochten, wonen in Amman. Mannelijk of gemengd menselijk meervoud.
أين الحقيبة التي اشتريتها أمس؟ Waar is de tas die je gisteren kocht? ـها verwijst terug naar الحقيبة.
هذا هو المطعم الذي نأكل فيه كل جمعة. Dit is het restaurant waar we elke vrijdag eten. Terugverwijzing na في.
أعرف المرأة التي تحدثتَ معها. Ik ken de vrouw met wie je hebt gesproken. معها betekent letterlijk ‘met haar’.
الكتب التي على الطاولة جديدة. De boeken die op tafel liggen, zijn nieuw. Niet-menselijk meervoud krijgt التي.
رأيت رجلاً يحمل حقيبةً. Ik zag een man die een tas droeg. Onbepaald antecedent: geen betrekkelijk voornaamwoord.
نبحث عن شقةٍ فيها غرفتان. We zoeken een appartement met twee kamers. Onbepaald; فيها verwijst binnen de beschrijving naar de woning.
اشتريت هاتفاً يعمل جيداً. Ik kocht een telefoon die goed werkt. De telefoon is onderwerp van de beschrijvende bijzin.
هذه هي المدينة التي وُلدتُ فيها. Dit is de stad waarin ik geboren ben. Het voorzetsel في blijft in de bijzin.
قابلتُ الرجل الذي يعمل ابنه هنا. Ik ontmoette de man van wie de zoon hier werkt. ـه in ابنه verwijst naar de man.

Veelgemaakte fouten

Een betrekkelijk voornaamwoord na een onbepaald woord zetten

  • Onjuist: رأيت رجلاً الذي يحمل حقيبةً.
  • Juist: رأيت رجلاً يحمل حقيبةً.
  • Waarom: رجلاً betekent ‘een man’ en is onbepaald. Anders dan het Nederlandse die kan الذي hier niet worden ingevoegd.

Het terugverwijzende achtervoegsel vergeten

  • Onjuist: الكتاب الذي قرأتُ
  • Juist: الكتاب الذي قرأته
  • Waarom: Het boek is het lijdend voorwerp van ‘lezen’. De ـه vult die rol in de Arabische bijzin in: letterlijk ‘het boek dat ik het las’.

Alleen naar het Nederlandse woord die of dat kijken

  • Onjuist: الطالبة الذي نجحت
  • Juist: الطالبة التي نجحت
  • Waarom: De keuze volgt het Arabische antecedent. الطالبة is vrouwelijk enkelvoud, dus hoort التي erbij. Het Nederlandse onderscheid tussen die en dat helpt hier niet betrouwbaar.

الذين gebruiken voor niet-menselijke meervouden

  • Onjuist: الكتب الذين قرأتها
  • Juist: الكتب التي قرأتها
  • Waarom: Het niet-menselijke meervoud الكتب wordt grammaticaal als vrouwelijk enkelvoud behandeld.

Een voorzetsel zonder terugverwijzing laten staan

  • Onjuist: البيت الذي أسكن في
  • Juist: البيت الذي أسكن فيه
  • Waarom: فيه betekent ‘erin’. Het achtervoegsel maakt duidelijk dat het om البيت gaat.

Gebruiksnotities

Deze uitleg gaat uit van modern Standaardarabisch, de vorm die je in onderwijs, nieuws en formele teksten aantreft. In alledaagse dialecten zijn de vormen vaak eenvoudiger en verschillen ze per regio. Gebruik bij formeel schrijven daarom de vormen uit de tabel; leer dialectvormen als onderdeel van één specifiek dialect, niet als willekeurige vervanging.

In gewone ongevocaliseerde tekst worden korte klinkers en naamvalsuitgangen meestal niet geschreven. Daardoor zie je bijvoorbeeld الذي en التي zonder extra tekens. Bij het tweevoud blijft het verschil tussen اللذان en اللذين wel zichtbaar in de letters zelf.

Een Arabische betrekkelijke bijzin wordt niet met komma’s afgebakend volgens dezelfde vaste gewoonten als een Nederlandse bijzin. Vertrouw bij het lezen daarom vooral op het antecedent, het betrekkelijk voornaamwoord en de interne zinsbouw, niet op leestekens.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je komt ze later wel tegen.

Zelfstandige betrekkelijke woorden

مَن ‘wie, degene die’ wordt gebruikt voor personen en ما ‘wat, datgene wat’ vaak voor zaken of inhoud. Ze kunnen zonder uitgesproken antecedent staan:

  • أحبّ مَن يساعد الآخرين. — Ik waardeer wie anderen helpt.
  • فهمتُ ما قلتَه. — Ik begreep wat je zei.

Ook hier kan terugverwijzing verschijnen. In ما قلتَه verwijst ـه naar wat er gezegd werd. De precieze keuze en weglating van zo’n terugverwijzing is ruimer dan bij de basisconstructie met الذي en verdient later afzonderlijke aandacht.

Een hele gedachte nader verklaren

In formeler taalgebruik kan een betrekkelijke constructie een voorafgaande persoon of zaak uitvoeriger omschrijven. Lange zinnen kunnen meerdere ingebedde bijzinnen bevatten. Zoek dan van rechts naar links niet zomaar het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord, maar controleer overeenkomst en terugverwijzende achtervoegsels. Die laten vaak zien welk woord bij welke bijzin hoort.

Weglating in verzorgd taalgebruik

Bij een lijdend voorwerp is een terugverwijzend achtervoegsel de veiligste en duidelijkste keuze voor een leerder: الكتاب الذي قرأته. In bepaalde formele constructies kan een lijdend-voorwerpsvoornaamwoord worden weggelaten wanneer de relatie volledig duidelijk is. Dat is geen goede beginnersregel. Produceer eerst consequent de volledige vorm; leer mogelijke weglatingen later herkennen in authentieke teksten.

Oefentips

  1. Werk met zinsparen. Maak van قرأت الكتاب. الكتاب مفيد. één constructie: الكتاب الذي قرأته مفيد. Controleer daarna of het antecedent bepaald is en of een achtervoegsel nodig is.
  2. Markeer drie onderdelen. Onderstreep in een tekst het antecedent, omcirkel الذي/التي/الذين en verbind het met een terugverwijzing zoals ـه، ـها، فيه، معها. Zo zie je de structuur sneller dan wanneer je woord voor woord vertaalt.
  3. Oefen bepaalde en onbepaalde paren. Zet naast الطالب الذي يعمل هنا ‘de student die hier werkt’ ook طالبٌ يعمل هنا ‘een student die hier werkt’. Juist dat contrast voorkomt de meest hardnekkige fout bij Nederlandstaligen.

Verwante onderwerpen

  • Eerst leren: Naamwoordzinnen — helpt je herkennen hoe een Arabische zin zonder tegenwoordige vorm van ‘zijn’ is opgebouwd.

Vereiste kennis

Nominale zinnen in het ArabischA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen