B1

Betrekkelijke bijzinnen in het Baskisch

Erlatibozko Perpausak

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Baskisch op Settemila Lingue.

In het kort

Een Baskische betrekkelijke bijzin staat normaal vóór het zelfstandig naamwoord: ikusi dudan gizona betekent ‘de man die ik heb gezien’. Er is geen apart betrekkelijk voornaamwoord zoals Nederlands die, dat of waar: de vervoegde werkwoordsvorm aan het einde van de bijzin krijgt -(e)n, bijvoorbeeld daden en dutdudan.

Overzicht

Een betrekkelijke bijzin geeft nadere informatie over een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak, plaats of begrip). In ‘de vrouw die hier woont’ is ‘die hier woont’ de betrekkelijke bijzin en ‘de vrouw’ het woord dat wordt beschreven. Dat beschreven woord heet het kernwoord. In het Nederlands volgt de bijzin meestal op het kernwoord en begint hij vaak met die, dat, wie of waar.

Het Baskisch bouwt dezelfde informatie in de omgekeerde richting op. Eerst komt de beschrijving, daarna pas het kernwoord: hemen bizi den emakumea, letterlijk ongeveer ‘hier woont-die vrouw’, maar natuurlijk Nederlands ‘de vrouw die hier woont’. Het achtervoegsel -(e)n aan de persoonsvorm laat zien dat de voorafgaande woorden bij het volgende zelfstandig naamwoord horen.

Dit is een belangrijk B1-onderwerp. Je combineert er woordvolgorde, tegenwoordige of verleden tijd en Baskische hulpwerkwoorden mee. De kernregel is overzichtelijk: [betrekkelijke bijzin + werkwoord met -(e)n] + kernwoord. Vooral voor Nederlandstaligen vraagt de volgorde oefening: begin niet automatisch met gizona ‘de man’ zodra je ‘de man die …’ wilt zeggen.

Hoe het werkt

Het basisschema

De gewone opbouw is:

[aanvullende informatie + werkwoordsvorm met -(e)n] + zelfstandig naamwoord

Opbouw Baskisch Nederlands
hier + woont + vrouw hemen bizi den emakumea de vrouw die hier woont
gekocht-heb + boek erosi dudan liburua het boek dat ik heb gekocht
naartoe-ga + school joaten naizen eskola de school waar ik naartoe ga

Het werkwoord staat aan het einde van de betrekkelijke bijzin, direct vóór het kernwoord. Andere zinsdelen kunnen eerder in die bijzin staan: atzo ‘gisteren’, Bilbon ‘in Bilbao’ of zurekin ‘met jou’.

Waar komt de uitgang terecht?

Bij een samengestelde werkwoordsvorm staat -(e)n op het vervoegde hulpwerkwoord, niet op het hoofdwerkwoord. In erosi dudan liburua is erosi ‘gekocht’ het hoofdwerkwoord en dudan de betrekkelijke vorm van dut ‘ik heb het’. Bij een enkelvoudige persoonsvorm wordt die vorm zelf aangepast.

Gewone hoofdzin Betrekkelijke vorm Voorbeeld
da — hij/zij/het is den berria den autoa — de auto die nieuw is
dago — hij/zij/het bevindt zich dagoen mahaian dagoen giltza — de sleutel die op tafel ligt
du — hij/zij heeft het duen txakurra duen mutila — de jongen die een hond heeft
dut — ik heb het dudan irakurri dudan artikulua — het artikel dat ik heb gelezen
naiz — ik ben naizen bizi naizen herria — het dorp waar ik woon
zara — jij bent zaren ezagutu zaitudan lekua — de plaats waar ik jou heb leren kennen

De precieze vorm is dus niet altijd simpelweg een zichtbare -n achter de gewone vorm. Door de verbinding met -(e)n ontstaan vaste vormen als den, duen, dudan en naizen. Leer zulke vormen eerst als herkenbare eenheden en verbind ze daarna met de gewone persoonsvorm.

Verleden tijd: een belangrijk herkenningspunt

Veel Baskische verleden vormen eindigen al op -n, bijvoorbeeld nuen ‘ik had/ik deed het’ en zen ‘hij/zij was’. In een betrekkelijke bijzin blijft zo'n vorm uiterlijk vaak hetzelfde:

  • Atzo gizona ikusi nuen. — Ik zag de man gisteren.
  • atzo ikusi nuen gizona — de man die ik gisteren zag

In het tweede voorbeeld vertellen de plaats vóór gizona en de hele woordgroep welke functie nuen heeft. Daardoor kan een losse reeks als atzo ikusi nuen gizona zonder ruimere context dubbelzinnig lijken: ze kan als een volledige mededeling of als een naamwoordgroep worden opgevat. In een langere zin wordt de structuur meestal meteen duidelijk: Atzo ikusi nuen gizona medikua da ‘De man die ik gisteren zag, is arts.’

Het ontbrekende zinsdeel

Het Nederlands gebruikt in de bijzin een verwijswoord: de vrouw die hier woont, het boek dat ik kocht. In de gewone Baskische constructie staat daar geen afzonderlijk woord voor. Het kernwoord wordt als het ware niet herhaald in de bijzin; de luisteraar leidt zijn rol af uit het werkwoord en de context.

Vergelijk:

  • Emakumea hemen bizi da. — De vrouw woont hier.
  • hemen bizi den emakumea — de vrouw die hier woont

En:

  • Liburua erosi dut. — Ik heb het boek gekocht.
  • erosi dudan liburua — het boek dat ik heb gekocht

In het eerste paar is het kernwoord het onderwerp (wie de handeling uitvoert). In het tweede paar is het het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling ondergaat). Er verandert niets aan de basisvolgorde van de betrekkelijke constructie; de werkwoordsvorm helpt om de rol te begrijpen.

Uitgangen komen op de hele naamwoordgroep

Het kernwoord blijft een gewoon Baskisch zelfstandig naamwoord. Lidwoord, getal en naamvalsuitgang — een uitgang die de functie van de hele woordgroep aangeeft — komen bij het kernwoord, dus ná de betrekkelijke bijzin.

Naamwoordgroep Functie in de volledige zin Vertaling
etorri den gizona kernwoord zonder extra naamvalsuitgang de man die gekomen is
etorri den gizonak de hele groep is handelend onderwerp de man die gekomen is …
etorri den gizonari de hele groep is meewerkend voorwerp aan de man die gekomen is
etorri den gizonarekin de hele groep betekent ‘met …’ met de man die gekomen is

Zet zo'n uitgang niet op een woord midden in de betrekkelijke bijzin omdat het Nederlandse equivalent daar een voorzetsel heeft. Bouw eerst de volledige beschrijving met het kernwoord en voeg vervolgens de uitgang toe die de hele groep in de hoofdzin nodig heeft.

Voorbeelden in context

Baskisch Nederlands Toelichting
Hemen bizi den emakumea irakaslea da. De vrouw die hier woont, is lerares. Het kernwoord is onderwerp van bizi da.
Erosi dudan liburua oso interesgarria da. Het boek dat ik heb gekocht, is erg interessant. dudan hoort bij dut.
Atzo ikusi nuen gizona medikua da. De man die ik gisteren zag, is arts. De verleden vorm nuen verandert uiterlijk niet.
Joaten naizen eskola urrun dago. De school waar ik naartoe ga, ligt ver weg. Nederlands gebruikt waar; Baskisch geen apart verwijswoord.
Mahaian dagoen giltza zurea da. De sleutel die op tafel ligt, is van jou. dago wordt dagoen.
Txakurra duen mutila nire auzokidea da. De jongen die een hond heeft, is mijn buurjongen. Het kernwoord is de bezitter, niet de hond.
Gaur egin behar dugun lana zaila da. Het werk dat we vandaag moeten doen, is moeilijk. De hele werkwoordgroep eindigt op dugun.
Bilbon ezagutu genuen laguna etorri da. De vriend die we in Bilbao leerden kennen, is gekomen. laguna is het ontbrekende voorwerp van ezagutu genuen.
Zuk prestatu duzun afaria goxoa da. Het avondeten dat jij hebt klaargemaakt, is lekker. zuk maakt de handelende persoon expliciet.
Leiho ondoan eserita dagoen gizona nire aita da. De man die bij het raam zit, is mijn vader. Een langere beschrijving blijft vóór gizona.
Bizi garen etxea zaharra da. Het huis waarin wij wonen, is oud. Het Nederlands heeft waarin nodig; Baskisch laat die relatie uit de context blijken.
Hitz egiten ari den ikasleak galdera bat du. De leerling die aan het praten is, heeft een vraag. ikasleak draagt de uitgang voor het onderwerp van de hoofdzin.

Veelgemaakte fouten

1. De Nederlandse volgorde overnemen

  • Onjuist: gizona atzo ikusi nuen als bedoelde naamwoordgroep ‘de man die ik gisteren zag’
  • Juist: atzo ikusi nuen gizona
  • Waarom: de Baskische betrekkelijke bijzin staat vóór het kernwoord. De onjuiste reeks wordt eerder als een gewone mededeling gelezen: ‘Ik zag de man gisteren.’

2. Een Baskisch woord voor ‘die’ of ‘dat’ toevoegen

  • Onjuist: emakumea die hemen bizi da
  • Juist: hemen bizi den emakumea
  • Waarom: in deze gewone constructie vervult -(e)n de verbindende functie. Het Nederlandse verwijswoord wordt niet apart vertaald.

3. De gewone persoonsvorm laten staan

  • Onjuist: hemen bizi da emakumea
  • Juist: hemen bizi den emakumea
  • Waarom: da is de vorm van een hoofdzin; vóór een kernwoord is hier de betrekkelijke vorm den nodig.

4. De uitgang aan het hoofdwerkwoord hangen

  • Onjuist: erosin dut liburua
  • Juist: erosi dudan liburua
  • Waarom: bij een samengestelde vorm komt de betrekkelijke markering op het vervoegde hulpwerkwoord dut, dat dudan wordt. Erosi blijft onveranderd.

5. De naamvalsuitgang te vroeg plaatsen

  • Onjuist: etorri den gizonarekin-a of een uitgang midden in de beschrijving
  • Juist: etorri den gizonarekin ‘met de man die gekomen is’
  • Waarom: -arekin hoort bij de volledige naamwoordgroep en wordt aan het kernwoord toegevoegd.

6. Elke Nederlandse voorzetselrelatie letterlijk zichtbaar willen maken

  • Omslachtig denkpatroon: voor het huis waarin wij wonen eerst een afzonderlijk equivalent van waarin zoeken
  • Natuurlijk: bizi garen etxea
  • Waarom: een eenvoudige relatie met plaats of richting blijft in het Baskisch vaak onuitgesproken wanneer werkwoord en context haar duidelijk maken. Niet elke Nederlandse combinatie met waar- heeft dus een woord-voor-woordtegenhanger.

Gebruiksnotities

Deze vooropgeplaatste constructie is de gewone, neutrale manier om in het Baskisch een zelfstandig naamwoord nader te bepalen. Zij komt zowel in gesprekken als in geschreven taal veel voor. Korte combinaties als dagoen etxea ‘het huis dat er staat’ zijn gemakkelijk te verwerken; bij lange bijzinnen moet je als lezer onthouden dat het kernwoord pas aan het einde komt.

Het Baskisch kan informatie ook over twee hoofdzinnen verdelen. In een spontaan gesprek is dat soms duidelijker dan een zeer lange betrekkelijke bijzin. In plaats van één zwaar opgebouwde naamwoordgroep kan een spreker bijvoorbeeld eerst iemand noemen en daarna iets over die persoon zeggen. Dat is een keuze voor helderheid, geen uitzondering op de grammaticale regel.

Let ook op het bepaald lidwoord -a. In voorbeelden als emakumea en liburua zit dit al aan het kernwoord vast. De -n van den of dudan is iets anders: die markeert de betrekkelijke werkwoordsvorm. De twee uitgangen staan op verschillende onderdelen en hebben verschillende taken.

Verder dan de basis

Zelfstandige betrekkelijke vormen

Een betrekkelijke constructie kan zonder uitgesproken kernwoord worden gebruikt wanneer het bedoelde ‘ding’ of de bedoelde persoon uit de vorm en context blijkt. Vaak wordt de constructie dan zelfstandig gemaakt met het lidwoord -a:

  • Nahi duzuna egin dezakezu. — Je kunt doen wat je wilt.
  • Esan didazuna egia da. — Wat je mij hebt gezegd, is waar.
  • Etorriko dena nire laguna da. — Degene die zal komen, is mijn vriend of vriendin.

In duzuna kun je duzu + n + a herkennen: grofweg ‘dat wat jij wilt’. Dit is verwant aan de gewone betrekkelijke bijzin, maar er volgt geen apart zelfstandig naamwoord meer.

Plaats, richting en andere impliciete relaties

Ook wanneer het kernwoord in het Nederlands binnen de bijzin bij een voorzetsel hoort, kan het Baskisch de relatie impliciet laten:

  • bizi naizen herria — het dorp waarin ik woon
  • joaten naizen eskola — de school waar ik naartoe ga
  • lan egiten dudan enpresa — het bedrijf waar ik werk

Bij eenvoudige, voorspelbare relaties werkt dit natuurlijk. Bij ingewikkelder of dubbelzinnige relaties beschikt het Baskisch ook over uitgebreidere strategieën, waaronder constructies met explicietere verwijsvormen. Die horen bij gevorderde betrekkelijke bijzinnen; probeer op B1 vooral de veelvoorkomende impliciete patronen goed te herkennen en te produceren.

Meerdere beschrijvingen

Eén kernwoord kan meer dan één beschrijving krijgen. Dat levert langere groepen op, bijvoorbeeld atzo ikusi nuen eta gaur etorri den gizona ‘de man die ik gisteren zag en die vandaag is gekomen’. Beide werkwoordsvormen horen uiteindelijk bij hetzelfde kernwoord gizona. Zulke stapelingen zijn correct, maar worden snel zwaar. In eigen teksten is opsplitsen vaak beter als de lezer anders lang op het kernwoord moet wachten.

Waarom woord-voor-woord vertalen niet werkt

Nederlandse betrekkelijke voornaamwoorden geven vaak informatie over geslacht, getal of de combinatie met een voorzetsel: die, dat, met wie, waarin. De gewone Baskische vorm doet dat niet op dezelfde plek. Informatie over de deelnemers zit bovendien vaak al in het hulpwerkwoord. Vertaal daarom de relatie en de hele constructie, niet elk Nederlands verwijswoord afzonderlijk.

Oefentips

  1. Maak steeds twee versies. Begin met twee hoofdzinnen, bijvoorbeeld Liburua erosi dut. Liburua interesgarria da. Maak daarvan Erosi dudan liburua interesgarria da. Zo oefen je zowel het weglaten van het herhaalde zinsdeel als de plaats van -(e)n.
  2. Markeer van rechts naar links. Zoek tijdens het lezen eerst het kernwoord en kijk dan direct naar de werkwoordsvorm ervoor. Bij Bilbon ezagutu genuen laguna herken je vanaf laguna dat alles ervoor één beschrijving vormt.
  3. Leer kleine vormparen. Oefen dagelijks paren als da–den, dago–dagoen, du–duen, dut–dudan en naiz–naizen. Voeg daarna telkens een realistisch kernwoord toe.

Verwante onderwerpen

  • Voorkennis: Verleden tijd — helpt bij het herkennen van vormen als nuen en genuen in betrekkelijke bijzinnen.
  • Vervolg: Ondergeschikte bijzinnen — vergelijkt andere werkwoordsuitgangen voor onder meer ‘dat’, ‘omdat’, ‘hoewel’ en ‘wanneer’.
  • Verdieping: Gevorderde betrekkelijke bijzinnen — behandelt zelfstandige, gestapelde en complexere betrekkelijke constructies verder.

Vereiste kennis

Verleden tijd in het BaskischA2

Concepten die hierop voortbouwen

Meer B1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Erlatibozko Perpausak in Baskisch met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Baskisch · B1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen