A1

Hacer: doen en maken in het Spaans

El Verbo Hacer

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Spaans op Settemila Lingue.


concept: es-a1-hacer lang: es ui: nl title: Hacer: doen en maken in het Spaans description: >- Leer hacer vervoegen en natuurlijk gebruiken voor doen, maken, dagelijkse activiteiten en weerzinnen zoals hace calor, met voorbeelden en valkuilen. generation: article: version: native-ui-reference-v3.1 model: openai-codex/gpt-5.6-sol at: 2026-07-12T15:53:08Z reviews: spell-check: status: flagged at: 2026-07-12T15:53:08Z score: 0.0039 score-english: 0 score-coverage: 0.0039 suspects: ["Eén", "hacido", "hacimos", "haco", "hico", "onvervoegde", "weerconstructies", "weersomstandigheid"] criteria: v7 language-mixing: status: clean at: 2026-07-12T15:59:27Z criteria: v2


In het kort

Hacer betekent vaak “doen” of “maken”. In de tegenwoordige tijd zijn de vormen hago, haces, hace, hacemos, hacéis, hacen; alleen hago wijkt sterk af van het patroon van regelmatige werkwoorden op -er. Je gebruikt hacer ook in vaste combinaties zoals hacer deporte en in onpersoonlijke weerzinnen zoals Hace calor.

Overzicht

Hacer is een van de nuttigste Spaanse werkwoorden. Je vraagt ermee wat iemand doet — ¿Qué haces? — en praat ermee over werk, huishoudelijke taken, eten en vrijetijdsbesteding. Het verschijnt al op A1-niveau, maar blijft ook in gevorderd Spaans zeer frequent.

Voor Nederlandstaligen is hacer prettig omdat het zowel “doen” als “maken” kan betekenen. Toch vallen de grenzen niet precies samen. Het Nederlands kiest bijvoorbeeld “sporten”, waar het Spaans vaak hacer deporte gebruikt, en “een vraag stellen”, waar het Spaans hacer una pregunta zegt. Andersom mag je niet ieder Nederlands “doen” automatisch met hacer vertalen: “Hoe gaat het?” is ¿Cómo va? of ¿Qué tal?, niet een letterlijke zin met hacer.

Ook bij het weer werkt het Spaans anders dan het Nederlands. In Hace frío staat geen zichtbaar onderwerp dat overeenkomt met het Nederlandse “het”. Hace is hier onpersoonlijk: het beschrijft simpelweg de weersomstandigheden. Zulke combinaties leer je het best als één geheel.

Hoe het werkt

De tegenwoordige tijd

De infinitief (de onvervoegde vorm) is hacer. Haal je de uitgang -er weg, dan blijft de stam hac- over. De vormen voor tú, él/ella/usted, nosotros, vosotros en ellos/ellas/ustedes krijgen de gewone uitgangen van werkwoorden op -er. Alleen de ik-vorm is hago, niet haco.

Persoon Vorm Nederlandse betekenis
yo hago ik doe / maak
haces jij doet / maakt
él, ella, usted hace hij, zij doet / maakt; u doet / maakt
nosotros, nosotras hacemos wij doen / maken
vosotros, vosotras hacéis jullie doen / maken
ellos, ellas, ustedes hacen zij doen / maken; jullie doen / maken

Het onderwerp (wie de handeling uitvoert) hoeft in het Spaans vaak niet genoemd te worden. De werkwoordsvorm geeft al veel informatie: Hacemos la cena kan zonder nosotros, omdat hacemos alleen bij “wij” past. Zet het persoonlijk voornaamwoord er vooral bij voor nadruk of tegenstelling: Yo hago la cena y tú haces la ensalada — “Ik maak het avondeten en jij maakt de salade.”

In Spanje is vosotros hacéis de gewone informele meervoudsvorm. In vrijwel heel Latijns-Amerika gebruikt men in plaats daarvan ustedes hacen, zowel informeel als formeel. Usted en ustedes betekenen “u” en “u/jullie”, maar krijgen grammaticaal dezelfde vormen als de derde persoon: usted hace, ustedes hacen.

Hacer als “doen” of “maken”

Bij een concrete activiteit of een resultaat kan hacer rechtstreeks gevolgd worden door een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, ding, activiteit of begrip).

Patroon Voorbeeld Betekenis
hacer + activiteit hacer deporte sporten
hacer + taak hacer los deberes huiswerk maken
hacer + voorwerp/resultaat hacer una mesa een tafel maken
hacer + maaltijd hacer la cena het avondeten maken
hacer + communicatiehandeling hacer una pregunta een vraag stellen

Het lidwoord hoort bij de vaste combinatie. Vergelijk hacer deporte zonder lidwoord met hacer la cama en hacer una pregunta. Leer daarom niet alleen het losse zelfstandig naamwoord, maar de hele woordgroep.

Vragen met hacer

Met qué vraag je naar de handeling:

  • ¿Qué haces? — Wat doe je? / Waar ben je mee bezig?
  • ¿Qué hace usted? — Wat doet u?
  • ¿Qué hacemos ahora? — Wat doen we nu?

Het Spaans gebruikt de gewone tegenwoordige tijd vaak ook voor iets dat op dit moment gebeurt. ¿Qué haces? kan dus zowel “Wat doe je?” als “Wat ben je aan het doen?” betekenen. Wil je het voortgaande karakter nadrukkelijk maken, dan bestaat ook ¿Qué estás haciendo?; die constructie komt later in de studie meestal uitgebreider aan bod.

Met qué hace... kun je bovendien naar iemands beroep of bezigheid vragen: ¿Qué hace tu hermana? kan afhankelijk van de context “Wat doet je zus?” of “Wat doet je zus voor werk?” betekenen. Voor een ondubbelzinnige beroepsvraag is ¿A qué se dedica tu hermana? gebruikelijk.

Weerzinnen met hace

Voor temperatuur en enkele algemene weersomstandigheden gebruikt het Spaans hace + zelfstandig naamwoord. Hace blijft altijd in de derde persoon enkelvoud; er is geen concreet onderwerp.

Spaans Natuurlijk Nederlands
Hace calor. Het is warm.
Hace frío. Het is koud.
Hace sol. De zon schijnt. / Het is zonnig.
Hace viento. Het waait.
Hace buen tiempo. Het is mooi weer.
Hace mal tiempo. Het is slecht weer.

Niet elk weerbericht gebruikt hacer. Je zegt Llueve (“Het regent”), Nieva (“Het sneeuwt”), Hay niebla (“Er is mist”) en Está nublado (“Het is bewolkt”). Het Nederlandse algemene patroon “het is ...” leidt dus niet tot één enkel Spaans patroon.

Hoe lang geleden: hace + tijdsduur

Hace kan ook “geleden” betekenen wanneer er een tijdsduur op volgt:

  • Llegué hace dos días. — Ik ben twee dagen geleden aangekomen.
  • Nos conocimos hace un año. — We hebben elkaar een jaar geleden leren kennen.

Hier is hace een vaste tijdsaanduiding. Het wordt niet aangepast aan het meervoud: hace dos días, nooit hacen dos días. Deze betekenis is niet nodig om de basisvervoeging te begrijpen, maar je komt haar al snel tegen.

Voorbeelden in context

Spaans Nederlands Toelichting
¿Qué haces? Wat doe je? Informele vraag aan één persoon.
Hago deporte tres veces por semana. Ik sport drie keer per week. Vaste combinatie zonder lidwoord.
¿Haces los deberes después de cenar? Maak je je huiswerk na het avondeten? Hacer los deberes is vooral in Spanje gebruikelijk.
Marta hace la cama cada mañana. Marta maakt elke ochtend haar bed op. Derde persoon enkelvoud.
Hacemos la cena juntos. We maken samen het avondeten. De uitgang laat al zien dat het om “wij” gaat.
¿Hacéis una pausa ahora? Houden jullie nu pauze? Informeel meervoud, vooral in Spanje.
Mis padres hacen la compra los sábados. Mijn ouders doen op zaterdag boodschappen. Hacer la compra is een vaste combinatie.
Usted hace muy buen trabajo. U levert heel goed werk. Beleefde aanspreekvorm met hace.
Voy a hacer una pregunta. Ik ga een vraag stellen. Na ir a staat de infinitief hacer.
Hoy hace mucho calor. Vandaag is het erg warm. Mucho versterkt het zelfstandig naamwoord calor.
En invierno hace frío aquí. In de winter is het hier koud. Onpersoonlijke weerzin.
Hace viento, pero no llueve. Het waait, maar het regent niet. Twee verschillende weerconstructies.
Llegamos hace diez minutos. We zijn tien minuten geleden aangekomen. Hace + tijdsduur betekent “geleden”.
Este ruido me hace nervioso. Dit geluid maakt me nerveus. Gevorderd patroon: hacer + persoon + eigenschap.

Veelgemaakte fouten

1. De ik-vorm regelmatig proberen te maken

  • Onjuist: Yo haco la comida.
  • Juist: Yo hago la comida.
  • Waarom: de ik-vorm is onregelmatig: hago. De g moet je apart onthouden.

2. De verkeerde uitgang bij “wij” gebruiken

  • Onjuist: Nosotros hacimos deporte.
  • Juist: Nosotros hacemos deporte.
  • Waarom: in de tegenwoordige tijd is de uitgang van een werkwoord op -er bij nosotros -emos. Hicimos bestaat wel, maar betekent “wij deden/maakten” in een verleden tijd.

3. Hace aanpassen aan een meervoudig weerwoord of een tijdsduur

  • Onjuist: Hacen treinta grados. / Hacen dos años.
  • Juist: Hace treinta grados. / Hace dos años.
  • Waarom: bij weer en in de betekenis “geleden” is hace onpersoonlijk en blijft het enkelvoud.

4. Het Nederlandse “het” letterlijk toevoegen

  • Onjuist: Ello hace frío.
  • Juist: Hace frío.
  • Waarom: het Nederlandse “het” heeft in deze weerzin geen Spaans onderwerp als tegenhanger. Spaans begint direct met hace.

5. Hacer voor ieder soort weer gebruiken

  • Onjuist: Hace lluvia.
  • Juist: Llueve. of Está lloviendo.
  • Waarom: regen en sneeuw worden meestal met werkwoorden uitgedrukt: llueve en nieva. Mist gebruikt vaak hay en bewolking vaak estar.

6. Nederlandse woordcombinaties letterlijk overzetten

  • Onjuist: hacer una decisión
  • Juist: tomar una decisión
  • Waarom: vaste woordcombinaties verschillen per taal. Nederlands zegt “een beslissing nemen”; Spaans gebruikt eveneens tomar, niet hacer. Leer hacer daarom samen met de woorden die er natuurlijk bij horen.

Gebruiksnotities

Doen of maken? Je hoeft bij het spreken niet eerst te beslissen welke van die twee Nederlandse vertalingen van toepassing is. Denk liever in Spaanse combinaties: hacer café, hacer ejercicio, hacer una foto, hacer planes. In het Nederlands worden dat respectievelijk “koffiezetten”, “oefeningen doen”, “een foto maken” en “plannen maken”. Eén vaste Nederlandse vertaling werkt dus niet.

Huiswerk: hacer los deberes is de gangbare combinatie in Spanje. In verschillende Latijns-Amerikaanse landen hoor je vaak hacer la tarea. Beide zijn correct, maar de regionale voorkeur verschilt.

Een foto maken: in Spanje is hacer una foto heel gewoon; in grote delen van Latijns-Amerika is tomar una foto gebruikelijker. Dit is een woordkeuzeverschil, geen verschil in grammaticale correctheid.

Een vraag en een fout: hacer una pregunta is standaard voor “een vraag stellen”. Voor “een fout maken” is cometer un error een veilige algemene keuze; equivocarse betekent “zich vergissen”. Neem niet aan dat Nederlands “maken” altijd Spaans hacer oplevert.

Tijdelijk of algemeen weer: Hace frío beschrijft de ervaren weersomstandigheid. Voor de eigenschap van een plaats of seizoen kun je ook andere formuleringen ontmoeten, zoals El invierno es frío (“De winter is koud”). Bij een gewone mededeling over het weer is hace frío de basiskeuze.

Verder dan de basis

De volgende vormen hoef je op A1 nog niet allemaal actief te beheersen. Ze laten wel zien waarom hacer ook later aandacht blijft vragen.

Belangrijke vormen in andere tijden

De onregelmatigheid beperkt zich niet tot hago. In de onvoltooid verleden tijd is het werkwoord juist regelmatig: hacía, hacías, hacía, hacíamos, hacíais, hacían. In de eenvoudige verleden tijd verandert de stam in hic- en bij de derde persoon enkelvoud in hiz-: hice, hiciste, hizo, hicimos, hicisteis, hicieron. Let vooral op hizo, niet hico.

Het voltooid deelwoord (de vorm die onder meer met haber wordt gebruikt) is hecho, niet hacido: He hecho la compra — “Ik heb boodschappen gedaan.” De toekomstige en voorwaardelijke vormen hebben de stam har-, bijvoorbeeld haré (“ik zal doen/maken”) en haría (“ik zou doen/maken”).

Functie Voorbeeldvorm Voorbeeldzin
gewoonte of achtergrond in het verleden hacía De niño hacía deporte. — Als kind sportte ik.
afgeronde handeling in het verleden hizo Ana hizo la cena ayer. — Ana maakte gisteren het avondeten.
voltooid deelwoord hecho Ya hemos hecho la cama. — We hebben het bed al opgemaakt.
toekomst haré Lo haré mañana. — Ik zal het morgen doen.

Hacer als veroorzakend werkwoord

Op een hoger niveau kom je hacer + infinitief tegen om uit te drukken dat iemand iets laat gebeuren:

  • El profesor nos hizo repetir la frase. — De docent liet ons de zin herhalen.
  • El calor hace crecer las plantas. — Door de warmte groeien de planten.

Daarnaast kan hacer aangeven dat iets een toestand of gevoel veroorzaakt:

  • Esta música me hace feliz. — Deze muziek maakt me blij.
  • El café me hace dormir mal. — Door koffie slaap ik slecht.

Het voornaamwoord me of nos verwijst hier naar degene die het gevolg ondergaat. De precieze plaatsing van zulke voornaamwoorden is een apart grammaticaonderwerp.

Vaste uitdrukkingen

Veel frequente uitdrukkingen zijn niet volledig letterlijk te vertalen:

  • hacer falta — nodig zijn, ontbreken: Hace falta más tiempo (“Er is meer tijd nodig”)
  • hacer caso — luisteren naar, aandacht schenken aan: Hazme caso (“Luister naar me”)
  • hacer daño — pijn doen of schade veroorzaken: Me hace daño la espalda (“Mijn rug doet pijn”)
  • hacerse + beroep/toestand — worden: Se hizo médico (“Hij werd arts”)

Behandel deze als afzonderlijke woordcombinaties. Vooral hacerse heeft meerdere betekenissen en verdient later een eigen grondige behandeling.

Hay que en hace falta

Hay que + infinitief drukt een algemene noodzaak uit: Hay que estudiar — “Je moet studeren.” Hace falta + infinitief legt eerder nadruk op wat nodig is: Hace falta estudiar más — “Het is nodig om meer te studeren.” Ze kunnen in sommige situaties dicht bij elkaar liggen, maar zijn niet simpelweg uitwisselbare vervoegingen van hetzelfde werkwoord.

Oefentips

  1. Leer vormen in korte tegenstellingen. Zeg hardop: yo hago, tú haces; nosotros hacemos, ellos hacen. Maak daarna met elke vorm één alledaagse zin. Zo blijft vooral het verschil tussen hago en de stam hac- hangen.
  2. Maak drie lijstjes met vaste combinaties. Zet activiteiten (hacer deporte), taken of resultaten (hacer la cama, hacer la cena) en weer (hace frío, hace viento) apart. Noteer altijd het lidwoord als dat erbij hoort.
  3. Houd een kort weer- en activiteitendagboek bij. Schrijf dagelijks twee zinnen, bijvoorbeeld Hoy hace sol en Hago la compra después del trabajo. Controleer steeds of hace onpersoonlijk is of bij een concrete persoon hoort.

Verwante onderwerpen

  • Vooraf: Regelmatige werkwoorden op -ER — helpt je de uitgangen in haces, hacemos, hacéis en hacen herkennen.
  • Vervolg: de tegenwoordige voortgangsvorm — voor het nadrukkelijke verschil tussen ¿Qué haces? en ¿Qué estás haciendo?.
  • Vervolg: Spaanse verleden tijden — nodig voor vormen als hacía, hizo en he hecho.
  • Vervolg: lijdende en meewerkende voornaamwoorden — helpt bij patronen als me hace feliz en nos hizo repetir.

Vereiste kennis

Regelmatige -ER-werkwoorden in het SpaansA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen El Verbo Hacer in Spaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Spaans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen