A1

Duitse werkwoorden met klinkerwisseling

Verben mit Vokalwechsel

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Duits op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Bij sommige Duitse werkwoorden verandert in de tegenwoordige tijd de klinker van de stam, maar alleen bij du en er/sie/es: sprechen → du sprichst, er spricht. De vormen bij ich, wir, ihr en sie/Sie houden meestal de klinker van de infinitief: ich spreche, wir sprechen. Je moet bij elk nieuw werkwoord leren óf het wisselt en volgens welk patroon.

Overzicht

Werkwoorden met klinkerwisseling zijn werkwoorden waarvan de stam (het deel dat overblijft als je meestal -en van de infinitief weglaat) in bepaalde vormen een andere klinker krijgt. Bij sprechen is de gewone stam sprech-; in du sprichst wordt die sprich-. De persoonsuitgang blijft herkenbaar: -st bij du en -t bij er, sie en es.

Dit onderwerp komt al op A1 aan bod, omdat het om zeer gewone werkwoorden gaat: essen (eten), lesen (lezen), sprechen (spreken), fahren (rijden/reizen) en schlafen (slapen). De eenvoudige beginnersregel is overzichtelijk: let in de tegenwoordige tijd vooral op de tweede en derde persoon enkelvoud.

Voor Nederlandstaligen voelt het principe niet helemaal vreemd: ook in het Nederlands kan een klinker tussen vormen veranderen, bijvoorbeeld lezen – las – gelezen. Het grote verschil is dat het Duits zo'n wisseling al binnen de tegenwoordige tijd gebruikt: ich lese, maar du liest. De Nederlandse gewoonte om in alle enkelvoudsvormen dezelfde stam te houden, leidt daarom gemakkelijk tot fouten als du lesst.

Hoe werkt het?

De basisregel

Neem eerst de infinitief (de woordenboekvorm, zoals sprechen) en bepaal de gewone stam. Voeg daarna de normale persoonsuitgang toe. Alleen bij du en er/sie/es vervang je bij deze werkwoorden ook de stamklinker.

Persoon Normale uitgang sprechen Wisseling?
ich -e ich spreche nee
du -st du sprichst e → i
er/sie/es -t er spricht e → i
wir -en wir sprechen nee
ihr -t ihr sprecht nee
sie/Sie -en sie/Sie sprechen nee

Het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert) bepaalt dus de vorm. Sie spricht betekent ‘zij spreekt’; sie sprechen betekent ‘zij spreken’. Het beleefde Sie krijgt eveneens de meervoudsvorm: Sprechen Sie Deutsch?

De drie belangrijkste patronen

e → i: sprechen en nehmen

Persoon sprechen nehmen
ich spreche nehme
du sprichst nimmst
er/sie/es spricht nimmt
wir sprechen nehmen
ihr sprecht nehmt
sie/Sie sprechen nehmen

Veelvoorkomende werkwoorden met e → i zijn sprechen, essen, geben, helfen, nehmen, treffen, treten, vergessen en werfen. Soms verandert naast de klinker ook iets in de spelling: nehmen → du nimmst, er nimmt. Leer zulke vormen als één geheel.

Bij een stam die op een sisklank eindigt, komt niet nog een volledige -st achter de stam. Zo krijg je du isst bij essen, niet du isstst. De spelling van zulke vormen moet je afzonderlijk goed bekijken.

e → ie: lesen en sehen

Persoon lesen sehen
ich lese sehe
du liest siehst
er/sie/es liest sieht
wir lesen sehen
ihr lest seht
sie/Sie lesen sehen

Veelvoorkomende werkwoorden met e → ie zijn lesen, sehen, empfehlen en stehlen. Bij lesen valt in de du-vorm de extra s van de uitgang weg: du liest. Let ook op i tegenover ie: sprechen → spricht, maar lesen → liest. Je kunt het patroon niet betrouwbaar raden op grond van de Nederlandse vertaling.

a → ä: fahren en schlafen

Persoon fahren schlafen
ich fahre schlafe
du fährst schläfst
er/sie/es fährt schläft
wir fahren schlafen
ihr fahrt schlaft
sie/Sie fahren schlafen

Andere gewone voorbeelden zijn tragen → trägt, waschen → wäscht, halten → hält, fallen → fällt, lassen → lässt en fangen → fängt. De umlaut hoort bij de werkwoordsvorm; schrijf dus ä, niet a of ae, behalve wanneer een technisch systeem echt geen umlaut toestaat.

Ook au → äu

Een kleinere maar nuttige groep heeft au → äu. Het bekendste voorbeeld is laufen:

Persoon Vorm
ich laufe
du läufst
er/sie/es läuft
wir laufen
ihr lauft
sie/Sie laufen

De verdeling over de personen blijft precies dezelfde. Ook saufen volgt dit patroon, maar dat werkwoord is minder neutraal en betekent doorgaans overmatig alcohol drinken.

De plaats in een zin

De klinkerwisseling verandert niets aan de Duitse woordvolgorde. In een gewone hoofdzin staat de vervoegde vorm meestal op de tweede zinsplaats:

  • Er liest jeden Abend.
  • Heute fährt sie mit dem Zug.

In een ja-neevraag staat de vervoegde vorm vooraan: Fährst du morgen? Na een vraagwoord volgt het werkwoord meestal direct: Was liest du? Bij een scheidbaar werkwoord gaat het voorvoegsel naar het einde: Sie lädt ihre Freunde ein. De stam van einladen volgt daarbij laden → lädt.

Voorbeelden in context

Duits Nederlands Toelichting
Er spricht Deutsch. Hij spreekt Duits. e → i bij er
Sprichst du auch Niederländisch? Spreek jij ook Nederlands? e → i bij du
Wir sprechen heute mit Anna. Wij spreken vandaag met Anna. Geen wisseling bij wir
Sie liest ein Buch. Zij leest een boek. e → ie bij sie enkelvoud
Was liest du gerade? Wat lees je op dit moment? Vraag met du liest
Ihr lest die Speisekarte. Jullie lezen de menukaart. Geen wisseling bij ihr
Er fährt nach Hause. Hij rijdt naar huis. a → ä bij er
Fährst du morgen nach Berlin? Reis je morgen naar Berlijn? fahren kan ook ‘reizen met een voertuig’ betekenen
Ich fahre jeden Tag mit dem Rad. Ik fiets elke dag. Geen wisseling bij ich
Das Kind schläft schon. Het kind slaapt al. a → ä bij es; das Kind kan door es worden vervangen
Du nimmst den Bus. Jij neemt de bus. nehmen heeft nimm-
Sie hilft ihrem Bruder. Zij helpt haar broer. helfen → hilft
Der Hund läuft in den Garten. De hond rent de tuin in. au → äu
Paul lädt seine Nachbarn ein. Paul nodigt zijn buren uit. Scheidbaar einladen → lädt ... ein
Sehen Sie den Bahnhof? Ziet u het station? Beleefd Sie: geen klinkerwisseling

Veelgemaakte fouten

De wisseling bij alle personen gebruiken

  • Fout: Ich spriche Deutsch.
  • Goed: Ich spreche Deutsch.
  • Waarom: In de tegenwoordige tijd wisselt sprechen alleen bij du en er/sie/es. Bij ich blijft de stam sprech-.

De gewone stam bij du laten staan

  • Fout: Du sprechst sehr schnell.
  • Goed: Du sprichst sehr schnell.
  • Waarom: De Nederlandse vorm jij spreekt kan je op het verkeerde been zetten. Duits vereist hier e → i.

e → i en e → ie verwarren

  • Fout: Sie list die Zeitung.
  • Goed: Sie liest die Zeitung.
  • Waarom: lesen heeft e → ie. Daarentegen heeft sprechen alleen i: spricht. Leer de derde persoon mee met de infinitief: lesen – liest, sprechen – spricht.

Een umlaut vergeten

  • Fout: Er fahrt nach Köln.
  • Goed: Er fährt nach Köln.
  • Waarom: Bij fahren krijgen de vormen met du en er/sie/es een ä. Ihr fahrt heeft juist geen umlaut.

De wisseling ook bij ihr toepassen

  • Fout: Ihr fährt nach Hause.
  • Goed: Ihr fahrt nach Hause.
  • Waarom: ihr krijgt wel de uitgang -t, net als er/sie/es, maar géén klinkerwisseling. Kijk dus niet alleen naar de uitgang.

Een regel toepassen op elk werkwoord met dezelfde klinker

  • Fout: Du kömmst heute spät.
  • Goed: Du kommst heute spät.
  • Waarom: Niet elk werkwoord met a, e, o of au verandert. Kommen blijft regelmatig in de stam. Woordenboekinformatie of een goede woordenlijst vertelt of een werkwoord wisselt.

Gebruiksnotities

De meeste werkwoorden in dit artikel zijn heel gewoon in zowel gesproken als geschreven Duits. De klinkerwisseling is geen formele variant en ook geen regionale keuze: du liest en er fährt zijn de standaardvormen die je overal nodig hebt.

Een onderwerp hoeft niet letterlijk du, er, sie of es te zijn. Een enkelvoudige naam of naamwoordgroep (een groep woorden rond een zelfstandig naamwoord, zoals mein Bruder) telt als derde persoon enkelvoud: Mein Bruder fährt morgen. Bij een meervoudig onderwerp blijft de gewone stam staan: Meine Brüder fahren morgen.

Let bij vertalen op de betekenis van fahren. Afhankelijk van de context kan het ‘rijden’, ‘varen’ of ‘met een vervoermiddel reizen’ betekenen. Ich fahre mit dem Zug vertaal je natuurlijk als ‘ik reis/ga met de trein’, niet als ‘ik rijd de trein’. De grammaticale vorm blijft wel hetzelfde.

Duitse woordenboeken geven bij sterke en onregelmatige werkwoorden vaak enkele hoofdvormen, bijvoorbeeld fahren – fuhr – ist gefahren. De vorm van de derde persoon tegenwoordige tijd wordt soms ook vermeld: fährt. Dat is een praktisch signaal dat het werkwoord een klinkerwisseling heeft.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze maken duidelijk hoe het systeem later terugkomt.

Samengestelde en scheidbare werkwoorden erven vaak de wisseling

Als een werkwoord een voorvoegsel krijgt, blijft het patroon van het basiswerkwoord meestal bestaan:

  • fangen → er fängt en anfangen → er fängt an
  • laden → sie lädt en einladen → sie lädt ein
  • nehmen → du nimmst en mitnehmen → du nimmst mit
  • sehen → er sieht en fernsehen → er sieht fern

De betekenis en de scheidbaarheid moet je wel per werkwoord leren. Niet elk woord dat toevallig op dezelfde letters eindigt, hoort grammaticaal bij hetzelfde basiswerkwoord.

Andere klinkerwisselingen bestaan ook

Naast de kernpatronen komen onder meer o → ö voor, bijvoorbeeld stoßen → du stößt, en bijzondere vormen zoals halten → du hältst en treten → du trittst. Bij sommige werkwoorden veranderen spelling of medeklinkers mee. Daarom is “infinitief + derde persoon enkelvoud” een sterke leercombinatie.

Andere tijden volgen niet simpelweg dezelfde regel

De wisseling van dit artikel hoort specifiek bij het enkelvoud van de tegenwoordige tijd. In de verleden tijd en het voltooid deelwoord (de vorm die onder meer met haben of sein wordt gebruikt) kunnen sterke werkwoorden weer andere klinkers hebben:

Infinitief Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid deelwoord
fahren er fährt er fuhr er ist gefahren
lesen sie liest sie las sie hat gelesen
sprechen er spricht er sprach er hat gesprochen
laufen sie läuft sie lief sie ist gelaufen

Probeer die vormen niet uit de A1-regel af te leiden. Leer ze later als aparte hoofdvormen.

De gebiedende wijs kan de gewijzigde stam hebben

De gebiedende wijs (een vorm voor een opdracht of verzoek) gebruikt bij sommige werkwoorden eveneens de gewijzigde stam: Lies den Text! en Sprich langsamer! Bij a → ä verdwijnt de umlaut echter doorgaans: Fahr vorsichtig! en Schlaf gut! Dit is een vervolgregel; voor nu is herkennen voldoende.

Oefentips

  1. Leer werkwoorden in paren. Noteer niet alleen lesen = lezen, maar lesen – er liest. Voor nehmen schrijf je nehmen – er nimmt. Zo sla je meteen het juiste patroon op.
  2. Maak een zesvormenritme. Zeg hardop: ich fahre, du fährst, er fährt, wir fahren, ihr fahrt, sie fahren. Markeer alleen de twee afwijkende vormen. Wissel daarna het onderwerp uit voor namen: Mara fährt, die Kinder fahren.
  3. Oefen het Nederlandse struikelpunt gericht. Maak per werkwoord drie korte zinnen met ik, jij en wij en zet ze om in het Duits. Controleer bewust dat alleen de Duitse du-vorm wisselt: ich lese – du liest – wir lesen.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige werkwoorden in het DuitsA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verben mit Vokalwechsel in Duits met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Duits · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen