A1

Ser in de Portugese tegenwoordige tijd

O Verbo Ser - Presente

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Portugees op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Het Portugese werkwoord ser betekent meestal ‘zijn’ en heeft in de tegenwoordige tijd de vormen sou, és, é, somos, sois en são. Je gebruikt het onder meer om te zeggen wie of wat iemand is, waar iemand vandaan komt, welk beroep iemand heeft en hoe laat het is: Sou enfermeiro, Ela é de Braga, São três horas. Voor een toestand of plaats gebruik je vaak estar; denk dus niet alleen aan ‘blijvend tegenover tijdelijk’, maar vooral aan identiteit of typering tegenover toestand of situatie.

Overzicht

Ser is een van de eerste en belangrijkste werkwoorden op A1-niveau. Het is onregelmatig: de vormen zijn niet voorspelbaar uit de infinitief (de woordenboekvorm) ser. Je leert ze daarom het best als een vast rijtje. Met dit ene werkwoord kun je jezelf voorstellen, je herkomst en beroep noemen, personen en dingen beschrijven, de tijd vragen en eenvoudige definities geven.

Voor Nederlandstaligen zit de grootste moeilijkheid niet in de vertaling. Zowel sou als estou kan immers ‘ik ben’ betekenen. Het Portugees verdeelt het werk van het Nederlandse zijn over vooral ser en estar. Ser geeft doorgaans identiteit, categorie, herkomst of een kenmerk waarmee je iemand of iets typeert. Estar beschrijft meestal een toestand of locatie in een bepaalde situatie. Die keuze gaat niet simpelweg over ‘voor altijd’ of ‘maar even’: ook iets veranderlijks, zoals een beroep of de plaats van een bijeenkomst, kan met ser worden uitgedrukt.

Een tweede verschil met het Nederlands is dat het onderwerp (wie of wat bij het werkwoord hoort) vaak kan worden weggelaten. Sou neerlandês betekent al ‘Ik ben Nederlander’; eu is niet noodzakelijk, omdat sou alleen bij eu hoort.

Zo werkt het

De vervoeging

Persoon Onderwerp Vorm van ser Nederlandse betekenis
eerste persoon enkelvoud eu sou ik ben
tweede persoon enkelvoud tu és jij bent
derde persoon enkelvoud ele, ela, você é hij/zij is; u/jij bent
eerste persoon meervoud nós somos wij zijn
tweede persoon meervoud vós sois jullie zijn
derde persoon meervoud eles, elas, vocês são zij zijn; jullie zijn

Let goed op de accenten in és en é. Ze zijn deel van de spelling. E zonder accent betekent ‘en’, terwijl é ‘is’ betekent. Ook het verschil tussen sao en são is niet vrijblijvend: alleen são is de correcte werkwoordsvorm.

In alledaags Portugees is vós sois zeldzaam. In Portugal gebruikt men voor meerdere aangesproken personen meestal vocês são; vós komt nog regionaal, plechtig, historisch of religieus voor. In Brazilië is vocês são de gewone meervoudsvorm. Je moet sois dus herkennen, maar als beginner zul je meestal vocês são gebruiken.

Een onderwerp noemen of weglaten

Omdat de werkwoordsvorm vaak al duidelijk maakt om welke persoon het gaat, kan het Portugese onderwerp wegvallen:

  • Eu sou de Utrecht.Sou de Utrecht.
  • Nós somos colegas.Somos colegas.
  • Eles são portugueses.São portugueses.

Een onderwerp blijft nuttig bij nadruk of tegenstelling: Eu sou belga, mas ela é neerlandesa (‘Ík ben Belg, maar zij is Nederlandse’). Bij é en são kan het onderwerp bovendien nodig zijn om duidelijk te maken over wie je spreekt. Anders dan in het Nederlands hoeft een gewone zin dus niet altijd met ‘ik’, ‘wij’ of ‘zij’ te beginnen.

Ontkenningen en vragen

Voor een ontkenning zet je não direct vóór de werkwoordsvorm:

  • Não sou médico. — Ik ben geen arts.
  • Eles não são de Lisboa. — Ze komen niet uit Lissabon.

In een ja-neevraag verandert de woordvolgorde meestal niet. De intonatie of het vraagteken maakt er een vraag van:

  • Você é professor? — Bent u docent?
  • Vocês são daqui? — Komen jullie hiervandaan?

Een Nederlands patroon als ‘ben jij’ hoeft dus niet door een omkering van onderwerp en werkwoord te worden nagebootst. Ook zonder onderwerp kan de context volstaan: És estudante? (‘Ben je student?’).

Wanneer gebruik je ser?

Identiteit en indeling

Gebruik ser om te zeggen wie iemand is of wat iets is. Het naamwoordelijk deel (de informatie na ‘zijn’) identificeert of classificeert het onderwerp:

  • Eu sou a Marta. — Ik ben Marta.
  • Isto é um dicionário. — Dit is een woordenboek.
  • O Rui é o meu irmão. — Rui is mijn broer.

Bij een beroep, godsdienst of algemene categorie staat na ser gewoonlijk geen onbepaald lidwoord: Ela é arquiteta, niet automatisch Ela é uma arquiteta. Het lidwoord kan wel verschijnen als er extra typerende informatie volgt: Ela é uma arquiteta excelente (‘Ze is een uitstekende architect’).

Herkomst, nationaliteit en bezit

Voor de plaats van herkomst gebruik je ser de:

  • Somos de Roterdão. — We komen uit Rotterdam.
  • Ele é do Brasil. — Hij komt uit Brazilië.

Do is de samentrekking van de + o. Nationaliteit wordt eveneens met ser gegeven: Ela é portuguesa. Woorden voor nationaliteit krijgen in het Portugees normaal geen hoofdletter.

Met ser de kun je ook bezit of materiaal aanduiden:

  • Este casaco é da Ana. — Deze jas is van Ana.
  • A mesa é de madeira. — De tafel is van hout.

Beroep, rol en relaties

Een beroep of sociale rol wordt als indeling voorgesteld:

  • Sou enfermeira. — Ik ben verpleegkundige.
  • Nós somos vizinhos. — Wij zijn buren.

Dat een beroep kan veranderen, maakt estar hier niet vanzelf correct. De spreker zegt met ser tot welke beroepsgroep of rol iemand behoort.

Typerende kenmerken

Gebruik ser voor eigenschappen waarmee je iemand of iets beschrijft of typeert:

  • A casa é pequena. — Het huis is klein.
  • Eles são simpáticos. — Ze zijn aardig.

Een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat een eigenschap noemt) past zich vaak aan geslacht en getal aan: alto, alta, altos, altas. Het werkwoord en het bijvoeglijk naamwoord moeten dus beide bij het onderwerp passen: Ela é alta en Eles são altos.

Tijd, dag en datum

Bij kloktijd gebruik je é voor één uur en são voor andere uren:

  • É uma hora. — Het is één uur.
  • São duas e meia. — Het is halfdrie.
  • Que horas são? — Hoe laat is het?

Voor een dag of datum is ser eveneens normaal: Hoje é terça-feira (‘Vandaag is het dinsdag’) en Hoje é dia quinze (‘Vandaag is het de vijftiende’). Ook É cedo en É tarde betekenen ‘Het is vroeg’ en ‘Het is laat’.

De eerste keuze tussen ser en estar

De eenvoudige beginnersregel is:

Bedoeling Meestal Voorbeeld Betekenis
identiteit, categorie of herkomst ser A Inês é portuguesa. Inês is Portugees.
typerend kenmerk ser O café é forte. De koffie is sterk van karakter/smaak.
toestand op dit moment estar A Inês está cansada. Inês is moe.
plaats van een persoon of voorwerp estar O café está na mesa. De koffie staat op tafel.

Zie dit niet als een harde tegenstelling tussen blijvend en tijdelijk. Neste momento, sou estudante (‘Momenteel ben ik student’) gebruikt ser, hoewel studeren geen levenslange identiteit hoeft te zijn. Omgekeerd kan Ele está morto (‘Hij is dood’) estar gebruiken voor een toestand die niet tijdelijk is. Vraag jezelf liever af: typeer of identificeer ik het onderwerp, of beschrijf ik de toestand of situatie waarin het zich bevindt?

Voorbeelden in context

Portugees Nederlands Toelichting
Eu sou de Portugal. Ik kom uit Portugal. Herkomst met ser de
Que horas são? Hoe laat is het? Vaste vraag naar de tijd
Nós somos estudantes. Wij zijn studenten. Categorie; geen lidwoord nodig
Ela é alta e bonita. Ze is lang en mooi. Typerende eigenschappen
Sou o Miguel. Muito prazer. Ik ben Miguel. Aangenaam. Het onderwerp eu is weggelaten
Tu és a irmã do Pedro? Ben jij de zus van Pedro? Vraag zonder Nederlandse omkering
Você é do Rio de Janeiro? Komt u uit Rio de Janeiro? Você krijgt de vorm é
O meu pai é cozinheiro. Mijn vader is kok. Beroep zonder onbepaald lidwoord
Somos novos aqui. Wij zijn nieuw hier. Nós is begrijpelijk uit somos
Este livro é da Joana. Dit boek is van Joana. Bezit met ser de
As cadeiras são de madeira. De stoelen zijn van hout. Materiaal en meervoud
Hoje é segunda-feira. Vandaag is het maandag. Dag van de week
É uma hora, mas a aula é às duas. Het is één uur, maar de les is om twee uur. É voor één uur; een gebeurtenis met ser
Eles não são casados. Ze zijn niet getrouwd. Não staat vóór são
A sopa está fria, mas é muito boa. De soep is koud, maar erg lekker. Toestand met estar, typering met ser

Veelgemaakte fouten

1. Ser en estar kiezen op basis van ‘blijvend’

  • Onjuist: Hoje sou cansado.
  • Juist: Hoje estou cansado.
  • Waarom: Vermoeidheid is hier de toestand waarin je je vandaag bevindt. Daarom past estar. De bruikbaarste vraag is niet of iets later verandert, maar of je iemand typeert of een toestand beschrijft.

2. De verkeerde persoon gebruiken na você of vocês

  • Onjuist: Você és de Lisboa? / Vocês sois estudantes?
  • Juist: Você é de Lisboa? / Vocês são estudantes?
  • Waarom: Você verwijst naar de aangesproken persoon, maar krijgt grammaticaal de derde persoon enkelvoud. Vocês krijgt de derde persoon meervoud.

3. Een Nederlands lidwoord bij een beroep kopiëren

  • Minder natuurlijk als neutrale mededeling: Sou um professor.
  • Gewoonlijk: Sou professor.
  • Waarom: Bij een kaal beroep na ser laat het Portugees het onbepaalde lidwoord meestal weg. Met een nadere typering kan het wel: Sou um professor exigente (‘Ik ben een veeleisende docent’).

4. Enkelvoud en meervoud door elkaar halen bij de tijd

  • Onjuist: É três horas.
  • Juist: São três horas.
  • Waarom: Alleen bij één uur staat é: É uma hora. Vanaf twee uur gebruik je são.

5. Accenten en de tilde vergeten

  • Onjuist: Ela e médica. Eles sao médicos.
  • Juist: Ela é médica. Eles são médicos.
  • Waarom: É en são hebben vaste spellingen. Zonder accent is e een ander woord, namelijk ‘en’; sao is geen correcte spelling van deze werkwoordsvorm.

6. Het bijvoeglijk naamwoord niet laten overeenkomen

  • Onjuist: Elas são alto.
  • Juist: Elas são altas.
  • Waarom: Elas is vrouwelijk meervoud. Daarom staat niet alleen het werkwoord in het meervoud (são), maar krijgt ook alta de meervoudsuitgang: altas.

Gebruiksnotities

Tu en você worden niet overal hetzelfde gebruikt. In Portugal is tu és gewoon in informele contacten. Você é bestaat er ook, maar de sociale lading verschilt per situatie en spreker; voor beleefde aanspreking hoor je vaak o senhor é of a senhora é. In Brazilië is você é in veel gebieden de normale dagelijkse enkelvoudsvorm. In andere Braziliaanse gebieden is tu levend. Als leerder is het verstandig één regionale norm consequent te volgen en andere vormen vooral te leren herkennen.

A gente betekent in informele taal vaak ‘wij’, maar krijgt een enkelvoudige werkwoordsvorm: A gente é daqui (‘Wij komen hiervandaan’). In verzorgde neutrale taal kun je altijd nós somos gebruiken. Verwar a gente niet met nós somos: a gente somos geldt niet als de standaardvorm.

Het Portugees laat onderwerpvoornaamwoorden vaker weg dan het Nederlands, maar niet willekeurig. Sou de Amesterdão is meteen duidelijk; een losse vorm als é kan naar ele, ela, você of een genoemd ding verwijzen. Noem het onderwerp wanneer de context anders dubbelzinnig wordt.

Verder dan de basis: gevorderd gebruik

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze voorkomen dat de simpele regel later misleidend wordt.

Gebeurtenissen gebruiken ser voor hun locatie

Personen en voorwerpen bevinden zich met estar ergens: A professora está na sala (‘De docent is in het lokaal’). Een gebeurtenis krijgt voor zijn locatie echter vaak ser: A reunião é na sala dois (‘De vergadering is in lokaal twee’). De vergadering wordt als geplande gebeurtenis geïdentificeerd; dit is een belangrijke uitzondering op de beginnersgedachte ‘plaats is altijd estar’.

Hetzelfde bijvoeglijk naamwoord kan van betekenis veranderen

Het contrast hangt soms af van wat de spreker bedoelt:

  • O João é aborrecido. — João is saai.
  • O João está aborrecido. — João verveelt zich / is geïrriteerd, afhankelijk van de regionale betekenis.
  • A banana é verde. — De banaan is groen van kleur of behoort tot een groene soort.
  • A banana está verde. — De banaan is nog onrijp.

Ser geeft hier een typering; estar koppelt de eigenschap aan de huidige toestand. De Nederlandse vertaling gebruikt vaak in beide gevallen ‘zijn’ en verbergt dus precies het verschil dat je in het Portugees moet maken.

Passieve zinnen met ser

Op een hoger niveau kom je ser + voltooid deelwoord tegen in de lijdende vorm, waarbij het onderwerp de handeling ondergaat in plaats van uitvoert: O livro é publicado em maio (‘Het boek wordt in mei gepubliceerd’). Het voltooid deelwoord, hier publicado, past zich aan het onderwerp aan: A revista é publicada en Os livros são publicados. Dit is een andere constructie dan een eenvoudige typering, maar gebruikt dezelfde vormen van ser.

Regionale spreektaal

In delen van Brazilië komt tu in de omgangstaal samen met een derde-persoonsvorm voor. Je kunt dus regionaal tu é horen. De algemene school- en schrijftaalnorm blijft tu és. Herken regionale variatie zonder haar meteen overal na te bootsen. Hetzelfde geldt voor het zeer beperkte moderne gebruik van vós sois: correct betekent niet automatisch alledaags.

Oefentips

  1. Maak zes persoonlijke kaartjes. Schrijf op de voorkant eu, tu, ele/ela/você, nós, vós, eles/elas/vocês en op de achterkant sou, és, é, somos, sois, são. Zeg bij elk kaartje een volledige zin, niet alleen de losse vorm.
  2. Oefen in betekenisparen. Maak paren als Ela é calma tegenover Ela está calma en A reunião é no centro tegenover O diretor está no centro. Zo leer je de keuze op betekenis maken in plaats van op de onbetrouwbare regel ‘blijvend of tijdelijk’.
  3. Neem een korte voorstelling op. Vertel in vijf zinnen wie je bent, waar je vandaan komt, wat je beroep of studie is en welke eigenschappen bij je passen. Luister daarna of je sou consequent gebruikt en of bijvoeglijke naamwoorden bij de bedoelde persoon passen.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het PortugeesA1

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen O Verbo Ser - Presente in Portugees met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Portugees · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen