A2

Pretérito imperfecto in het Spaans

Pretérito Imperfecto

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Spaans op Settemila Lingue.

In het kort

De pretérito imperfecto gebruik je voor gewoonten, beschrijvingen en situaties die in het verleden bezig waren: De niño jugaba fuera (Als kind speelde ik buiten). Regelmatige werkwoorden krijgen -aba na een stam op -ar en -ía na een stam op -er of -ir. Er zijn maar drie onregelmatige werkwoorden: ser → era, ir → iba en ver → veía.

Overzicht

Het Spaanse imperfecto is een verleden tijd waarmee je naar een situatie van binnenuit kijkt. Je vertelt niet in de eerste plaats dat iets begon, eindigde of één keer gebeurde. Je schetst de achtergrond: hoe iets was, wat iemand gewoonlijk deed of wat er op een bepaald moment aan de gang was. In een verhaal vormt het imperfecto vaak het decor waartegen afgeronde gebeurtenissen plaatsvinden.

Dit onderwerp hoort bij A2. De basis is overzichtelijk: twee reeksen uitgangen en slechts drie onregelmatige werkwoorden. De echte uitdaging zit in de keuze tussen het imperfecto en de pretérito indefinido, de verleden tijd voor begrensde of afgeronde gebeurtenissen. Het Nederlands maakt dat onderscheid niet met twee aparte enkelvoudige verleden tijden. Zowel jugaba als jugué kan daarom, afhankelijk van de context, met ik speelde worden vertaald.

Denk bij het imperfecto eerst aan vier kernvragen: was het een gewoonte, een beschrijving, een toestand of een handeling die toen bezig was? Zo ja, dan is het imperfecto meestal de juiste keuze. Woorden als siempre (altijd), a menudo (vaak), de niño/a (als kind) en mientras (terwijl) geven vaak een aanwijzing, maar de betekenis van de hele zin blijft beslissend.

Hoe het werkt

Regelmatige werkwoorden op -ar

Neem de infinitief (de onbepaalde vorm, zoals praten in het Nederlands), haal -ar weg en voeg de uitgangen toe. Bij hablar is de stam habl-.

Persoon Uitgang hablar Nederlandse betekenis
yo -aba hablaba ik sprak / praatte vroeger
-abas hablabas jij sprak
él, ella, usted -aba hablaba hij/zij sprak, u sprak
nosotros/as -ábamos hablábamos wij spraken
vosotros/as -abais hablabais jullie spraken
ellos, ellas, ustedes -aban hablaban zij spraken, jullie spraken

Let op het accent in -ábamos. Zonder accent wordt de klemtoon verkeerd aangegeven. De eerste en derde persoon enkelvoud hebben dezelfde vorm: yo hablaba en ella hablaba. De context of een genoemd onderwerp maakt duidelijk wie bedoeld wordt.

Regelmatige werkwoorden op -er en -ir

Werkwoorden op -er en -ir hebben dezelfde uitgangen. Verwijder de laatste twee letters en voeg -ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían toe. Het accent op de í staat in alle vormen.

Persoon comer vivir Nederlandse betekenis
yo comía vivía ik at / woonde
comías vivías jij at / woonde
él, ella, usted comía vivía hij/zij at / woonde, u at / woonde
nosotros/as comíamos vivíamos wij aten / woonden
vosotros/as comíais vivíais jullie aten / woonden
ellos, ellas, ustedes comían vivían zij aten / woonden, jullie aten / woonden

Ook werkwoorden die in andere tijden een onregelmatige stam hebben, zijn hier meestal gewoon regelmatig: tener → tenía, hacer → hacía, decir → decía en poder → podía.

De drie onregelmatige werkwoorden

Alleen ser (zijn), ir (gaan) en ver (zien) hebben een afwijkend patroon.

Persoon ser ir ver
yo era iba veía
eras ibas veías
él, ella, usted era iba veía
nosotros/as éramos íbamos veíamos
vosotros/as erais ibais veíais
ellos, ellas, ustedes eran iban veían

Bij ver blijft de e van de stam staan: veía, niet vía. Onthoud ook de accenten in éramos en íbamos.

De vier belangrijkste toepassingen

1. Gewoonten en herhaling

Gebruik het imperfecto voor iets wat vroeger regelmatig gebeurde, zonder één specifieke, afgeronde keer te bedoelen.

  • Todos los domingos visitábamos a mi abuela. — Elke zondag bezochten we mijn oma.
  • Siempre comía a las dos. — Ik at altijd om twee uur.

In het Nederlands helpt vroeger, altijd, elke week of meestal vaak om deze betekenis te herkennen. Maar het Spaanse werkwoord kan de gewoonte ook zonder zo'n signaalwoord uitdrukken.

2. Beschrijvingen en toestanden

Het imperfecto beschrijft hoe iemand of iets was: leeftijd, uiterlijk, karakter, weer, tijd, gevoelens, bezit en andere omstandigheden.

  • La casa era pequeña y tenía un jardín. — Het huis was klein en had een tuin.
  • Hacía buen tiempo. — Het was mooi weer.
  • Eran las ocho. — Het was acht uur.
  • Tenía veinte años. — Ik was twintig jaar.

De letterlijke Spaanse formulering bij leeftijd is tener (hebben): tenía veinte años. Vertaal dus niet woord voor woord vanuit het Nederlands met ser.

3. Een handeling die toen bezig was

Gebruik het imperfecto wanneer je aangeeft wat er op een bepaald moment gaande was, zonder het begin of einde te benadrukken.

  • A las diez dormíamos. — Om tien uur sliepen we.
  • Mientras cocinaba, escuchaba la radio. — Terwijl ik kookte, luisterde ik naar de radio.

Voor extra nadruk op het verloop kan Spaans ook estar + gerundio gebruiken (een vorm als hablando of comiendo): Estaba cocinando. Het gewone cocinaba is vaak al voldoende.

4. Achtergrond tegenover een gebeurtenis

In verhalen zet het imperfecto de scène neer; het indefinido brengt een afgeronde gebeurtenis naar voren.

  • Llovía cuando llegó Marta. — Het regende toen Marta aankwam.
  • Yo leía cuando sonó el teléfono. — Ik was aan het lezen toen de telefoon ging.

Hier zijn llovía en leía de lopende achtergrond. Llegó en sonó zijn gebeurtenissen die het verhaal vooruitbrengen.

Een eenvoudige keuzehulp

Bedoeling Meestal gebruiken Voorbeeld
gewoonte of herhaling vroeger imperfecto Íbamos cada verano.
beschrijving of toestand imperfecto El hotel era tranquilo.
wat op dat moment bezig was imperfecto Dormía cuando llamaste.
één afgeronde gebeurtenis indefinido Ayer fui al museo.
duidelijke reeks afgeronde stappen indefinido Entró, pagó y salió.

Woorden als ayer of una vez wijzen vaak naar een afgeronde gebeurtenis, maar een tijdsaanduiding kiest de tijd niet automatisch. Ayer a las ocho cenaba betekent bijvoorbeeld dat ik gisteren om acht uur aan het eten was; het genoemde tijdstip is hier een momentopname.

Voorbeelden in context

Spaans Nederlands Toelichting
Cuando era niño, jugaba en la calle. Toen ik klein was, speelde ik op straat. Levensfase en gewoonte
Hacía buen tiempo y el cielo estaba despejado. Het was mooi weer en de hemel was helder. Beschrijving van het decor
Vivíamos en Madrid cerca del Retiro. We woonden in Madrid, vlak bij het Retiropark. Langdurige situatie
Siempre comía a las dos. Ik at altijd om twee uur. Herhaalde gewoonte
Mi abuelo leía el periódico cada mañana. Mijn opa las elke ochtend de krant. Herhaling met cada mañana
La oficina era pequeña, pero tenía mucha luz. Het kantoor was klein, maar had veel licht. Twee kenmerken uit het verleden
Eran las once y todos dormían. Het was elf uur en iedereen sliep. Tijd en lopende toestand
Mientras tú estudiabas, yo preparaba la cena. Terwijl jij studeerde, maakte ik het avondeten klaar. Twee gelijktijdige handelingen
Íbamos al mercado cuando empezó a llover. We waren op weg naar de markt toen het begon te regenen. Lopende achtergrond plus gebeurtenis
No podía abrir la puerta porque no tenía la llave. Ik kon de deur niet openen omdat ik de sleutel niet had. Vermogen en bezit als toestanden
Veíamos el mar desde la ventana. Vanuit het raam zagen we de zee. Regelmatige vorm van het onregelmatige ver
De joven, Ana quería ser médica. Toen Ana jong was, wilde ze arts worden. Wens in een vroegere levensfase
Cada vez que llamabas, me alegraba. Telkens als je belde, werd ik blij. Herhaalde situatie
El profesor hablaba cuando alguien abrió la puerta. De docent was aan het praten toen iemand de deur opende. Achtergrond onderbroken door een gebeurtenis

Veelgemaakte fouten

1. Het indefinido gebruiken voor een gewone herhaling

  • Onjuist: De niño jugué al fútbol todos los sábados.
  • Beter: De niño jugaba al fútbol todos los sábados.
  • Waarom: Het gaat om een terugkerende gewoonte tijdens een levensfase, niet om één bepaalde zaterdag. Jugué kan wel als je één afgeronde gelegenheid bedoelt.

2. Een Nederlandse verleden tijd automatisch met één Spaanse tijd verbinden

  • Onjuist uitgangspunt: ik woonde is altijd viví.
  • Juist: Vivía en Sevilla cuando conocí a Luis.
  • Waarom: Het Nederlands gebruikt woonde zowel voor een achtergrondtoestand als voor een afgesloten periode. In deze zin is het wonen de achtergrond; conocí is de nieuwe gebeurtenis.

3. De uitgangen van -ar en -er/-ir mengen

  • Onjuist: comaba, vivaba
  • Juist: comía, vivía
  • Waarom: Alleen werkwoorden op -ar krijgen -aba. Werkwoorden op -er en -ir krijgen allebei -ía.

4. Accenten weglaten

  • Onjuist: Comia con mis padres. Viviamos cerca.
  • Juist: Comía con mis padres. Vivíamos cerca.
  • Waarom: Het accent hoort bij de vervoegde vorm en bepaalt de klemtoon. Bij -er en -ir staat het in elke persoon op de í.

5. Ser en ir als regelmatige werkwoorden vervoegen

  • Onjuist: sería of iría voor een gewone situatie in het verleden
  • Juist: era en iba
  • Waarom: Ser en ir zijn onregelmatig in het imperfecto. Bovendien betekenen sería en iría doorgaans zou zijn en zou gaan; dat zijn vormen van de voorwaardelijke wijs.

6. Denken dat een precieze tijd altijd het indefinido vereist

  • Onjuist: A las nueve estudié cuando llamaste.
  • Juist: A las nueve estudiaba cuando llamaste.
  • Waarom: Negen uur is hier het moment waarop de handeling bezig was. Dat de kloktijd precies is, maakt de handeling niet automatisch afgerond.

Gebruiksnotities

Signaalwoorden helpen, maar beslissen niet

Bij gewoonten zie je vaak siempre, normalmente, a menudo, todos los días, cada verano en de pequeño/a. Bij gelijktijdigheid komt mientras vaak voor. Gebruik zulke woorden als aanwijzing, niet als vaste formule. Siempre vivió allí is bijvoorbeeld mogelijk wanneer de spreker een volledig, afgesloten leven als één geheel bekijkt: “Hij woonde daar zijn hele leven.” Siempre vivía allí past eerder bij een terugkerende of als achtergrond bekeken situatie in een bepaalde periode.

Het onderwerp mag meestal weg

De uitgang laat vaak al zien om welke persoon het gaat. Daarom zijn vivíamos en Madrid en comía a las dos natuurlijk zonder nosotros of yo. Voeg een onderwerp toe als de context onduidelijk is of als je contrasteert: Yo cocinaba, pero él limpiaba (Ik kookte, maar hij maakte schoon).

Antes en het Nederlandse “vroeger”

Het Nederlandse vroeger wordt vaak antes of de pequeño/a in het Spaans. Je hoeft echter niet telkens een apart woord voor “vroeger” toe te voegen: het imperfecto en de context kunnen die vroegere gewoonte al duidelijk maken. Jugábamos en el parque kan gewoon “We speelden vroeger in het park” betekenen.

Spanje en Latijns-Amerika

De vorm op vosotros/as (hablabais, comíais, vivíais) wordt vooral in Spanje gebruikt. In het grootste deel van Latijns-Amerika gebruikt men ustedes met de derde persoon meervoud: ustedes hablaban. De overige imperfectovormen en de kernbetekenissen zijn in de Spaanstalige wereld hetzelfde.

Verder dan de basis

De volgende nuances hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je komt ze later vaak tegen.

De keuze verandert het perspectief

Soms zijn imperfecto en indefinido allebei grammaticaal, maar betekenen ze niet precies hetzelfde.

Imperfecto Indefinido Verschil in perspectief
Conocía a Marta. Conocí a Marta. Ik kende Marta / ik ontmoette of leerde Marta kennen.
Sabía la respuesta. Supe la respuesta. Ik wist het antwoord / ik kwam het antwoord te weten.
Podía entrar. Pude entrar. Ik kon of mocht naar binnen / het lukte me naar binnen te gaan.
Quería hablar contigo. Quise hablar contigo. Ik wilde met je praten / ik probeerde of besloot dat te doen, afhankelijk van de context.

Dit zijn geen willekeurige vertalingen. Het imperfecto toont een bestaande toestand of intentie; het indefinido bekijkt een verandering, resultaat of begrensd moment.

Beleefde verzoeken en verzachting

In gesprekken kan het imperfecto een verzoek minder direct maken:

  • Quería pedirle un favor. — Ik wilde u om een gunst vragen.
  • Venía a preguntarte una cosa. — Ik kwam je iets vragen.

De spreker bedoelt meestal niet dat de wens voorbij is. De verleden tijd creëert afstand en klinkt daardoor beleefder of voorzichtiger. In het Nederlands gebruiken we vergelijkbaar ik wilde even vragen....

Gedachten, plannen en toekomst vanuit het verleden

Het imperfecto kan aangeven wat op een vroeger moment gepland, verwacht of op het punt van gebeuren was:

  • El tren salía a las seis, pero hubo una avería. — De trein zou om zes uur vertrekken, maar er was een storing.
  • Pensaba llamarte esa noche. — Ik was van plan je die avond te bellen.

De zin beschrijft het plan zoals het toen bestond; hij zegt niet noodzakelijk dat het ook is uitgevoerd.

Achtergrond is meer dan “langdurig”

Een populaire beginnersregel zegt dat het imperfecto voor lange handelingen is en het indefinido voor korte. Dat is te grof. Een handeling van één seconde kan als herhaald of lopend worden voorgesteld, en een periode van twintig jaar kan als afgesloten geheel in het indefinido staan:

  • Cada vez que veía el relámpago, cerraba los ojos. — Telkens als ik de bliksem zag, deed ik mijn ogen dicht.
  • Vivió veinte años en Chile. — Hij/zij woonde twintig jaar in Chili.

Duur alleen bepaalt de tijd dus niet. Belangrijker is of de spreker de situatie als achtergrond of gewoonte presenteert, dan wel als een begrensd geheel.

Oefentips

  1. Maak twee tijdlijnen van dezelfde herinnering. Schrijf links vijf achtergrondzinnen in het imperfecto (era, había, vivíamos, hacía) en rechts drie gebeurtenissen in het indefinido. Verbind ze daarna met cuando en mientras.
  2. Leer de vormen in drie blokken. Oefen eerst hablaba, daarna het gezamenlijke patroon comía/vivía, en ten slotte era, iba, veía. Zeg de vormen hardop; zo vallen de accenten en de klemtoon beter op.
  3. Vertaal niet alleen de werkwoordsvorm. Neem een Nederlandse zin als “Ik las toen hij belde” en vraag eerst: wat was bezig, en wat gebeurde één keer? Maak dan Leía cuando llamó. Die betekenisstap is nuttiger dan woord voor woord vertalen.

Verwante onderwerpen

  • Vereiste voorkennis: Pretérito indefinido — de verleden tijd voor begrensde en afgeronde gebeurtenissen.
  • Volgende stap: Indefinido en imperfecto vergelijken — verdiept de perspectiefkeuze in verhalen en lastige grensgevallen.
  • Later: Indirecte rede — laat onder meer zien hoe verleden tijden functioneren wanneer je weergeeft wat iemand zei of dacht.

Vereiste kennis

Pretérito indefinido in het SpaansA2

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Pretérito Imperfecto in Spaans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Spaans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen