A1

Samentrekkingen *al* en *del* in het Spaans

Contracciones

languages.seo.contextNote

In het kort

In het Spaans worden a + el en de + el verplicht samengetrokken: al en del. Je zegt dus Voy al cine en Vengo del trabajo, niet a el cine of de el trabajo. Met la, los en las trek je niets samen; ook het voornaamwoord él valt nooit onder deze regel.

Overzicht

De woorden al en del zijn samentrekkingen: twee woorden die samen één vorm krijgen. Al bestaat uit het voorzetsel a plus het bepaald lidwoord el; del bestaat uit de plus el. Een voorzetsel is een kort woord dat een relatie uitdrukt, zoals richting, herkomst of bezit. Het bepaald lidwoord wijst een concreet zelfstandig naamwoord aan: el cine is bijvoorbeeld „de bioscoop”.

Dit onderwerp hoort bij niveau A1, omdat beide vormen voortdurend voorkomen in gewone zinnen over gaan, komen, plaatsen en bezit. De basisregel is klein, maar belangrijk: de samentrekking is in de standaardtaal geen vrije keuze. Zodra a of de direct voor het lidwoord el staat, schrijf en spreek je al of del.

Voor Nederlandstaligen voelt dit deels vertrouwd: in ouder of formeler Nederlands bestaan vormen als ter en ten, maar in modern Nederlands zeggen we meestal gewoon „naar de”, „van de” of „uit het”. Daardoor is de Nederlandse gewoonte om voorzetsel en lidwoord los te houden juist een veelvoorkomende bron van fouten in het Spaans.

Hoe het werkt

De twee verplichte samentrekkingen

Losse onderdelen Verplichte vorm Globale betekenis Voorbeeld
a + el al naar de/het, aan de/het, bij de/het Vamos al mercado.
de + el del van de/het, uit de/het, over de/het Salgo del mercado.

De betekenis hangt niet alleen van al of del af, maar ook van het werkwoord en de rest van de zin. Vertaal daarom niet woord voor woord.

  • ir al museo — naar het museum gaan
  • dar el libro al profesor — het boek aan de docent geven
  • estar al lado del banco — naast de bank zijn
  • volver del centro — uit het centrum terugkomen
  • hablar del problema — over het probleem praten

Alleen bij het lidwoord el

De regel geldt uitsluitend voor het mannelijke enkelvoudige lidwoord el. Voor de andere bepaalde lidwoorden blijven de woorden los staan.

Combinatie Vorm Voorbeeld Nederlands
a + el al al restaurante naar het restaurant
a + la a la a la oficina naar het kantoor
a + los a los a los museos naar de musea
a + las a las a las tiendas naar de winkels
de + el del del hotel van/uit het hotel
de + la de la de la estación van/uit het station
de + los de los de los vecinos van de buren
de + las de las de las montañas uit de bergen

Het grammaticale geslacht van het Spaanse zelfstandig naamwoord bepaalt welk lidwoord nodig is; de Nederlandse vertaling met de of het helpt daarbij niet altijd. El restaurante en el problema krijgen dus al/del, terwijl la oficina en la mano a la/de la houden.

Wanneer gebruik je al?

Het voorzetsel a drukt vaak een bestemming of richting uit, vooral na bewegingswerkwoorden zoals ir (gaan), volver (terugkeren) en llegar (aankomen):

  • Mañana vamos al centro. — Morgen gaan we naar het centrum.
  • Llegó al aeropuerto a tiempo. — Hij/zij kwam op tijd op de luchthaven aan.

A kan ook een ontvanger aangeven:

  • Doy las llaves al recepcionista. — Ik geef de sleutels aan de receptionist.

Daarnaast staat a voor een persoon die het lijdend voorwerp is (de persoon die rechtstreeks door de handeling wordt getroffen). Dit heet vaak de persoonlijke a:

  • Veo al médico. — Ik zie de arts.
  • Llamamos al camarero. — We roepen de ober.

Ook daar is de samentrekking verplicht: a + el médico wordt al médico.

Wanneer gebruik je del?

Het voorzetsel de kan onder meer herkomst, bezit, verband, materiaal of onderwerp uitdrukken:

  • Vengo del trabajo. — Ik kom van mijn werk.
  • Es el coche del vecino. — Het is de auto van de buurman.
  • La puerta del edificio está abierta. — De deur van het gebouw staat open.
  • Hablamos del examen. — We praten over het examen.

Let op een belangrijk verschil met het Nederlands. Het Nederlandse van kan bezit uitdrukken, maar Spaans gebruikt vaak de volgorde „bezit + de + bezitter”: el libro del profesor, letterlijk „het boek van de docent”. Del hoort daarbij als de bezitter met el begint.

Geen samentrekking vóór él

El zonder accent is een lidwoord: el profesor („de docent”). Él met accent is een persoonlijk voornaamwoord: „hij” of, na een voorzetsel, „hem”. Voor él blijven a en de altijd los.

Betekenis Correct Waarom
Ik geef het boek aan hem. Le doy el libro a él. él is een voornaamwoord
Dit cadeau is van hem. Este regalo es de él. él is een voornaamwoord
Ik geef het boek aan de docent. Le doy el libro al profesor. el is een lidwoord
Dit is het boek van de docent. Es el libro del profesor. el is een lidwoord

Het accent is dus niet alleen spelling: het laat zien om welk woord het gaat en daarmee ook of samentrekking mogelijk is.

Voorbeelden in context

Spaans Nederlands Toelichting
Voy al cine esta noche. Ik ga vanavond naar de bioscoop. Bestemming: a + el
Vengo del trabajo. Ik kom van mijn werk. Herkomst: de + el
Es el libro del profesor. Het is het boek van de docent. Bezit of toebehoren
Voy a la tienda. Ik ga naar de winkel. Geen samentrekking met la
Los niños corren al parque. De kinderen rennen naar het park. Richting naar el parque
Salimos del hotel a las ocho. We vertrekken om acht uur uit het hotel. Herkomst uit el hotel
Dale este mensaje al director. Geef dit bericht aan de directeur. Ontvanger
Veo al dentista mañana. Ik zie de tandarts morgen. Persoonlijke a + el
La entrada del museo es gratuita. De toegang tot het museum is gratis. Verband met el museo
Hablamos del nuevo proyecto. We praten over het nieuwe project. hablar de + el
Vamos a los restaurantes del puerto. We gaan naar de restaurants aan de haven. Geen al bij los; wel del puerto
Regresan de las montañas. Ze keren terug uit de bergen. Geen samentrekking met las
Este café es para él, no para mí. Deze koffie is voor hem, niet voor mij. Él is een voornaamwoord
Mañana viajo a El Salvador. Morgen reis ik naar El Salvador. El hoort bij de eigennaam

Veelgemaakte fouten

A el los schrijven

  • Onjuist: Vamos a el supermercado.
  • Juist: Vamos al supermercado.
  • Waarom: A staat direct voor het lidwoord el. In gewoon Spaans is al verplicht, ook al houdt het Nederlands „naar de supermarkt” uit elkaar.

De el los schrijven

  • Onjuist: La llave de el coche está aquí.
  • Juist: La llave del coche está aquí.
  • Waarom: De + el wordt altijd del wanneer el het lidwoord van coche is.

Ook vrouwelijke of meervoudige vormen proberen samen te trekken

  • Onjuist: Voy ala playa of hablo delas películas.
  • Juist: Voy a la playa en hablo de las películas.
  • Waarom: Alleen a + el en de + el hebben een samentrekking. Er bestaan geen vormen als ala, alos, dela of delas.

Él verwarren met het lidwoord el

  • Onjuist: El regalo es del als je „Het cadeau is van hem” bedoelt.
  • Juist: El regalo es de él.
  • Waarom: Él betekent „hij/hem” en blijft een zelfstandig voornaamwoord. Del moet gevolgd worden door iets waarbij el als lidwoord hoort, zoals del vecino.

Het lidwoord kiezen vanuit het Nederlands

  • Onjuist: Voy a la problema.
  • Juist: Voy al problema (als de context deze formulering verlangt).
  • Waarom: Problema is in het Spaans mannelijk: el problema. Kijk naar het Spaanse lidwoord, niet naar Nederlands de of het. In een natuurlijkere concrete zin krijg je bijvoorbeeld Buscamos una solución al problema — „We zoeken een oplossing voor het probleem.”

Gebruiksnotities

Al en del zijn neutrale standaardvormen. Ze horen zowel in informele gesprekken als in formele teksten thuis. Losse vormen als a el en de el klinken niet nadrukkelijker of formeler; bij een gewoon lidwoord zijn ze eenvoudigweg ongrammaticaal.

De uitspraak sluit aan bij de spelling: al is één lettergreep en del ook. In snel gesproken Spaans kunnen omringende klanken in elkaar overlopen, maar de grammaticale vorm verandert niet. Schrijf dus wat de regel voorschrijft, niet een losse weergave van wat je denkt te horen.

Vertalen vraagt aandacht voor de hele woordgroep. Al betekent niet altijd „naar het” en del niet altijd „van het”. Vergelijk al lado del hotel („naast het hotel”), al final del día („aan het einde van de dag”) en hablar del viaje („over de reis praten”). Leer zulke vaste combinaties bij voorkeur als geheel.

Verder dan de basis: uitzonderingen en gevorderd gebruik

De volgende punten hoef je op A1 nog niet allemaal actief te beheersen, maar ze maken de regel volledig.

El als deel van een eigennaam

Wanneer El officieel deel uitmaakt van een eigennaam, wordt het doorgaans niet samengetrokken. De hoofdletter helpt om dat te herkennen:

  • Viaja a El Salvador. — Hij/zij reist naar El Salvador.
  • La historia de El Salvador es compleja. — De geschiedenis van El Salvador is complex.
  • Trabajo para El País. — Ik werk voor El País.

Hier is El geen los lidwoord dat de spreker zelf aan een gewoon zelfstandig naamwoord toevoegt, maar een vast onderdeel van de naam. Bij plaatsnamen waarvan het lidwoord wél als gewoon lidwoord wordt behandeld, kan de samentrekking juist normaal zijn. In twijfelgevallen is de officiële schrijfwijze van de naam de veiligste leidraad.

Al vóór een infinitief

Een infinitief is de onverbogen vorm van een werkwoord, zoals llegar („aankomen”) of salir („vertrekken”). In de constructie al + infinitief betekent al vaak „bij het”, „toen” of „zodra” de handeling plaatsvindt:

  • Al llegar, llamé a Ana. — Bij aankomst belde ik Ana.
  • Al abrir la puerta, vio la carta. — Toen hij/zij de deur opende, zag hij/zij de brief.

Historisch en grammaticaal kan dit worden begrepen als a + el vóór een als zelfstandig naamwoord gebruikte infinitief. Voor een beginner is het vooral nuttig om al + infinitief als een vast zinsmodel te herkennen.

Combinaties met betrekkelijke woorden

Op hogere niveaus kom je vormen tegen als al que, a la que, del que en de la que. Het woord que verwijst dan terug naar een eerder genoemd persoon of ding:

  • El hombre al que llamé no respondió. — De man die ik belde, nam niet op.
  • El tema del que hablamos es importante. — Het onderwerp waarover we spraken, is belangrijk.

Dezelfde basisregel blijft gelden: in a + el que ontstaat al que, en in de + el que del que. Bij la que, los que en las que blijven de voorzetsels los.

Oefentips

  1. Leer woordgroepen in paren. Maak met één plaats twee zinnen: Voy al mercado en Vengo del mercado. Wissel daarna af met een vrouwelijk woord: Voy a la oficina en Vengo de la oficina.
  2. Markeer eerst het lidwoord. Schrijf bij nieuwe zelfstandige naamwoorden altijd el of la. Pas daarna voeg je a of de toe. Zo voorkom je dat het Nederlandse de/het jouw keuze bepaalt.
  3. Doe de él-controle. Vraag bij elke vorm af: volgt er een zelfstandig naamwoord (el médico) of staat él zelfstandig voor „hem”? Schrijf hardop korte contrasten zoals al médico / a él en del vecino / de él.

Verwante onderwerpen

  • Vereiste voorkennis: Bepaalde lidwoorden — leer wanneer je el, la, los en las gebruikt; daaruit volgt of samentrekking nodig is.

languages.concept.prerequisite

Bepaalde lidwoorden in het SpaansA1

languages.concept.related

languages.concept.otherLanguages

languages.concept.compareLanguages

languages.cta.conceptText

languages.cta.practiceConceptButton