A1

Regelmatige werkwoorden op -ar in het Portugees

Verbos Regulares em -AR

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Portugees op Settemila Lingue.

Kort samengevat

Haal bij een regelmatig werkwoord op -ar de uitgang -ar van de infinitief (de onbepaalde vorm) en voeg -o, -as, -a, -amos, -ais, -am toe. Zo wordt falar ‘spreken’: falo, falas, fala, falamos, falais, falam. In het dagelijks taalgebruik zijn vooral de vormen bij eu, tu/você, nós/a gente en vocês/eles/elas belangrijk.

Overzicht

Werkwoorden op -ar vormen de grootste regelmatige werkwoordsgroep in het Portugees. Veel alledaagse handelingen horen erbij: falar (spreken), trabalhar (werken), estudar (studeren), comprar (kopen), morar (wonen) en telefonar (telefoneren). Op A1-niveau leer je deze werkwoorden eerst in de presente do indicativo, de gewone tegenwoordige tijd voor feiten, gewoonten en gebeurtenissen in het heden.

Anders dan in het Nederlands heeft bijna elke persoon een herkenbare uitgang. Vergelijk ik werk, jij werkt, wij werken met trabalho, trabalhas, trabalhamos. Die uitgang vertelt vaak al wie de handeling uitvoert. Daarom kan een Portugees onderwerp als eu of nós vaak achterwege blijven. Dat betekent niet dat het onderwerp altijd wordt weggelaten: het blijft nuttig bij nadruk, contrast of mogelijke onduidelijkheid.

De basisregel is eenvoudig en zeer productief. Toch moet je ook weten dat você en a gente grammaticaal een vorm in de derde persoon krijgen, en dat Europees en Braziliaans Portugees niet precies dezelfde aanspreekvormen gebruiken. Die verschillen veranderen het vervoegingsschema niet, maar wel welke rij je in een gesprek het vaakst nodig hebt.

Zo werkt het

Stap 1: vind de stam

De stam is het deel dat overblijft wanneer je -ar verwijdert:

Infinitief Betekenis Stam
falar spreken fal-
trabalhar werken trabalh-
estudar studeren estud-
comprar kopen compr-
morar wonen mor-

Stap 2: voeg de persoonsuitgang toe

Een persoonsuitgang laat zien wie iets doet. Het volledige schema van falar ziet er zo uit:

Persoon Uitgang falar Nederlandse betekenis
eu -o falo ik spreek
tu -as falas jij spreekt
ele / ela / você -a fala hij / zij spreekt; jij/u spreekt
nós -amos falamos wij spreken
vós -ais falais jullie spreken
eles / elas / vocês -am falam zij spreken; jullie spreken

Je kunt hetzelfde patroon direct op andere regelmatige werkwoorden toepassen:

Persoon trabalhar estudar comprar
eu trabalho estudo compro
tu trabalhas estudas compras
ele / ela / você trabalha estuda compra
nós trabalhamos estudamos compramos
vós trabalhais estudais comprais
eles / elas / vocês trabalham estudam compram

Let op de slotletter: de vorm bij eles/elas/vocês eindigt op -am, niet op -ão. De lettergroep -am is onbeklemtoond en klinkt nasaal. Leer de spelling daarom samen met de vorm.

Welke aanspreekvorm hoort bij welke uitgang?

De Nederlandse woorden jij, u en jullie passen niet één op één op het Portugese systeem.

  • tu neemt de tweede persoon enkelvoud: tu falas. Deze combinatie is standaard in Portugal en komt ook in verschillende delen van Brazilië voor.
  • você verwijst naar de gesprekspartner, maar neemt grammaticaal de derde persoon enkelvoud: você fala.
  • vocês betekent ‘jullie’ en neemt de derde persoon meervoud: vocês falam.
  • vós hoort bij falais, maar is in gewone gesprekken zeldzaam. Je komt het nog tegen in religieuze, plechtige, historische of bepaalde regionale taal.
  • a gente betekent in informele taal ‘wij’, maar is grammaticaal enkelvoud: a gente fala. Het echte meervoud nós krijgt falamos.

In Brazilië zijn você/vocês zeer gebruikelijk, al verschilt het gebruik van tu sterk per regio. In Portugal is tu normaal in informele relaties. Você kan daar, afhankelijk van situatie en toon, afstandelijk of onhandig klinken; sprekers kiezen ook vaak een naam, titel, o senhor/a senhora of helemaal geen uitgesproken onderwerp.

Het onderwerp mag vaak weg

Het onderwerp is degene die de handeling uitvoert. Omdat falo alleen eerste persoon enkelvoud kan zijn, is Eu falo português meestal ook gewoon mogelijk als Falo português. Het Nederlands kan dat niet: alleen spreek Portugees is geen neutrale volledige mededeling.

Toch zijn Portugese voornaamwoorden niet overbodig. Gebruik ze bijvoorbeeld voor contrast:

  • Eu trabalho em casa, mas ela trabalha no escritório. — Ik werk thuis, maar zij werkt op kantoor.
  • Nós estudamos de manhã; eles estudam à noite. — Wij studeren ’s ochtends; zij studeren ’s avonds.

Bij vormen als fala en falam kan een onderwerp bovendien verduidelijken of het om hij, zij, u/jij of een genoemde persoon gaat. In Braziliaans Portugees worden onderwerpvoornaamwoorden in het algemeen vaker uitgesproken dan in Europees Portugees.

Wat drukt de tegenwoordige tijd uit?

De Portugese tegenwoordige tijd heeft meerdere alledaagse functies:

  1. Gewoonte of herhaling: Trabalho de segunda a sexta. — Ik werk van maandag tot vrijdag.
  2. Feit of vaste situatie: A Marta mora em Lisboa. — Marta woont in Lissabon.
  3. Wat er nu gebeurt: Falo com a Ana agora. — Ik praat nu met Ana.
  4. Geplande nabije toekomst: Amanhã estudamos juntos. — Morgen studeren we samen.

Ook het Nederlands gebruikt vaak een tegenwoordige tijd voor een afspraak in de toekomst: ‘Morgen werken we thuis.’ Voor een handeling die nadrukkelijk op dit moment bezig is, gebruikt het Portugees vaak een duurconstructie. In Brazilië is dat estar + gerúndio (een vorm op -ndo): Estou trabalhando. In Portugal hoor je meestal estar a + infinitief: Estou a trabalhar. Je hoeft die constructies nog niet te beheersen om het basisschema op -ar te gebruiken.

Vragen en ontkenningen

Voor een ja-neevraag hoef je het werkwoord niet zoals in het Nederlands vooraan te zetten. Dezelfde woordvolgorde kan met vraagintonatie een vraag worden:

  • Você trabalha aqui. — Jij/U werkt hier.
  • Você trabalha aqui? — Werk jij hier? / Werkt u hier?

Voor een ontkenning zet je não vóór de vervoegde vorm:

  • Não trabalho aos domingos. — Ik werk niet op zondag.
  • Eles não compram carne. — Zij kopen geen vlees.

Dit verschil is belangrijk voor Nederlandstaligen. Bouw een Portugese vraag niet automatisch volgens het Nederlandse patroon ‘werk jij …?’; in het Portugees blijven onderwerp en werkwoord doorgaans op hun gewone plaats.

Voorbeelden in context

Portugees Nederlands Toelichting
Eu falo português. Ik spreek Portugees. Eu maakt het onderwerp expliciet.
Tu trabalhas muito. Jij werkt veel. Tu krijgt -as.
Nós estudamos história. Wij studeren geschiedenis. Nós krijgt -amos.
Eles compram pão. Zij kopen brood. Eles krijgt -am.
Moro perto da estação. Ik woon dicht bij het station. Eu is weggelaten; -o is duidelijk.
A Ana trabalha num hospital. Ana werkt in een ziekenhuis. Een naam krijgt de derde persoon enkelvoud.
Você estuda português todos os dias? Studeer jij elke dag Portugees? Vraag zonder omkering; você krijgt -a.
A gente fala depois do almoço. We praten na de lunch. Informeel ‘wij’, met enkelvoud fala.
Falamos com os vizinhos todas as manhãs. We praten elke ochtend met de buren. Gewoonte; nós kan wegblijven.
Vocês telefonam à noite. Jullie bellen ’s avonds. Vocês krijgt de derde persoon meervoud.
Onde compras fruta? Waar koop jij fruit? Vraagwoord plus de tu-vorm.
As crianças brincam no jardim. De kinderen spelen in de tuin. Een meervoudig onderwerp krijgt -am.
Não trabalho aos sábados. Ik werk niet op zaterdag. Não staat vóór het werkwoord.
Hoje ela almoça em casa. Vandaag luncht zij thuis. Almoçar volgt hier het gewone patroon.
Amanhã viajamos para Braga. Morgen reizen we naar Braga. Tegenwoordige tijd voor een plan.

Veelgemaakte fouten

1. De verkeerde uitgang bij eu

  • Niet goed: Eu fala português.
  • Wel goed: Eu falo português.
  • Waarom: Bij regelmatige werkwoorden op -ar eindigt de eu-vorm op -o. De uitgang -a hoort bij ele, ela en você.

2. Você vervoegen alsof het tu is

  • Niet goed: Você trabalhas aqui?
  • Wel goed: Você trabalha aqui?
  • Waarom: Você spreekt één persoon aan, maar krijgt grammaticaal de derde persoon enkelvoud. Alleen tu hoort in het standaardschema bij trabalhas.

3. A gente combineren met een meervoudsvorm

  • Niet goed: A gente estudamos à noite.
  • Wel goed: A gente estuda à noite.
  • Ook goed: Nós estudamos à noite.
  • Waarom: A gente betekent ‘wij’, maar werkt grammaticaal als een enkelvoud. Meng de twee patronen niet in verzorgde standaardtaal.

4. -am als -ão schrijven

  • Niet goed: Eles trabalhão muito.
  • Wel goed: Eles trabalham muito.
  • Waarom: De tegenwoordige tijd van regelmatige werkwoorden eindigt bij eles/elas/vocês op onbeklemtoond -am. -ão komt in andere woorden en werkwoordsvormen voor, maar niet in dit schema.

5. Denken dat elk werkwoord op -ar regelmatig is

  • Niet goed: Eu esto em casa.
  • Wel goed: Eu estou em casa.
  • Waarom: De meeste nieuwe vormen kun je met het regelmatige patroon maken, maar zeer frequente werkwoorden zoals estar (zijn/zich bevinden) en dar (geven) zijn onregelmatig. Kijk een onbekend werkwoord na als de vorm onverwacht klinkt.

6. Een Nederlandse vraagvolgorde nabootsen

  • Onnatuurlijk als basisschema: Trabalha você aqui?
  • Neutraal: Você trabalha aqui?
  • Waarom: In neutrale Portugese vragen is omkering meestal niet nodig. Intonatie of een vraagwoord maakt duidelijk dat het een vraag is. Werkwoord vóór onderwerp kan wel voorkomen, maar is geen algemene vertaling van de Nederlandse vraagvolgorde.

Gebruiksnotities

Tu, você en beleefdheid

Vertaal Nederlands u niet automatisch met você. Vooral in Portugal kunnen o senhor en a senhora, een titel of een naam geschikter zijn: A senhora trabalha aqui? Al deze aanspreekvormen nemen de derde persoon enkelvoud. In Brazilië is você in veel regio’s juist een gewone informele of neutrale aanspreekvorm. De sociale waarde hangt dus af van land, streek, leeftijd en situatie.

Uitgesproken of weggelaten onderwerp

Een weggelaten onderwerp is volkomen normaal, maar geen verplichting. Trabalho em casa is compact en duidelijk. Eu trabalho em casa legt meer nadruk op ‘ik’ of sluit aan bij een contrast. In gesprekken kan een voornaamwoord ook helpen om een langere passage overzichtelijk te houden. Volg daarom niet de starre regel ‘Portugees laat voornaamwoorden altijd weg’; luister naar wat sprekers in de gekozen variant werkelijk doen.

Enkelvoud en meervoud bij groepen

Een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak of begrip) bepaalt eveneens de werkwoordsvorm. O estudante fala heeft een enkelvoudig onderwerp; os estudantes falam heeft een meervoudig onderwerp. Bij twee namen gebruik je ook het meervoud: A Rita e o Paulo trabalham juntos.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1-niveau nog niet actief te beheersen, maar ze maken het schema later gemakkelijker te plaatsen.

Dezelfde vorm kan meer dan één tijd aanduiden

Bij regelmatige werkwoorden op -ar ziet de eerste persoon meervoud van de tegenwoordige tijd er in Braziliaans Portugees hetzelfde uit als die van de voltooide verleden tijd: falamos. Alleen context vertelt dan of het ‘wij spreken’ of ‘wij spraken/hebben gesproken’ betekent. In Europees Portugees wordt voor de verleden tijd vaak falámos met accent geschreven en anders uitgesproken, terwijl falamos de tegenwoordige tijd is. In bepaalde spellingpraktijken kan dat accent facultatief zijn.

Niet elk onveranderd Nederlands werkwoord blijft eenvoudig in het Portugees

Het Nederlandse ‘we werken’ kan een gewoonte, een lopende activiteit of een toekomstplan uitdrukken. Portugees trabalhamos kan dat vaak ook, maar een spreker kan voor een nadrukkelijk lopende activiteit estamos trabalhando (Brazilië) of estamos a trabalhar (Portugal) kiezen. De keuze is niet simpelweg een woord-voor-woordregel; context en regionale norm tellen mee.

Regelmatige basis, bijzondere afleidingen

Later ontmoet je bij sommige werkwoorden spelling- of stamvarianten, bijvoorbeeld passear → passeio. Zulke vormen moet je apart herkennen; ze veranderen niets aan het betrouwbare basisschema voor volledig regelmatige voorbeelden als falar, trabalhar, estudar en comprar. Ook andere tijden hebben hun eigen uitgangen. Voor de voltooide verleden tijd krijg je bijvoorbeeld niet de tegenwoordige uitgangen, ook al blijft het werkwoord verder regelmatig.

Andere vormen uit dezelfde stam

De infinitief falar en de vervoegde vorm falo zijn niet de enige vormen van het werkwoord. Later leer je onder meer het voltooid deelwoord (een vorm die bijvoorbeeld in samengestelde tijden wordt gebruikt) falado en de gerundiumvorm (een vorm voor een lopende handeling) falando. Voor regelmatige -ar-werkwoorden zijn die patronen goed herkenbaar: -ado en -ando. Zie dit voorlopig als vooruitblik, niet als onderdeel van het A1-schema dat je nu moet automatiseren.

Oefentips

  1. Werk met vier voorbeeldwerkwoorden. Schrijf dagelijks het volledige schema van falar, trabalhar, estudar en comprar. Dek daarna de tabel af en maak de vormen opnieuw vanuit de stam.
  2. Oefen in korte contrastparen. Zeg bijvoorbeeld eu trabalho / nós trabalhamos, tu compras / vocês compram en a gente estuda / nós estudamos. Zo leer je meteen de uitgangen én de valkuilen rond você en a gente.
  3. Maak zinnen uit je eigen week. Schrijf vijf ware zinnen over gewoonten en één plan: Trabalho em casa, Estudo à noite, Amanhã jantamos juntos. Lees ze hardop en probeer daarna het onderwerp weg te laten waar de vorm duidelijk blijft.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het PortugeesA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Verbos Regulares em -AR in Portugees met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Portugees · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen