A1

Het werkwoord *ir* in het Portugees

O Verbo Ir

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Portugees op Settemila Lingue.

In het kort

Het onregelmatige werkwoord ir betekent meestal gaan: vou, vais, vai, vamos, ides, vão. Voor een bestemming staat vaak a, dat met een lidwoord wordt samengetrokken tot bijvoorbeeld ao of à: Vamos à praia. Met ir plus een infinitief druk je bovendien een plan of nabije toekomst uit: Vou comer betekent ‘Ik ga eten’.

Overzicht

Ir is een van de belangrijkste Portugese werkwoorden. Je gebruikt het om te zeggen dat iemand ergens heen gaat, om naar een bestemming of activiteit te vragen en om over plannen te spreken. Daarom kom je het al op A1-niveau voortdurend tegen: Vou ao trabalho (‘Ik ga naar mijn werk’), Onde vais? (‘Waar ga je heen?’) en Vamos! (‘Laten we gaan!’).

Het werkwoord is sterk onregelmatig. De vormen lijken niet op de infinitief (de onvervoegde vorm) ir en volgen evenmin het patroon van regelmatige werkwoorden op -ir. Je leert de zes vormen dus het best als een eigen rij. Net als bij andere Portugese werkwoorden kan het onderwerp (wie de handeling uitvoert) vaak worden weggelaten, omdat de werkwoordsvorm al veel informatie geeft: Vou agora is normaal en betekent ‘Ik ga nu’.

Voor Nederlandstaligen is de betekenis meestal herkenbaar, maar de kleine woorden eromheen vragen aandacht. Nederlands gebruikt bij vrijwel iedere bestemming naar. Portugees kiest onder meer tussen a en para, en a versmelt vaak met het daaropvolgende bepaalde lidwoord. Ook lijkt ir + infinitief sterk op Nederlands gaan + heel werkwoord, maar in het Portugees komt er géén a tussen beide werkwoorden.

Zo werkt het

De tegenwoordige tijd

De persoonsvorm verandert volgens het onderwerp. Let vooral op het accent in vão: zonder de tilde is de vorm niet correct geschreven.

Persoon Portugees Nederlandse betekenis
eu vou ik ga
tu vais jij gaat
ele / ela / você vai hij / zij / u gaat
nós vamos wij gaan
vós ides jullie gaan
eles / elas / vocês vão zij / jullie gaan

In veel zinnen staat het persoonlijk voornaamwoord er niet bij:

  • Vou ao supermercado. — Ik ga naar de supermarkt.
  • Vais de comboio? — Ga je met de trein?
  • Vamos amanhã. — We gaan morgen.
  • Vão para casa. — Ze gaan naar huis.

De vorm vós ides hoort bij het volledige paradigma, maar vós is in het hedendaagse dagelijkse taalgebruik zeldzaam. In Portugal gebruikt men voor een groep meestal vocês vão of een andere passende aanspreekvorm. In Brazilië is vocês vão de normale meervoudsvorm. Je moet ides dus vooral kunnen herkennen; voor de meeste alledaagse gesprekken heb je vão nodig.

In Braziliaans-Portugees is ook a gente heel gewoon voor ‘wij’. Hoewel het naar meerdere mensen verwijst, is het grammaticaal enkelvoud en krijgt het daarom vai: A gente vai amanhã (‘We gaan morgen’). In verzorgde schrijftaal is nós vamos altijd een veilige keuze.

Naar een bestemming: ir a

Voor een bestemming gebruikt het Portugees vaak het voorzetsel a (een klein woord dat een relatie zoals richting aangeeft):

  • ir a Lisboa — naar Lissabon gaan
  • ir a Portugal — naar Portugal gaan
  • ir ao banco — naar de bank gaan
  • ir à praia — naar het strand gaan

Staat er na a een bepaald lidwoord (‘de’ of ‘het’), dan worden beide woorden samengetrokken. Zo'n samentrekking is verplicht in de standaardtaal.

Combinatie Samentrekking Voorbeeld Betekenis
a + o ao Vou ao médico. Ik ga naar de dokter.
a + a à Vou à biblioteca. Ik ga naar de bibliotheek.
a + os aos Vamos aos correios. We gaan naar het postkantoor.
a + as às Vão às compras. Ze gaan winkelen.

De accenttekens in à en às geven hier de samentrekking aan; ze veranderen niet waar de klemtoon valt. Bij een naam zonder lidwoord vindt geen samentrekking plaats: Vou a Lisboa. Bij een onbepaald lidwoord blijven de woorden eveneens los: Vou a uma reunião (‘Ik ga naar een vergadering’).

Welke plaatsnaam een lidwoord krijgt, moet je deels per naam leren. Vergelijk a Lisboa zonder lidwoord met ao Porto, waarin Porto doorgaans het mannelijke lidwoord o heeft. Leer een plaats daarom liefst meteen in een korte combinatie: em Lisboa / a Lisboa, maar no Porto / ao Porto.

A of para?

Ook para kan richting of bestemming aangeven. Als bruikbare beginnersregel kun je dit onderscheid aanhouden:

  • ir a legt de nadruk op het gaan naar een bestemming en wordt vaak gebruikt bij een bezoek of heen-en-weerbeweging: Vou ao banco.
  • ir para legt vaak meer nadruk op de richting, het eindpunt of een langer verblijf: Vou para Portugal no próximo ano.
  • Voor ‘naar huis’ is para casa bijzonder gewoon: Vou para casa.

Dit is geen waterdichte tegenstelling. Gewoonte, context en regio spelen mee, en vaak zijn beide voorzetsels mogelijk met een klein betekenisverschil. Zet na para zo nodig ook het lidwoord: para o Porto, para a praia. In informele spraak hoor je vaak de verkorte vormen pro en pra, vooral in Brazilië: Vou pra casa. Schrijf in neutrale, verzorgde taal liever para o, para a en para casa.

Manier van reizen: de of a

Een bestemming en een vervoermiddel krijgen niet hetzelfde voorzetsel. Voor de manier waarop je reist, is de heel gebruikelijk:

  • Vou de carro. — Ik ga met de auto.
  • Vamos de autocarro. — We gaan met de bus.
  • Eles vão de avião. — Ze gaan met het vliegtuig.

Voor ‘te voet’ zeg je echter a pé: Vou a pé. Een Nederlandse gewoonte kan hier misleiden: vertaal met dus niet automatisch met één vast Portugees woord.

Een plan of nabije toekomst: ir + infinitief

De tegenwoordige tijd van ir plus een infinitief vormt de nabije toekomst. De infinitief is de basisvorm van het tweede werkwoord, zoals comer (‘eten’), estudar (‘studeren’) of sair (‘uitgaan, vertrekken’).

Opbouw Voorbeeld Betekenis
vou + infinitief Vou telefonar. Ik ga bellen.
vais + infinitief Vais estudar. Jij gaat studeren.
vai + infinitief Vai chover. Het gaat regenen.
vamos + infinitief Vamos sair. We gaan uit / vertrekken.
vão + infinitief Vão chegar tarde. Ze gaan laat aankomen.

Alleen ir wordt vervoegd; het tweede werkwoord blijft onveranderd. Er staat geen voorzetsel tussen: vou comer, niet vou a comer. De constructie kan zowel een plan als iets waarschijnlijks of dreigends uitdrukken. Een tijdsbepaling maakt de bedoeling vaak duidelijk: Vou estudar esta noite (‘Ik ga vanavond studeren’).

Dezelfde woorden kunnen soms letterlijk bewegen of toekomst aangeven. Vou trabalhar betekent doorgaans ‘Ik ga werken’ als plan of aankomende handeling. Wil je duidelijk zeggen dat je naar de werkplek gaat, dan kun je Vou ao trabalho gebruiken.

Voorbeelden in context

Portugees Nederlands Toelichting
Vou ao trabalho. Ik ga naar mijn werk. a + o wordt ao.
Onde vais? Waar ga je heen? Informeel enkelvoud met tu.
Vamos à praia. We gaan naar het strand. a + a wordt à.
Vou comer. Ik ga eten. Nabije toekomst zonder voorzetsel.
Ela vai à universidade todos os dias. Zij gaat iedere dag naar de universiteit. Gewoonte in de tegenwoordige tijd.
Vocês vão para casa agora? Gaan jullie nu naar huis? Vocês krijgt de vorm vão.
A gente vai de táxi. We gaan met de taxi. Alledaags Braziliaans; a gente krijgt vai.
Eles vão a pé para o centro. Ze gaan te voet naar het centrum. a pé geeft de manier aan.
Vou a uma reunião depois do almoço. Ik ga na de lunch naar een vergadering. Geen samentrekking bij uma.
Amanhã vamos visitar os nossos amigos. Morgen gaan we onze vrienden bezoeken. vamos + infinitief drukt een plan uit.
O que vais fazer este fim de semana? Wat ga je dit weekend doen? Vraag over een plan.
Olha para as nuvens: vai chover. Kijk naar de wolken: het gaat regenen. Voorspelling op basis van wat je ziet.
Não vou sair hoje. Ik ga vandaag niet uit. não staat vóór de vervoegde vorm.
Vamos! Laten we gaan! Aansporing aan een groep waar de spreker bij hoort.
Vou-me embora. Ik ga weg. Gebruikelijk in Portugal; in Brazilië vaak Vou embora.

Veelgemaakte fouten

1. Ir als een regelmatig werkwoord vervoegen

  • Fout: Eu iro ao centro.
  • Goed: Eu vou ao centro.
  • Waarom: Ir is sterk onregelmatig. De vorm bij eu is vou, niet een vorm die je rechtstreeks van ir afleidt.

2. Het lidwoord niet met a samentrekken

  • Fout: Vamos a a praia.
  • Goed: Vamos à praia.
  • Waarom: a + a wordt verplicht à. Op dezelfde manier krijg je ao, aos en às.

3. A tussen ir en de infinitief zetten

  • Fout: Vou a estudar esta noite.
  • Goed: Vou estudar esta noite.
  • Waarom: In de gewone constructie voor een plan of nabije toekomst volgt de infinitief direct op de vervoegde vorm van ir. Het a hoort bij een bestemming, niet bij deze toekomstconstructie.

4. De meervoudsvorm zonder tilde schrijven

  • Fout: Eles vao de carro.
  • Goed: Eles vão de carro.
  • Waarom: Vão heeft altijd een tilde boven de a. Die spelling onderscheidt de vorm ook duidelijk van vai.

5. A gente met vamos combineren

  • Fout: A gente vamos amanhã.
  • Goed: A gente vai amanhã.
  • Waarom: A gente betekent in de omgangstaal ‘wij’, maar gedraagt zich grammaticaal als derde persoon enkelvoud. Gebruik nós vamos als je vamos wilt gebruiken.

6. Nederlands naar altijd op dezelfde manier vertalen

  • Fout of onnatuurlijk als algemene regel: overal alleen a gebruiken, bijvoorbeeld Vou a casa wanneer je gewoon ‘Ik ga naar huis’ bedoelt.
  • Goed: Vou para casa.
  • Waarom: Portugees verdeelt de functies van Nederlands naar over onder meer a en para. Leer veelvoorkomende bestemmingen als vaste woordgroepen in plaats van woord voor woord te vertalen.

Gebruiksnotities

Europees en Braziliaans Portugees verschillen vooral in voorkeur, niet in de basisvervoeging. In Portugal is ir a bij veel alledaagse bestemmingen zeer gangbaar: ir ao cinema, ir à escola. In Brazilië hoor je vaak ir para, in informele uitspraak meestal ir pra: ir pra escola. In sommige Braziliaanse spreektaal komt ook ir em voor, maar in neutrale, verzorgde taal zijn ir a en ir para veiliger.

De keuze van het onderwerp verschilt eveneens. Tu vais is normaal in Portugal en in delen van Brazilië. Elders in Brazilië is você vai gebruikelijker. De vorm vai kan daardoor zowel ‘hij/zij gaat’ als ‘u/jij gaat’ betekenen; de context maakt duidelijk wie bedoeld wordt. Voor een groep gebruikt men gewoonlijk vocês vão, niet vós ides.

Vamos heeft twee zeer gewone functies. Als gewone mededeling betekent het ‘we gaan’: Vamos de carro. Als aansporing betekent het ‘laten we gaan’ of ‘kom, we gaan’: Vamos! De intonatie en context maken het verschil. Je hoort ook Vamos lá! als aanmoediging: afhankelijk van de situatie is dat ‘Kom op!’ of ‘Aan de slag!’.

Bij vervoermiddelen varieert de woordenschat per regio. Portugal gebruikt bijvoorbeeld vaak autocarro, Brazilië ônibus. De grammatica blijft gelijk: ir de autocarro en ir de ônibus.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1-niveau nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later vaak tegenkomen.

Verleden en dubbelzinnigheid met ser

De eenvoudige verleden tijd voor een afgeronde handeling (pretérito perfeito) begint bij ir met fui, foste, foi, fomos, fostes, foram: Fui ao Porto ontem (‘Ik ging gisteren naar Porto’). Opvallend is dat deze vormen precies gelijk zijn aan de overeenkomstige verleden vormen van ser (‘zijn’): Foi difícil betekent ‘Het was moeilijk’, terwijl Foi ao médico ‘Hij/zij ging naar de dokter’ betekent. De woorden eromheen lossen de dubbelzinnigheid vrijwel altijd op.

Gebiedende vormen

Bij opdrachten en aansporingen verschijnen vormen zoals vai (‘ga’, informeel), (‘gaat u’ of een andere derde-persoonsaansporing), vamos (‘laten we gaan’) en vão (‘gaat u/jullie’ in een passende meervoudscontext). Ontkennende opdrachten hebben andere vormen: Não vás! (‘Ga niet!’ tegen tu) en Não vá! (‘Gaat u niet!’). Dit hoort bij een latere behandeling van de gebiedende wijs en de aanvoegende wijs (werkwoordsvormen voor onder meer wens, twijfel en aansporing).

Ir in voortgangsconstructies

Om nadrukkelijk te zeggen dat iemand op dit moment onderweg is, gebruikt Europees Portugees vaak estar a ir: Estou a ir para casa (‘Ik ben op weg naar huis’). In Braziliaans Portugees is estar indo gebruikelijker: Estou indo para casa. Het voltooid deelwoord ido komt voor in samengestelde vormen, bijvoorbeeld Tenho ido ao ginásio (‘Ik ben de laatste tijd geregeld naar de sportschool gegaan’). Deze constructies zijn geen onderdeel van de eenvoudige A1-regel, maar verklaren vormen die je in gesprekken en teksten kunt tegenkomen.

Nabije toekomst en gewone tegenwoordige tijd

Een geplande toekomst kan ook met alleen de tegenwoordige tijd worden uitgedrukt, vooral wanneer een tijdsbepaling aanwezig is: Amanhã viajo para Lisboa (‘Morgen reis ik naar Lissabon’). Amanhã vou viajar para Lisboa legt het plan nadrukkelijker neer. Daarnaast heeft het Portugees een aparte toekomende tijd, zoals viajarei. In het dagelijks taalgebruik is ir + infinitief vaak natuurlijker, maar de precieze keuze hangt af van stijl, context en regio.

Oefentips

  1. Leer de vormen in twee ritmes. Zeg eerst vou, vais, vai en daarna vamos, ides, vão. Maak vervolgens eigen zinnen met de vijf vormen die je het vaakst nodig hebt; behandel ides vooral als herkenningsvorm.
  2. Oefen bestemmingen als complete blokken. Schrijf bijvoorbeeld ao trabalho, à escola, para casa, a Lisboa en para o Porto op. Zo leer je tegelijk het voorzetsel, het eventuele lidwoord en de samentrekking.
  3. Maak iedere letterlijke beweging tot een plan. Vergelijk Vou ao supermercado met Vou comprar pão. In de eerste zin volgt een bestemming; in de tweede volgt direct een infinitief. Dit contrast helpt om het overbodige a vóór een infinitief af te leren.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Regelmatige werkwoorden op -ar in het PortugeesA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen O Verbo Ir in Portugees met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Portugees · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen