A1

Regelmatige werkwoorden op -are in het Italiaans

Verbi Regolari in -ARE

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Italiaans op Settemila Lingue.

Kort gezegd

Haal bij een regelmatig werkwoord op -are de uitgang van de infinitief en voeg -o, -i, -a, -iamo, -ate, -ano toe: parlare wordt parlo, parli, parla, parliamo, parlate, parlano. Het onderwerp staat vaak niet in de zin, omdat de werkwoordsuitgang al duidelijk maakt wie iets doet.

Overzicht

Werkwoorden op -are vormen de grootste regelmatige werkwoordsgroep in het Italiaans. Je komt ze voortdurend tegen: parlare (spreken), mangiare (eten), abitare (wonen), lavorare (werken), guardare (kijken) en aspettare (wachten). Op A1-niveau leer je deze werkwoorden in de presente, de Italiaanse tegenwoordige tijd.

De infinitief (de onbepaalde vorm, zoals Nederlands spreken of werken) eindigt hier op -are. Om te vertellen wie de handeling uitvoert, verandert die uitgang. Dat is anders dan in het Nederlands, waar verschillende personen vaak dezelfde vorm hebben: wij werken en zij werken. In het Italiaans zijn lavoriamo en lavorano duidelijk van elkaar te onderscheiden.

Daardoor kan het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert) meestal worden weggelaten. Parlo italiano betekent al ‘Ik spreek Italiaans’; io is niet nodig om ‘ik’ aan te geven. Dat maakt de uitgangen extra belangrijk: ze geven informatie die een Nederlandstalige eerder bij een voornaamwoord verwacht.

Hoe het werkt

Stap 1: vind de stam

Verwijder -are van de infinitief. Wat overblijft, is de stam (het vaste deel waarop je de uitgangen zet).

Infinitief Betekenis Stam
parlare spreken parl-
abitare wonen abit-
lavorare werken lavor-
guardare kijken guard-

Stap 2: voeg de persoonsuitgang toe

Dit is het volledige patroon van parlare in de tegenwoordige tijd:

Persoon Uitgang parlare Nederlandse betekenis
io -o parlo ik spreek
tu -i parli jij spreekt
lui / lei / Lei -a parla hij/zij spreekt; u spreekt
noi -iamo parliamo wij spreken
voi -ate parlate jullie spreken
loro -ano parlano zij spreken

Een handige leerrij is dus: -o, -i, -a, -iamo, -ate, -ano. Leer die niet alleen als losse letters, maar ook hardop met één werkwoord: parlo, parli, parla, parliamo, parlate, parlano.

Het onderwerp hoeft er meestal niet bij

Omdat elke uitgang een persoon aanwijst, zijn io, tu, noi, voi en loro vaak overbodig:

  • Lavoro a casa. — Ik werk thuis.
  • Abitiamo a Roma. — Wij wonen in Rome.
  • Mangiano presto. — Zij eten vroeg.

Een voornaamwoord is wel nuttig bij nadruk of contrast: Io lavoro a casa, ma lei lavora in ufficio (Ík werk thuis, maar zij werkt op kantoor). Bij de derde persoon kan de context nodig zijn, want parla kan ‘hij spreekt’, ‘zij spreekt’ of ‘u spreekt’ betekenen.

Ontkenningen en vragen

Voor een ontkenning zet je non direct vóór het vervoegde werkwoord:

  • Non lavoro il sabato. — Ik werk niet op zaterdag.
  • Non guardiamo la televisione. — Wij kijken geen televisie.

Een ja-neevraag hoeft in het Italiaans geen aparte woordvolgorde te krijgen. Je hoort de vraag aan de intonatie en ziet hem in schrift aan het vraagteken:

  • Lavori qui? — Werk je hier?
  • Parlate italiano? — Spreken jullie Italiaans?

Dat wijkt af van het Nederlands, waar het werkwoord in zo’n vraag doorgaans vóór het onderwerp staat: jij werkt wordt werk jij? In het Italiaans kan het onderwerp eenvoudig wegblijven. Staat het er wel, dan is Tu lavori qui? ook mogelijk, vaak met extra nadruk op tu.

Spelling bij -care en -gare

Bij werkwoorden als cercare (zoeken) en pagare (betalen) wordt vóór i een h toegevoegd. Zo blijft de harde klank van c of g behouden. De h is dus geen aparte uitgang.

Persoon cercare pagare
io cerco pago
tu cerchi paghi
lui / lei / Lei cerca paga
noi cerchiamo paghiamo
voi cercate pagate
loro cercano pagano

De h verschijnt in de tegenwoordige tijd dus bij tu en noi, omdat hun uitgangen met i beginnen.

Spelling bij -ciare en -giare

In werkwoorden als cominciare (beginnen) en mangiare (eten) zorgt de i in de infinitief voor de zachte klank. Vóór een uitgang die al met i begint, schrijf je gewoonlijk geen dubbele i:

Persoon cominciare mangiare
io comincio mangio
tu cominci mangi
lui / lei / Lei comincia mangia
noi cominciamo mangiamo
voi cominciate mangiate
loro cominciano mangiano

Ook bij veel voorkomende werkwoorden op -iare, zoals studiare, schrijf je studi en studiamo, niet twee i’s. Bij enkele minder eenvoudige werkwoorden hangt de spelling samen met de klemtoon; die hoef je voor de basisregel nog niet te leren.

Voorbeelden in context

Italiaans Nederlands Opmerking
Io parlo italiano. Ik spreek Italiaans. Io is mogelijk, bijvoorbeeld als nadruk.
Tu mangi la pizza. Jij eet pizza. Informeel enkelvoud.
Noi abitiamo a Roma. Wij wonen in Rome. Abitare a bij een stad.
Loro lavorano in banca. Zij werken bij een bank. Derde persoon meervoud.
Guardo un film con Marta. Ik kijk met Marta naar een film. Het onderwerp io is weggelaten.
Aspettiamo l’autobus davanti alla stazione. We wachten op de bus voor het station. Italiaans gebruikt hier geen woord dat precies met op overeenkomt.
Cercate un ristorante economico? Zoeken jullie een betaalbaar restaurant? Vraag zonder uitgesproken onderwerp.
Marco paga il caffè. Marco betaalt de koffie. Pagare krijgt hier geen h.
Paghi tu o pago io? Betaal jij of betaal ik? De voornaamwoorden maken het contrast duidelijk.
I bambini giocano in giardino. De kinderen spelen in de tuin. Een zelfstandig naamwoord is het onderwerp.
Non compriamo il pane oggi. We kopen vandaag geen brood. Non staat vóór compriamo.
Cominciate alle nove? Beginnen jullie om negen uur? Regelmatige spelling van cominciare.
Lei parla olandese? Spreekt u Nederlands? Beleefd Lei met de vorm op -a.
Studio italiano ogni sera. Ik studeer elke avond Italiaans. Gewoonte in de tegenwoordige tijd.
Domani visitiamo Firenze. Morgen bezoeken we Florence. De tegenwoordige tijd kan een afgesproken toekomst aangeven.

Veelgemaakte fouten

De infinitief als persoonsvorm gebruiken

  • Onjuist: Io parlare italiano.
  • Juist: Io parlo italiano.
  • Waarom: Parlare is de infinitief. Na een onderwerp heb je in een gewone hoofdzin een vervoegde vorm nodig. Het Nederlands laat het verschil ook zien in ik spreek tegenover spreken, maar de Italiaanse uitgang is anders.

De Nederlandse meervoudsvorm op alle meervoudige personen projecteren

  • Onjuist: Noi parlano italiano.
  • Juist: Noi parliamo italiano.
  • Waarom: Nederlands gebruikt spreken bij zowel wij als zij. Italiaans maakt onderscheid: noi parliamo, maar loro parlano.

Het onderwerp weglaten én de verkeerde uitgang kiezen

  • Onjuist: Lavora a casa voor ‘Ik werk thuis’.
  • Juist: Lavoro a casa.
  • Waarom: Als het voornaamwoord ontbreekt, draagt de uitgang alle informatie. Lavoro hoort bij io; lavora hoort bij lui, lei of beleefd Lei.

De spellingregel bij -care en -gare vergeten

  • Onjuist: Tu cerci un hotel; noi pagiamo.
  • Juist: Tu cerchi un hotel; noi paghiamo.
  • Waarom: De h houdt de c en g hard vóór de i van de uitgang.

Een overbodige extra i schrijven

  • Onjuist: Tu mangii; noi cominciiamo.
  • Juist: Tu mangi; noi cominciamo.
  • Waarom: Bij de gewone vormen van mangiare en cominciare schrijf je geen dubbele i wanneer de uitgang al met i begint.

Denken dat elk werkwoord op -are regelmatig is

  • Onjuist: Io ando al lavoro.
  • Juist: Io vado al lavoro.
  • Waarom: De uitgang van de infinitief vertelt tot welke groep een werkwoord lijkt te behoren, maar garandeert geen regelmatig patroon. Zeer frequente werkwoorden als andare, fare, stare en dare zijn onregelmatig.

Gebruiksnotities

De Italiaanse presente dekt meerdere Nederlandse formuleringen. Lavoro kan afhankelijk van de context ‘ik werk’, ‘ik ben aan het werk’ of ‘ik werk doorgaans’ betekenen. Voor een handeling die nadrukkelijk op dit moment bezig is, bestaat ook stare met een gerundium (een werkwoordsvorm op bijvoorbeeld -ando): Sto lavorando betekent nadrukkelijk ‘Ik ben aan het werk’. Gebruik die constructie niet automatisch telkens wanneer het Nederlands aan het gebruikt; de gewone presente is vaak genoeg.

Bij een nabije of vastgelegde toekomst kan de presente eveneens natuurlijk zijn: Domani lavoriamo a casa (Morgen werken we thuis). Een tijdsaanduiding zoals domani maakt duidelijk dat het niet over nu gaat.

Let ook op beleefd aanspreken. Lei betekent ‘u’, maar krijgt dezelfde derde-persoonsvorm als lui en lei: Lei parla italiano? In hedendaagse teksten zie je voor het beleefde voornaamwoord zowel Lei met hoofdletter als lei met kleine letter; de hoofdletter voorkomt verwarring en is voor beginners een duidelijke keuze. Voor meerdere aangesproken personen gebruikt het moderne Italiaans gewoonlijk voi: Parlate italiano?

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze helpen om latere vormen te herkennen.

Wederkerende werkwoorden op -arsi

Een werkwoord als chiamarsi (heten, letterlijk ‘zich noemen’) bestaat uit chiamare plus het wederkerende deeltje si. De werkwoordsuitgangen blijven die van een regelmatig -are-werkwoord, maar er komt een klein voornaamwoord vóór:

  • mi chiamo — ik heet
  • ti chiami — jij heet
  • si chiama — hij/zij heet; u heet
  • ci chiamiamo — wij heten
  • vi chiamate — jullie heten
  • si chiamano — zij heten

Na een modaal werkwoord blijft -are staan

Na potere (kunnen), volere (willen) en dovere (moeten) staat het tweede werkwoord in de infinitief: Posso parlare?, Vogliamo mangiare, Devono lavorare. Alleen het eerste werkwoord wordt vervoegd. Vergelijk het Nederlands: ook in wij willen werken blijft werken een infinitief.

Andere tijden bouwen verder op dezelfde werkwoordsgroep

Regelmatige werkwoorden op -are vormen later vaak herkenbare families, bijvoorbeeld het voltooid deelwoord (de vorm die je onder meer met ‘hebben’ gebruikt) op -ato (parlato, lavorato) en de onvoltooid verleden tijd met -av- (parlavo, lavoravamo). Dat zijn andere grammaticale onderwerpen; leid zulke vormen niet alleen uit de tegenwoordige tijd af.

Ook gebiedende vormen hebben hun eigen patroon. Parla! kan ‘Spreek!’ betekenen, terwijl parla in een mededelende zin ‘hij/zij spreekt’ betekent. De situatie en de intonatie maken het verschil.

Oefentips

  1. Werk dagelijks met één stam. Schrijf bijvoorbeeld lavor- en voeg zonder spieken alle zes uitgangen toe. Doe daarna hetzelfde met abitare, guardare en aspettare. Zeg elke rij hardop; zo oefen je spelling én klank.
  2. Maak contrastparen. Zet bewust noi tegenover loro: noi parliamo / loro parlano, noi mangiamo / loro mangiano. Dit voorkomt de typische Nederlandse neiging om voor beide meervouden één vorm te verwachten.
  3. Bouw korte, echte zinnen. Noteer drie dingen die je vaak doet, één ding dat je niet doet en één vraag: Lavoro a casa. Non cucino ogni giorno. Guardi spesso film italiani? Laat de onderwerpvoornaamwoorden eerst weg en voeg ze alleen toe als je nadruk wilt leggen.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Onderwerpsvoornaamwoorden in het ItaliaansA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen