Het werkwoord *fazer* in het Portugees
O Verbo Fazer
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Portugees op Settemila Lingue.
In het kort
Fazer betekent meestal doen of maken, maar komt ook voor in vaste uitdrukkingen zoals fazer desporto (sporten), fazer anos (jarig zijn) en faz calor (het is warm). In de tegenwoordige tijd is het onregelmatig: faço, fazes, faz, fazemos, fazeis, fazem. Vooral de vorm faço moet je apart onthouden.
Overzicht
Fazer is een van de meest gebruikte Portugese werkwoorden. Je gebruikt het voor een activiteit of taak, voor het maken of bereiden van iets en in allerlei alledaagse combinaties. Het Nederlandse onderscheid tussen doen en maken helpt daarom maar gedeeltelijk: beide woorden kunnen in het Portugees met fazer worden vertaald. Faço o jantar kan bijvoorbeeld betekenen dat ik het avondeten maak, terwijl O que fazes? vraagt wat je doet.
Dit werkwoord leer je al op A1-niveau. Het is een infinitief (de onverbogen vorm van het werkwoord) op -er, maar het volgt niet overal het regelmatige patroon van werkwoorden zoals comer. De vormen bij tu, ele/ela/você, nós, vós en eles/elas/vocês lijken herkenbaar; bij eu verandert de stam duidelijk in faç-.
Daarnaast leer je fazer het best in hele woordgroepen. Portugees en Nederlands combineren namelijk niet altijd hetzelfde werkwoord met hetzelfde zelfstandig naamwoord. Waar een Nederlander spontaan sporten, een wandeling maken of jarig zijn zegt, gebruikt het Portugees vaak fazer. Zulke combinaties zijn geen uitzonderlijke bijzaken, maar behoren tot het dagelijkse taalgebruik.
Hoe het werkt
De tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd, in het Portugees presente do indicativo, gebruik je voor wat nu gebeurt, wat gewoonlijk gebeurt en wat in het algemeen waar is.
| Persoon | Vorm van fazer | Nederlandse betekenis |
|---|---|---|
| eu | faço | ik doe / maak |
| tu | fazes | jij doet / maakt |
| ele / ela / você | faz | hij / zij doet of maakt; u doet / maakt |
| nós | fazemos | wij doen / maken |
| vós | fazeis | jullie doen / maken |
| eles / elas / vocês | fazem | zij doen / maken; jullie doen / maken |
Let bij faço op de cedille onder de c. De spelling ç zorgt vóór o voor een s-klank. Zonder cedille zou de c als een k klinken. Vormen als fazes en faz hebben gewoon een z. De spelling volgt dus de uitspraak; schrijf niet op basis van één vaste stam vormen als fazo.
Portugees laat het onderwerp (wie de handeling uitvoert) vaak weg, omdat de werkwoordsvorm al veel informatie geeft:
- Faço o almoço. — Ik maak de lunch.
- Fazemos exercício de manhã. — Wij doen 's ochtends aan lichaamsbeweging.
- Fazem tudo juntos. — Zij doen alles samen.
Bij faz kan de context nodig zijn om te weten of het onderwerp ele, ela of você is. Ook bij fazem kan het om eles, elas of vocês gaan.
Doen, maken en uitvoeren
Gebruik fazer wanneer iemand iets doet, verricht, vervaardigt of bereidt. Het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat) staat doorgaans na het werkwoord:
- fazer o trabalho — het werk doen
- fazer os exercícios — de oefeningen maken
- fazer uma mesa — een tafel maken
- fazer o almoço — de lunch bereiden
- fazer uma pergunta — een vraag stellen
De laatste combinatie laat zien waarom letterlijk vertalen riskant is. In het Nederlands stel je een vraag; in het Portugees “maak” je die met fazer uma pergunta. Leer daarom liever de volledige combinatie dan alleen het losse werkwoord.
Activiteiten en vaste combinaties
Veel activiteiten worden met fazer uitgedrukt:
| Portugese combinatie | Gebruikelijke Nederlandse weergave |
|---|---|
| fazer desporto | sporten |
| fazer exercício | aan lichaamsbeweging doen |
| fazer uma caminhada | een wandeling maken |
| fazer compras | boodschappen doen / winkelen |
| fazer uma viagem | een reis maken |
| fazer uma pausa | een pauze nemen |
| fazer uma fotografia | een foto maken |
| fazer planos | plannen maken |
| fazer barulho | lawaai maken |
| fazer sentido | logisch zijn / steek houden |
Niet elke combinatie met Nederlands doen of maken krijgt automatisch fazer. Je neemt bijvoorbeeld een beslissing met tomar uma decisão, en voor “het bed opmaken” is fazer a cama wél de normale combinatie. Controleer bij twijfel de hele woordgroep.
Het weer: faz calor en faz frio
Voor algemene weersomstandigheden staat fazer in de onpersoonlijke derde persoon enkelvoud: faz. Onpersoonlijk betekent hier dat er geen concrete persoon of zaak is die de handeling uitvoert.
- Faz calor. — Het is warm.
- Faz frio de manhã. — 's Ochtends is het koud.
- Hoje faz bom tempo. — Vandaag is het mooi weer.
- No inverno faz mau tempo. — In de winter is het slecht weer.
Gebruik hier altijd faz, ook als je over meerdere dagen of plaatsen praat: No Porto e em Braga faz frio hoje. Het Nederlandse het in “het is warm” krijgt geen apart Portugees onderwerp. Zeg dus niet ele faz calor.
Niet elk weerwoord gebruikt fazer. Voor regen en sneeuw zijn chover en nevar de gewone werkwoorden: Chove muito (het regent veel) en Neva na serra (het sneeuwt in de bergen). Voor een toestand kun je ook estar tegenkomen, bijvoorbeeld Está sol of Está frio. Met calor, frio, bom tempo en mau tempo is fazer echter een basispatroon dat je vroeg moet herkennen.
Leeftijd en verjaardag: fazer anos
Fazer anos betekent dat iemand jarig is of een bepaalde leeftijd bereikt. Het onderwerp is de jarige en het werkwoord verandert dus mee:
- Faço anos amanhã. — Ik ben morgen jarig.
- A Marta faz anos em maio. — Marta is in mei jarig.
- O meu filho faz dez anos hoje. — Mijn zoon wordt vandaag tien.
Vertaal deze uitdrukking niet woord voor woord als “jaren maken”. Met een getal gaat het om de leeftijd die iemand bereikt; zonder getal gaat het meestal om jarig zijn.
Vragen en ontkenningen
Voor een gewone vraag blijft de woordvolgorde vaak hetzelfde. De vraagintonatie of een vraagwoord maakt duidelijk dat het om een vraag gaat:
- Fazes desporto? — Sport je?
- O que fazes ao sábado? — Wat doe je op zaterdag?
- Quem faz o jantar hoje? — Wie maakt vandaag het avondeten?
Voor een ontkenning zet je não direct vóór de vervoegde vorm:
- Não faço café de manhã. — Ik zet 's ochtends geen koffie.
- Eles não fazem barulho. — Zij maken geen lawaai.
Anders dan in het Nederlands heb je geen apart hulpwerkwoord zoals doen nodig om een vraag of ontkenning te vormen. De vorm van fazer blijft het centrale werkwoord.
Voorbeelden in context
| Portugees | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| O que fazes agora? | Wat doe je nu? | Informele vraag aan één persoon. |
| Faço desporto três vezes por semana. | Ik sport drie keer per week. | Vaste combinatie voor een activiteit. |
| A Leonor faz os trabalhos de casa depois do jantar. | Leonor maakt haar huiswerk na het avondeten. | Fazer os trabalhos de casa betekent huiswerk maken. |
| Fazemos o jantar juntos. | We maken samen het avondeten. | Bereiden of maken van eten. |
| Vocês fazem compras ao sábado? | Doen jullie op zaterdag boodschappen? | Vocês krijgt fazem. |
| O Rui faz uma pergunta ao professor. | Rui stelt de leraar een vraag. | In het Nederlands gebruiken we hier stellen. |
| Hoje faz muito calor em Lisboa. | Vandaag is het erg warm in Lissabon. | Onpersoonlijke weeruitdrukking met faz. |
| No inverno, faz frio nesta casa. | In de winter is het koud in dit huis. | Ook hier staat het werkwoord in het enkelvoud. |
| Faço anos na próxima semana. | Ik ben volgende week jarig. | Fazer anos zonder getal. |
| A minha avó faz oitenta anos hoje. | Mijn oma wordt vandaag tachtig. | Met een getal: een leeftijd bereiken. |
| Não fazemos barulho à noite. | We maken 's nachts geen lawaai. | Não staat vóór het werkwoord. |
| Quem faz o almoço amanhã? | Wie maakt morgen de lunch? | Quem vraagt naar de handelende persoon. |
| Este plano não faz sentido. | Dit plan is niet logisch. | Veelvoorkomende vaste uitdrukking. |
| Eles fazem uma caminhada junto ao rio. | Ze maken een wandeling langs de rivier. | Alledaagse activiteit. |
Veelgemaakte fouten
1. Fazer als een volledig regelmatig werkwoord vervoegen
- Onjuist: Eu fazo o jantar.
- Juist: Eu faço o jantar.
- Waarom: de ik-vorm is onregelmatig en wordt met ç geschreven. Leer faço als afzonderlijke vorm.
2. De verkeerde persoon na você gebruiken
- Onjuist: Você fazes desporto?
- Juist: Você faz desporto?
- Waarom: você verwijst naar de aangesproken persoon, maar krijgt grammaticaal de derde persoon enkelvoud: faz. Fazes hoort bij tu.
3. Een onderwerp toevoegen aan een weeruitdrukking
- Onjuist: Ele faz calor hoje.
- Juist: Faz calor hoje.
- Waarom: bij deze weeruitdrukking is fazer onpersoonlijk. Het Nederlandse lege onderwerp het wordt niet als ele vertaald.
4. De meervoudsvorm bij weer gebruiken
- Onjuist: No verão fazem dias de muito calor.
- Juist: No verão faz muito calor.
- Waarom: voor de algemene mededeling “in de zomer is het erg warm” blijft faz enkelvoud. Alleen met een werkelijk meervoudig onderwerp gebruik je fazem, zoals in Os dias quentes fazem parte do verão.
5. Fazer anos letterlijk begrijpen
- Onjuist bedoeld: Eu sou anos amanhã.
- Juist: Faço anos amanhã.
- Waarom: Nederlands gebruikt jarig zijn, maar Portugees gebruikt de vaste combinatie fazer anos. Voor “ik word dertig” zeg je Faço trinta anos.
6. Elk Nederlands “maken” automatisch met fazer vertalen
- Onjuist: Faço uma decisão agora.
- Juist: Tomo uma decisão agora.
- Waarom: woordcombinaties verschillen per taal. De gebruikelijke Portugese combinatie is tomar uma decisão. Onthoud fazer samen met de woorden waarmee het werkelijk voorkomt.
Gebruiksnotities
Het concept en de vervoeging hierboven sluiten vooral aan bij Europees Portugees. Daar is tu fazes heel gewoon bij vrienden, familie en andere informele contacten. Você faz bestaat ook, maar de keuze en gevoelswaarde van você verschillen per streek en situatie. In beleefde gesprekken wordt het voornaamwoord bovendien vaak weggelaten of vervangen door een naam of titel; de werkwoordsvorm blijft dan faz.
In Braziliaans Portugees is você faz in veel regio's de normale informele enkelvoudsvorm. Voor het meervoud gebruikt men doorgaans vocês fazem. De vorm vós fazeis behoort wel tot het volledige paradigma, maar is in gewoon hedendaags taalgebruik zeldzaam; je ziet haar eerder in oudere, plechtige of religieuze teksten en in enkele regionale gebruikswijzen. Als beginner moet je fazeis kunnen herkennen, maar je hoeft haar niet meteen actief te gebruiken.
Ook de woordenschat kan regionaal verschillen. Europees Portugees gebruikt vaak fazer desporto en fazer uma fotografia; in Brazilië hoor je eerder praticar esporte en tirar uma foto. Dat maakt de Europese vormen niet fout in Brazilië, maar ze kunnen er minder alledaags klinken. Kies in je eigen spreken één hoofdvariant en leer andere vormen vooral herkennen.
Verder dan de basis
De volgende punten hoef je op A1-niveau nog niet te beheersen, maar ze maken duidelijk waarom fazer ook later belangrijk blijft.
Andere tijden en het voltooid deelwoord
De verleden vorm fiz komt zeer vaak voor: Ontem fiz o jantar betekent “Gisteren heb ik het avondeten gemaakt.” Het voltooid deelwoord (de vorm die onder meer in samengestelde tijden wordt gebruikt) is onregelmatig: feito, niet fazido. Bijvoorbeeld: Já tenho o trabalho feito — “Ik heb het werk al af.” De volledige verleden tijden vormen een apart leeronderwerp; onthoud voorlopig vooral dat de onregelmatigheid niet tot faço beperkt blijft.
Fazer plus infinitief
In de constructie fazer + infinitief kan fazer betekenen dat iemand ervoor zorgt dat een ander iets doet of dat iets gebeurt. Dit heet een causatieve constructie: de ene persoon veroorzaakt de handeling van een andere persoon.
- O filme faz-me rir. — De film laat me lachen.
- A notícia fez toda a gente pensar. — Het nieuws zette iedereen aan het denken.
De plaats van voornaamwoorden zoals me hangt samen met regels die je pas later leert. Herken eerst de betekenis “laten” of “ervoor zorgen dat”.
Fazer-se en betekenis door de context
Met het wederkerende fazer-se kan de betekenis veranderen:
- Faz-se tarde. — Het wordt laat.
- Ela fez-se médica. — Zij werd arts.
- Como se faz isto? — Hoe maak/doe je dit?
In de laatste zin is se geen letterlijk Nederlands “zich”; de zin drukt algemeen uit hoe iets wordt gedaan. Zulke patronen laten zien dat je bij veelgebruikte werkwoorden niet alleen een woordenboekbetekenis, maar ook de hele zinsbouw moet leren.
Tijdsduur
In Braziliaans Portugees kun je faz + tijdsduur + que aantreffen voor iets dat een bepaalde tijd geleden begon: Faz dois anos que estudo português — “Ik studeer nu twee jaar Portugees.” In Europees Portugees is Há dois anos que estudo português gebruikelijker. Dit is een gevorderd verschil in tijdsaanduiding; verwar het niet met fazer anos, dat over een verjaardag of bereikte leeftijd gaat.
Oefentips
- Leer zes korte ankerzinnen. Maak één persoonlijke zin met elke vorm: faço, fazes, faz, fazemos, fazeis, fazem. Gebruik voor fazeis eventueel alleen een herkenningszin en richt je actief op de vormen die in jouw gekozen variant gangbaar zijn.
- Maak woordgroepen in plaats van losse woorden. Zet op kaartjes bijvoorbeeld fazer compras — boodschappen doen, fazer uma pergunta — een vraag stellen en fazer anos — jarig zijn. Zo voorkom je dat je vanuit het Nederlands elk werkwoord letterlijk kiest.
- Oefen drie betekenissen apart. Beschrijf dagelijks één taak (Faço o almoço), één activiteit (Faço desporto) en het weer (Faz frio). Voeg daarna vragen en ontkenningen toe: Fazes desporto? Não faço desporto hoje.
Verwante onderwerpen
- Eerst leren: Regelmatige werkwoorden op -ER — geeft het basispatroon waarmee je de onregelmatige vormen van fazer kunt vergelijken.