A2

Relatieve voornaamwoorden *que* en *quem* in het Portugees

Pronomes Relativos: que, quem

languages.seo.contextNote

In het kort

Gebruik meestal que om extra informatie over een persoon of zaak aan een zin toe te voegen: o homem que fala en o livro que leio. Que verandert nooit van vorm. Gebruik quem vooral voor personen na een voorzetsel: a pessoa com quem falei.

Overzicht

Met een relatief voornaamwoord verbind je twee mededelingen die over dezelfde persoon of zaak gaan. Van O homem fala en O homem é o meu pai maak je bijvoorbeeld O homem que fala é o meu pai: “De man die spreekt, is mijn vader.” Het deel que fala is een relatieve bijzin: een bijzin die nadere informatie geeft over o homem.

Dit onderwerp hoort bij A2, omdat je met slechts twee woorden al veel natuurlijkere en minder herhalende zinnen kunt maken. Que is daarbij het gewone, breed inzetbare woord. Het kan naar mensen, dieren, dingen en ideeën verwijzen. Quem heeft een beperktere taak: het verwijst naar personen en staat in de basisregel na een voorzetsel, zoals com (met), de (van/over) of para (voor/naar).

Voor Nederlandstaligen is vooral que even wennen. Het Nederlands kiest onder meer tussen “die” en “dat”: de vrouw die, het boek dat. Het Portugees maakt dat onderscheid niet. Zowel enkelvoud als meervoud en zowel mannelijk als vrouwelijk krijgen dezelfde vorm que. Later in dit artikel komen nuances aan bod die je op A2 nog niet actief hoeft te beheersen.

Zo werkt het

De basisstructuur

Een relatieve bijzin staat direct bij het antecedent (de persoon of zaak waarnaar het relatieve voornaamwoord verwijst):

Opbouw Portugees voorbeeld Nederlandse betekenis
zelfstandig naamwoord + que + werkwoord a mulher que trabalha aqui de vrouw die hier werkt
zelfstandig naamwoord + que + onderwerp + werkwoord o filme que nós vimos de film die wij zagen
persoon + voorzetsel + quem + werkwoord o amigo com quem viajei de vriend met wie ik reisde

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een persoon, dier, ding of begrip, zoals mulher, filme of ideia. De volledige woordgroep vóór que of quem kan ook het antecedent zijn: os novos colegas que chegaram ontem.

Que als onderwerp

Que kan in de relatieve bijzin het onderwerp zijn: degene of datgene dat de handeling uitvoert. Er komt dan niet nog een apart onderwerp achter que.

  • O homem que fala é o meu pai. — De man die spreekt, is mijn vader.
  • Os estudantes que vieram são de Coimbra. — De studenten die kwamen, komen uit Coimbra.
  • A máquina que faz o café está avariada. — De machine die de koffie maakt, is stuk.

Het werkwoord past zich aan het antecedent aan. Vergelijk o estudante que veio met os estudantes que vieram. Que zelf blijft onveranderd.

Que als lijdend voorwerp

Que kan ook het lijdend voorwerp zijn: de persoon of zaak die de handeling ondergaat. In dat geval heeft de relatieve bijzin nog een eigen onderwerp.

  • O livro que estou a ler é bom. — Het boek dat ik aan het lezen ben, is goed.
  • A receita que a Ana preparou é simples. — Het recept dat Ana heeft klaargemaakt, is eenvoudig.
  • As pessoas que conhecemos moram aqui. — De mensen die wij kennen, wonen hier.

In que a Ana preparou is a Ana het onderwerp en verwijst que naar wat zij klaarmaakte. Net als het Nederlandse “die/dat” mag Portugees que hier niet zomaar worden weggelaten: niet o livro estou a ler, maar o livro que estou a ler.

Eén vorm voor alle antecedenten

Que krijgt geen uitgang voor geslacht of getal. Dat is eenvoudiger dan het Nederlandse verschil tussen “die” en “dat”.

Antecedent Met relatieve bijzin Nederlands
o homem o homem que chegou de man die aankwam
a mulher a mulher que chegou de vrouw die aankwam
o livro o livro que comprei het boek dat ik kocht
as cartas as cartas que recebi de brieven die ik ontving

Vraag dus niet welk Portugees woord bij o, a, enkelvoud of meervoud past. In deze basiszinnen is het antwoord steeds que.

Quem na een voorzetsel

Gebruik quem wanneer het antecedent een persoon is en het werkwoord of de betekenis een voorzetsel vereist. Een voorzetsel is een kort verbindingswoord zoals com, de, a, por of para.

Voorzetsel + quem Voorbeeld Betekenis
com quem a colega com quem trabalho de collega met wie ik werk
de quem o autor de quem gosto de schrijver van wie ik houd
a quem a pessoa a quem escrevi de persoon aan wie ik schreef
por quem os candidatos por quem votámos de kandidaten op wie wij stemden
para quem a amiga para quem comprei isto de vriendin voor wie ik dit kocht

Ook quem is onveranderlijk: a pessoa com quem falei en as pessoas com quem falei. Het woord krijgt dus geen meervoudsuitgang.

Bij een zaak gebruik je na een voorzetsel gewoonlijk que, niet quem: o assunto de que falámos (“het onderwerp waarover we spraken”). In formelere of complexere zinnen kom je ook vormen als do qual en sobre o qual tegen; die horen bij een volgende stap.

Het voorzetsel blijft vóór het relatieve voornaamwoord

In verzorgd Portugees staat het voorzetsel dat bij het werkwoord hoort vóór quem of que:

  • Falei com a médica.a médica com quem falei
  • Gosto do autor.o autor de quem gosto
  • Falámos de esse problema.o problema de que falámos

Kijk daarom eerst naar de eenvoudige zin. Als je daarin com alguém, gostar de alguém of falar de algo zegt, blijft dat voorzetsel in de relatieve zin staan. De Nederlandse vertaling helpt niet altijd: Portugese werkwoorden combineren soms met een ander voorzetsel dan hun Nederlandse tegenhanger.

Voorbeelden in context

Portugees Nederlands Toelichting
O homem que fala é o meu pai. De man die spreekt, is mijn vader. Que is het onderwerp van fala.
O livro que estou a ler é bom. Het boek dat ik aan het lezen ben, is goed. Que is het lijdend voorwerp; estou a ler is gebruikelijk in Portugal.
Os estudantes que vieram fizeram muitas perguntas. De studenten die kwamen, stelden veel vragen. Meervoud in vieram, maar que verandert niet.
A fotografia que escolheste ficou bonita. De foto die je hebt gekozen, is mooi geworden. Het verzwegen onderwerp van escolheste is “jij”.
Conheces a senhora que mora no terceiro andar? Ken je de mevrouw die op de derde verdieping woont? Verwijzing naar een persoon zonder voorzetsel.
Este é o café que abre mais cedo. Dit is het café dat het vroegst opengaat. Verwijzing naar een zaak.
Não encontrei as chaves que deixei na mesa. Ik heb de sleutels die ik op tafel heb gelegd niet gevonden. Que verwijst naar het lijdend voorwerp van deixei.
A pessoa com quem falei foi muito simpática. De persoon met wie ik sprak, was erg aardig. Persoon na com: quem.
Os amigos com quem viajámos vivem no Porto. De vrienden met wie we reisden, wonen in Porto. Quem blijft gelijk bij een meervoudig antecedent.
Ela é a professora de quem te falei. Zij is de docent over wie ik je vertelde. Falar de alguém vereist de.
O cliente a quem enviei a mensagem já respondeu. De klant aan wie ik het bericht stuurde, heeft al geantwoord. Enviar algo a alguém vereist a.
Este é o projeto de que mais gosto. Dit is het project dat ik het leukst vind. Een zaak na de krijgt de que.
A música que ouvimos no carro era brasileira. De muziek die we in de auto hoorden, was Braziliaans. Que als lijdend voorwerp.
Quem chega primeiro escolhe a mesa. Wie het eerst komt, kiest de tafel. Zonder genoemd antecedent betekent quem hier “wie/de persoon die”.

Veelgemaakte fouten

Que aanpassen aan geslacht of getal

  • Onjuist: as pessoas ques chegaram
  • Juist: as pessoas que chegaram
  • Waarom: Que is onveranderlijk. Het werkwoord kan wel meervoud worden, maar het relatieve voornaamwoord nooit.

Nederlands “dat” letterlijk omzetten in o que

  • Onjuist: o livro o que comprei
  • Juist: o livro que comprei
  • Waarom: Na een genoemd zelfstandig naamwoord gebruik je hier eenvoudig que. O que heeft andere functies, bijvoorbeeld “wat/datgene wat”, en is niet de Portugese tegenhanger van Nederlands “het ... dat”.

Quem voor een zaak gebruiken

  • Onjuist: o projeto de quem gosto
  • Juist: o projeto de que gosto
  • Waarom: Quem verwijst naar mensen. Projeto is een zaak, dus na de gebruik je que (of op een formeler niveau do qual).

Het vereiste voorzetsel vergeten

  • Onjuist: a pessoa que falei
  • Juist: a pessoa com quem falei
  • Waarom: Je zegt falar com alguém. Dat com moet ook in de relatieve constructie blijven staan. Zonder voorzetsel lijkt het alsof a pessoa het lijdend voorwerp van falei is.

Een extra persoonlijk voornaamwoord toevoegen

  • Onjuist in verzorgde standaardtaal: a mulher que eu falei com ela
  • Juist: a mulher com quem eu falei
  • Waarom: Quem neemt de plaats van ela al in. In informele spreektaal, vooral in Brazilië, hoor je soms constructies met zo'n herhaling, maar neem die niet als basismodel over.

Nederlandse woordvolgorde als vaste leidraad nemen

  • Onjuist: o livro que comprei-o ontem
  • Juist: o livro que comprei ontem
  • Waarom: Que vervult al de rol van “het boek” binnen de bijzin. Voeg daarom niet nog o als voorwerpsvoornaamwoord toe.

Gebruik en nuance

Que is de neutrale standaardkeuze

In alledaags Portugees is que verreweg het frequentste relatieve voornaamwoord. Voor personen is a colega que chegou even normaal als voor zaken o comboio que chegou. Gebruik dus niet automatisch quem zodra je over een mens spreekt. Zonder voorzetsel is que meestal de veilige basiskeuze.

Na een voorzetsel kan bij personen soms ook que voorkomen, zoals a pessoa com que falei, maar com quem is doorgaans natuurlijker en duidelijker wanneer het echt om een persoon gaat. Bij zaken is com que, de que of em que juist normaal.

Portugal en Brazilië

De kernregels voor que en quem gelden in zowel Europees als Braziliaans Portugees. Andere onderdelen van de voorbeeldzin kunnen wel verschillen. In Portugal hoor je bijvoorbeeld vaak o livro que estou a ler; in Brazilië is o livro que estou lendo gebruikelijker. Dat verschil zit in de duurvorm, niet in het relatieve voornaamwoord.

In spontane Braziliaanse spreektaal hoor je geregeld zinnen waarin het voorzetsel wordt weggelaten of het antecedent later met een persoonlijk voornaamwoord wordt herhaald. Voor correct, breed bruikbaar Portugees schrijf en oefen je echter a pessoa com quem falei en o assunto de que falámos/falamos.

Komma's veranderen de betekenis

Een relatieve bijzin zonder komma beperkt over wie of wat je spreekt:

  • Os alunos que estudaram passaram. — De leerlingen die hadden gestudeerd, zijn geslaagd. Mogelijk niet allemaal.

Met komma's voeg je informatie toe over de hele genoemde groep:

  • Os alunos, que estudaram muito, passaram. — De leerlingen, die hard hadden gestudeerd, zijn geslaagd. De zin presenteert dit als informatie over alle genoemde leerlingen.

Het relatieve voornaamwoord blijft que, maar de komma is dus niet alleen een adempauze. Zij kan de bedoelde groep veranderen.

Verder dan de basis

De volgende patronen hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze al snel in gesprekken en teksten tegenkomen.

Quem zonder genoemd antecedent

Quem kan zelfstandig “wie” of “degene die” betekenen. Er staat dan geen afzonderlijk antecedent voor:

  • Quem espera sempre alcança. — Wie geduld heeft, bereikt uiteindelijk zijn doel.
  • Não sei quem telefonou. — Ik weet niet wie er belde.

De eerste zin bevat een vrije relatieve bijzin: quem espera betekent “degene die wacht”. In de tweede zin leidt quem een indirecte vraag in. De vorm is hetzelfde, maar de zinsfunctie verschilt.

O que als “wat” of als verwijzing naar een hele mededeling

Wanneer er geen concreet zelfstandig naamwoord vóór staat, betekent o que vaak “wat” of “datgene wat”:

  • Não entendi o que disseste. — Ik begreep niet wat je zei.
  • Faz o que quiseres. — Doe wat je wilt.

Na een komma kan o que ook naar de hele voorafgaande mededeling verwijzen:

  • Perdemos o último comboio, o que foi muito incómodo. — We misten de laatste trein, wat erg vervelend was.

Dit verklaart waarom o livro o que comprei niet klopt: daar is o livro al het concrete antecedent en volstaat que.

Nadrukconstructies met que en quem

In identificerende zinnen kunnen beide vormen voorkomen:

  • Fui eu que fiz isto. — Ik was het die dit deed.
  • Foi a Marta quem organizou tudo. — Het was Marta die alles organiseerde.

Bij que volgt het werkwoord gewoonlijk de persoon van het benadrukte element: fui eu que fiz, fomos nós que fizemos. Na quem zie je vaak de derde persoon enkelvoud: fui eu quem fez. In werkelijk taalgebruik bestaat variatie; voor eigen gebruik is de constructie met que meestal het eenvoudigste model.

Langere voorzetselgroepen en formelere alternatieven

Ook langere voorzetselgroepen kunnen vóór een relatief voornaamwoord staan: a empresa para a qual trabalho of o tema sobre o qual escrevi. Vormen met o qual, a qual, os quais, as quais maken bij langere of formelere zinnen vaak duidelijker waar het voorzetsel bij hoort. Ze worden samen met onde en cujo behandeld bij de uitgebreidere relatieve voornaamwoorden.

Oefentips

  1. Voeg telkens twee korte zinnen samen. Maak van Conheço uma médica. A médica trabalha aqui. de zin Conheço uma médica que trabalha aqui. Doe dit afwisselend met een persoon en een zaak.
  2. Leer werkwoord en voorzetsel als één geheel. Noteer niet alleen gostar, maar gostar de; niet alleen falar, maar falar com alguém en falar de algo. Vorm daarna combinaties als a pessoa de quem gosto en o assunto de que gosto.
  3. Gebruik een snelle beslisvraag. Geen voorzetsel? Kies meestal que. Wel een voorzetsel? Kies bij een persoon meestal quem en bij een zaak que. Controleer daarna of het werkwoord bij het antecedent past.

Verwante onderwerpen

languages.concept.prerequisite

Onderwerpsvoornaamwoorden in het PortugeesA1

languages.concept.buildsOn

languages.concept.related

languages.concept.otherLanguages

languages.concept.compareLanguages

languages.cta.conceptText

languages.cta.practiceConceptButton