Frans grammatica

Verken 100 grammaticaconcepten — van beginner tot gevorderd.

A1 (42)

Onderwerpsvoornaamwoorden in het FransPronoms Sujets

De Franse onderwerpsvoornaamwoorden zijn je/j', tu, il, elle, on, nous, vous, ils en elles. Ze geven aan wie iets doet of over wie iets wordt gezegd, en staan in het Frans normaal bij het vervoegde werkwoord. Let vooral op vous voor zowel “u” als “jullie” en op on, dat in alledaagse taal heel vaak “we” betekent.

Het geslacht van zelfstandige naamwoorden in het FransGenre des Noms

Elk Frans zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) is mannelijk of vrouwelijk. Leer daarom niet alleen livre, maar meteen un livre / le livre; en niet alleen maison, maar une maison / la maison. Uitgangen zoals -tion en -ure wijzen vaak op vrouwelijk, terwijl -ment en -age vaak mannelijk zijn, maar het lidwoord blijft de betrouwbaarste aanwijzing.

Meervoudsvorming in het FransFormation du Pluriel

De meeste Franse zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden krijgen in het meervoud een -s: un livre intéressant → des livres intéressants. Die -s hoor je meestal niet; het lidwoord of een ander woord ervoor maakt vaak duidelijk dat het om een meervoud gaat. Let daarnaast vooral op -eau/-au/-eu → -x, -al → -aux en enkele onregelmatige vormen zoals œil → yeux.

Bepaalde lidwoorden in het FransArticles Définis

Het Frans heeft vier vormen van het bepaalde lidwoord: le bij een mannelijk enkelvoud, la bij een vrouwelijk enkelvoud, l' vóór een klinkerklank en les bij een meervoud. Leer een zelfstandig naamwoord (een woord voor een persoon, zaak, plaats of begrip) daarom liefst meteen met zijn lidwoord: le livre, la table, l'école, les enfants.

Onbepaalde lidwoorden in het FransArticles Indéfinis

Gebruik un voor een mannelijk woord in het enkelvoud, une voor een vrouwelijk woord in het enkelvoud en des voor een onbepaald meervoud: un livre, une maison, des amis. Staat er vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord, dan wordt des meestal de of d’: de bons amis, d’excellentes idées.

Delende lidwoorden in het FransArticles Partitifs

Met du, de la, de l’ en soms des geef je een onbepaalde hoeveelheid aan: Je bois du café betekent ‘Ik drink koffie’ of ‘Ik drink wat koffie’. Na een ontkenning en na een hoeveelheid wordt dit meestal de of d’: Je ne bois pas de café en une tasse de café.

Être in het FransLe Verbe Être

Être betekent meestal zijn. In de tegenwoordige tijd zijn alle vormen onregelmatig: je suis, tu es, il/elle/on est, nous sommes, vous êtes, ils/elles sont. Je gebruikt être onder meer om te zeggen wie of wat iemand is, waar iemand vandaan komt, waar iets zich bevindt en welke eigenschap of toestand iemand heeft.

Avoir in het FransLe Verbe Avoir

Avoir betekent meestal ‘hebben’, maar het Frans gebruikt dit werkwoord ook in veel situaties waarin het Nederlands zijn gebruikt: j’ai faim is ‘ik heb honger’ en j’ai vingt ans letterlijk ‘ik heb twintig jaar’. De tegenwoordige tijd is onregelmatig: j’ai, tu as, il/elle/on a, nous avons, vous avez, ils/elles ont.

Regelmatige -ER-werkwoorden in het FransVerbes Réguliers en -ER

Bij een regelmatig Frans werkwoord op -er haal je -er van de infinitief (de onverbogen vorm) en voeg je -e, -es, -e, -ons, -ez, -ent toe. Zo wordt parler bijvoorbeeld je parle, tu parles, il parle, nous parlons, vous parlez, ils parlent. De geschreven vormen verschillen duidelijker dan de uitspraak: parle, parles en parlent klinken meestal hetzelfde.

Regelmatige werkwoorden op -ir in het FransVerbes Réguliers en -IR

Bij regelmatige Franse werkwoorden van het type finir haal je -ir weg en voeg je in de tegenwoordige tijd -is, -is, -it, -issons, -issez, -issent toe. Zo krijg je je finis maar nous finissons: in de meervoudsvormen verschijnt steeds -iss-. Niet ieder werkwoord op -ir volgt dit patroon; veelgebruikte werkwoorden als partir, dormir en venir zijn onregelmatig.

Regelmatige werkwoorden op -RE in het FransVerbes Réguliers en -RE

Bij een regelmatig Frans werkwoord op -re haal je -re van de infinitief (de onbepaalde vorm) en voeg je -s, -s, niets, -ons, -ez, -ent toe. Zo wordt attendre achtereenvolgens j'attends, tu attends, il attend, nous attendons, vous attendez, ils attendent. Vooral de derde persoon enkelvoud valt op: daar komt geen zichtbare uitgang bij.

Aller (gaan) in het FransLe Verbe Aller

Aller betekent meestal ‘gaan’ en is onregelmatig: je vais, tu vas, il/elle/on va, nous allons, vous allez, ils/elles vont. Voor een bestemming gebruik je vaak aller à, en met aller + infinitief (de onvervoegde vorm van een werkwoord) maak je de nabije toekomst: Je vais partir — ‘Ik ga vertrekken.’

Het Franse werkwoord *venir*Le Verbe Venir

Venir betekent meestal komen. De tegenwoordige tijd is onregelmatig: je viens, tu viens, il/elle vient, nous venons, vous venez, ils/elles viennent. Voor herkomst gebruik je venir de (Je viens de Bruxelles); voor een bestemming staan onder meer à en chez (Tu viens à la fête ?, Elle vient chez moi).

Faire in het FransLe Verbe Faire

Faire betekent vaak ‘doen’ of ‘maken’, maar het komt ook voor in veel vaste uitdrukkingen: faire du sport (sporten), faire la cuisine (koken) en il fait beau (het is mooi weer). In de tegenwoordige tijd zijn de vormen je fais, tu fais, il/elle/on fait, nous faisons, vous faites, ils/elles font. Leer die vormen als één geheel, want faire is onregelmatig.

Pouvoir in het Frans: kunnen en mogenLe Verbe Pouvoir

Pouvoir betekent meestal kunnen of mogen. In de tegenwoordige tijd gebruik je je peux, tu peux, il/elle/on peut, nous pouvons, vous pouvez, ils/elles peuvent. Daarna volgt doorgaans een infinitief (de onverbogen vorm van een werkwoord): Je peux venir betekent, afhankelijk van de situatie, ‘Ik kan komen’ of ‘Ik mag komen’.

Vouloir in het FransLe Verbe Vouloir

Vouloir betekent meestal willen. Het is onregelmatig: je veux, tu veux, il/elle veut, nous voulons, vous voulez, ils/elles veulent. Voor een directe wens gebruik je vaak vouloir + een zaak of een infinitief; voor een beleefd verzoek klinkt je voudrais meestal natuurlijker dan je veux.

Devoir in het Frans: moeten en verschuldigd zijnLe Verbe Devoir

Het onregelmatige werkwoord devoir betekent meestal moeten: Je dois partir betekent ‘Ik moet vertrekken’. Zet na de vervoegde vorm van devoir een infinitief (het hele werkwoord), zoals partir, étudier of travailler. Zonder tweede werkwoord kan devoir ook verschuldigd zijn betekenen: Je te dois dix euros.

Savoir en connaître in het FransSavoir et Connaître

Gebruik savoir voor een feit, informatie of een aangeleerde vaardigheid: Je sais où il habite en Elle sait conduire. Gebruik connaître wanneer je bekend of vertrouwd bent met een persoon, plaats, zaak of onderwerp: Je connais Léa en Nous connaissons Lille. Het Nederlandse kunnen wordt dus vaak savoir + infinitief als het om weten hoe iets moet gaat.

Prendre in het FransLe Verbe Prendre

Het Franse prendre betekent vaak nemen of pakken, maar ook onder meer een vervoermiddel nemen en iets eten of drinken. In de tegenwoordige tijd is het onregelmatig: je prends, tu prends, il/elle/on prend, nous prenons, vous prenez, ils/elles prennent. Apprendre, comprendre en surprendre volgen hetzelfde patroon.

Reflexieve werkwoorden in het FransVerbes Pronominaux

Een Frans reflexief werkwoord staat met een voornaamwoord dat bij het onderwerp past: je me lève, tu te lèves, elle se lève, nous nous levons. Dat voornaamwoord staat normaal vóór de vervoegde werkwoordsvorm. Anders dan in het Nederlands kun je het niet steeds met mezelf of zichzelf vertalen: je m'appelle betekent gewoon ‘ik heet’.

Basisontkenning in het FransNégation de Base

In verzorgd Frans zet je ne vóór het vervoegde werkwoord en pas erna: Je ne comprends pas (“Ik begrijp het niet”). Voor een klinkerklank wordt ne ingekort tot n': Il n'aime pas le café. In alledaagse spreektaal valt ne vaak weg, maar ne...pas is de beste vorm om eerst te leren en in geschreven taal te gebruiken.

Il y a in het FransIl y a

Het Franse il y a betekent zowel er is als er zijn: Il y a un café en Il y a trois cafés. De vorm verandert dus niet bij enkelvoud of meervoud. In een ontkenning gebruik je meestal il n’y a pas de, en een gewone vraag begint vaak met est-ce qu’il y a.

Regelmatige bijvoeglijke naamwoorden in het FransAdjectifs Réguliers

Een Frans bijvoeglijk naamwoord past zich meestal aan het zelfstandig naamwoord aan: voeg in het eenvoudige patroon -e toe voor vrouwelijk, -s voor meervoud en -es voor vrouwelijk meervoud. Zo krijg je petit, petite, petits, petites. Anders dan in het Nederlands staat het bijvoeglijk naamwoord vaak na het zelfstandig naamwoord.

BANGS-bijvoeglijke naamwoorden in het FransAdjectifs BANGS

De meeste Franse bijvoeglijke naamwoorden staan ná het zelfstandig naamwoord, maar enkele korte, veelgebruikte woorden staan er meestal vóór: une belle maison, un vieux livre, une bonne idée en une petite fille. De geheugensteun BANGS groepeert zulke woorden rond schoonheid, leeftijd, aantal, waardering en grootte. Hun plaats verandert niets aan de overeenkomst: vorm en getal moeten nog steeds bij het zelfstandig naamwoord passen.

Onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden in het FransAdjectifs Irréguliers

Franse bijvoeglijke naamwoorden passen hun vorm aan het woord dat ze beschrijven aan. Bij enkele veelgebruikte woorden is die aanpassing onregelmatig: beau → belle, nouveau → nouvelle, vieux → vieille, blanc → blanche en long → longue. Vóór een mannelijk woord in het enkelvoud dat met een klinkerklank begint, gebruik je bovendien bel, nouvel of vieil: un bel homme, un nouvel ami, un vieil hôtel.

Bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden in het FransAdjectifs Possessifs

Een Frans bezittelijk bijvoeglijk naamwoord past bij het bezit, niet bij de bezitter: son livre kan zowel ‘zijn boek’ als ‘haar boek’ betekenen, omdat livre mannelijk is. Kies eerst de bezitter en daarna de vorm die hoort bij een mannelijk enkelvoud, vrouwelijk enkelvoud of meervoud zelfstandig naamwoord: mon livre, ma voiture, mes clés.

Aanwijzende bijvoeglijke naamwoorden in het FransAdjectifs Démonstratifs

Voor “deze/dit/die/dat” gebruikt het Frans vóór een zelfstandig naamwoord ce, cet, cette of ces: ce livre, cet appartement, cette table, ces livres. De keuze hangt af van het geslacht, het getal en soms de beginklank van het Franse woord. Wil je nadrukkelijk onderscheid maken tussen “deze/dit hier” en “die/dat daar”, voeg dan -ci of -là toe aan het zelfstandig naamwoord: ce livre-ci, ce livre-là.

Voorzetsels van plaats in het FransPrépositions de Lieu

Met een Frans voorzetsel van plaats geef je aan waar iemand of iets is, waarheen iemand gaat of waarvandaan iemand komt. De basiskeuzes zijn onder meer à bij een plaats of stad, dans voor ‘in, binnenin’, sur voor ‘op’, sous voor ‘onder’ en chez bij een persoon of beroepsgroep: Je suis à Paris, Le livre est dans le sac, Il est chez Marie.

Voorzetsels bij landen in het FransPrépositions avec les Pays

Bij een bestemming of verblijfplaats gebruik je meestal à voor een stad, en voor een vrouwelijk land of continent, au voor een mannelijk land en aux voor een meervoudige landsnaam. Voor herkomst worden die reeksen de/d’, du en des: à Paris — de Paris, en France — de France, au Canada — du Canada, aux États-Unis — des États-Unis.

Samentrekkingen met à en de in het FransContractions

Voor een Frans bepaald lidwoord gelden vier verplichte samentrekkingen: à + le = au, à + les = aux, de + le = du en de + les = des. Voor la en l’ verandert er niets: à la gare, à l’école, de la gare, de l’école. De vorm hangt dus af van het Franse lidwoord, niet van het Nederlandse woord “de” of “het”.

Basisvragen in het FransQuestions de Base

In het Frans kun je een ja-neevraag op drie manieren stellen: met intonatie (Tu viens ?), met est-ce que (Est-ce que tu viens ?) of met inversie (Viens-tu ?). Voor een open vraag zet je daar meestal een vraagwoord bij, zoals qui, que/quoi, où, quand, comment of pourquoi. In gewone gesprekken zijn intonatie en est-ce que het nuttigst; inversie klinkt vaak verzorgder of formeler.

Vragen over hoeveelheid en keuze in het FransQuestions de Quantité et Sélection

Gebruik combien voor een hoeveelheid of prijs en combien de + zelfstandig naamwoord voor een aantal: Combien ça coûte ? en Combien de billets voulez-vous ? Gebruik quel, quelle, quels of quelles als je vraagt welke persoon of zaak bedoeld wordt; de vorm past zich aan het geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord aan.

Hoofdtelwoorden in het FransNombres Cardinaux

De Franse hoofdtelwoorden van 0 tot 69 volgen grotendeels een tientallig patroon, maar vanaf 70 rekent het Frans anders: 70 = soixante-dix, 80 = quatre-vingts en 90 = quatre-vingt-dix. Leer vooral de getallen 0–20 en de tientallen uit het hoofd; daarna kun je bijna alle getallen tot 100 volgens vaste patronen opbouwen.

Rangtelwoorden in het FransNombres Ordinaux

Voor ‘eerste’ gebruikt het Frans premier of première. De meeste andere rangtelwoorden ontstaan door -ième achter het hoofdtelwoord te zetten: deux → deuxième, trois → troisième. Let vooral op cinquième en neuvième en pas het rangtelwoord waar nodig aan het zelfstandig naamwoord aan.

Tijd en datums in het FransHeure et Date

Voor een kloktijd gebruikt het Frans meestal il est + getal + heure(s): Il est une heure en Il est trois heures. Een datum krijgt doorgaans le + dagnummer + maand: le 15 août. Een losse weekdag heeft meestal geen lidwoord (lundi), maar le lundi betekent dat iets elke maandag gebeurt.

Frequentie- en tijdsbijwoorden in het FransAdverbes de Fréquence et Temps

Met een frequentiebijwoord zeg je hoe vaak iets gebeurt: toujours (altijd), souvent (vaak), parfois (soms), rarement (zelden) en jamais (nooit). Een tijdsbijwoord zegt wanneer of in welke volgorde iets gebeurt: aujourd'hui, demain, hier, maintenant, d'abord, puis, ensuite en enfin. Korte frequentiebijwoorden staan meestal dicht bij het vervoegde werkwoord; tijdsaanduidingen kunnen vaak vooraan of achteraan staan.

Plaatsbijwoorden in het FransAdverbes de Lieu

Met Franse plaatsbijwoorden geef je aan waar iemand of iets is, waarheen iemand beweegt of waar iets gebeurt: ici (hier), là en là-bas (daar), dedans (binnen/erin) en dehors (buiten). Ze staan vaak na het werkwoord: Viens ici ! (Kom hier!) en Les enfants sont dehors. (De kinderen zijn buiten.) Voor een precieze afstand gebruik je vaak près de (dicht bij) of loin de (ver van).

Hoeveelheidsuitdrukkingen in het FransExpressions de Quantité

Vóór een zelfstandig naamwoord volgt op een Franse hoeveelheidsuitdrukking meestal de: beaucoup de livres, peu d’eau, trop de bruit. Vóór een klinker of stomme h wordt dat d’. Gebruik très voor een eigenschap of manier (très beau, très vite), maar beaucoup bij een werkwoord (il travaille beaucoup).

Beklemtoonde voornaamwoorden in het FransPronoms Toniques

De Franse beklemtoonde voornaamwoorden zijn moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux, elles. Je gebruikt ze onder meer na een voorzetsel (avec moi), na c'est (C'est elle), in een vergelijking (plus grand que lui) en om iemand nadrukkelijk tegenover een ander te plaatsen (Moi, je reste). Ze komen dus niet simpelweg overeen met één Nederlandse reeks als ik/mij of jij/jou.

Directe objectvoornaamwoorden in het FransPronoms COD

Een Frans direct objectvoornaamwoord vervangt het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat): Je vois Marie wordt Je la vois. De vormen zijn me, te, le, la, nous, vous, les en ze staan in een gewone zin vóór de vervoegde werkwoordsvorm: Tu le vois ? Voor een klinker of stomme h worden me, te, le en la verkort tot m’, t’ en l’.

Voornaamwoorden voor het meewerkend voorwerp in het FransPronoms COI

De Franse voornaamwoorden me, te, lui, nous, vous en leur vervangen meestal à + een persoon: Je parle à Léa wordt Je lui parle. Ze staan gewoonlijk vóór het werkwoord: Il lui téléphone en Je leur donne le livre. Lui betekent zowel ‘aan hem’ als ‘aan haar’; leur betekent ‘aan hen’.

Franse basisvoegwoordenConjonctions de Base

Met et (en), ou (of), mais (maar), donc (dus), car (want) en ni...ni (noch...noch) verbind je woorden of hele zinnen. De gewone Franse woordvolgorde blijft daarbij meestal staan: Il pleut, donc je reste betekent “Het regent, dus ik blijf”. Or komt vooral in formele geschreven taal voor en drukt een onverwachte wending uit.

A2 (14)

Passé composé in het FransPassé Composé

De passé composé gebruik je vooral voor een afgeronde handeling of gebeurtenis in het verleden: J’ai mangé betekent zowel ‘ik heb gegeten’ als, afhankelijk van de context, ‘ik at’. Je vormt deze tijd met avoir of être in de tegenwoordige tijd plus een participe passé (voltooid deelwoord): nous avons fini, elle est arrivée. De meeste werkwoorden krijgen avoir; een beperktere groep en de wederkerende werkwoorden krijgen être.

Onregelmatige voltooid deelwoorden in het FransParticipes Passés Irréguliers

Voor de passé composé combineer je een hulpwerkwoord met een voltooid deelwoord: j’ai fait, elle a pris, nous avons vu. Veel frequente Franse werkwoorden hebben geen voorspelbare deelwoordsvorm; leer daarom vooral fait, été, eu, pris, mis, vu, dit, écrit, lu en bu als vaste vormen. Anders dan in het Nederlands krijgen ze geen voorvoegsel zoals ge-.

Passé composé met être in het FransPassé Composé avec Être

Een beperkte groep Franse werkwoorden vormt de passé composé met een vervoegde vorm van être plus een voltooid deelwoord: elle est arrivée, nous sommes partis. Het voltooid deelwoord (een vorm zoals arrivé of parti) past zich daarbij aan het onderwerp aan: meestal komt er -e bij voor vrouwelijk, -s voor meervoud en -es voor vrouwelijk meervoud. Sommige werkwoorden gebruiken echter avoir zodra ze een lijdend voorwerp hebben.

Wederkerende werkwoorden in de Franse passé composéVerbes Pronominaux au Passé

Een Frans wederkerend werkwoord gebruikt in de passé composé être: elle s'est levée en nous nous sommes amusés. Het wederkerende voornaamwoord (me, te, se, nous, vous, se) staat vóór être. Voor beginners geldt: laat het voltooid deelwoord meestal overeenkomen met het onderwerp; verderop lees je wanneer die uitgang juist wegblijft.

Het voornaamwoord y in het FransLe Pronom Y

Het Franse y vervangt meestal een eerder genoemde plaats of à + een zaak of idee: Je vais à Paris wordt J’y vais en Je pense à ce problème wordt J’y pense. In een gewone zin staat y vóór het werkwoord. Voor een persoon gebruik je na à doorgaans niet y, maar bijvoorbeeld lui, leur of à lui/à elle.

Het voornaamwoord *en* in het FransLe Pronom En

Het Franse voornaamwoord en vervangt meestal iets dat met de begint, waaronder de vormen du, de la, de l’ en des: Tu veux du café ? — Oui, j’en veux. Bij een hoeveelheid vervangt en het naamwoord, maar de hoeveelheid blijft staan: J’ai trois frères → J’en ai trois. Meestal staat en vóór het vervoegde werkwoord.

Geavanceerde ontkenning in het FransNégation Avancée

In het Frans kun je pas in de basisontkenning ne...pas vervangen door een woord met een preciezere betekenis: jamais (nooit), rien (niets), personne (niemand) of plus (niet meer). Daarnaast drukt ne...que een beperking uit (alleen) en betekent ne...ni...ni ‘noch...noch’. Bij een enkelvoudige werkwoordsvorm staan deze elementen meestal om het vervoegde werkwoord: Je ne fume jamais.

L’imparfait in het FransL'Imparfait

L’imparfait gebruik je voor gewoontes, beschrijvingen en situaties die in het verleden voortduurden: Quand j’étais petit, je jouais dehors. Je vormt deze tijd met de stam van de nous-vorm in de tegenwoordige tijd, zonder -ons, plus -ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient. Alleen être heeft een afwijkende stam: ét-.

Futur proche in het FransFutur Proche

De futur proche maak je met een vervoegde vorm van aller plus een infinitief: je vais partir betekent ‘ik ga vertrekken’. Je gebruikt deze vorm vooral voor plannen, voornemens en gebeurtenissen die op basis van de huidige situatie te verwachten zijn. Alleen aller wordt vervoegd; het tweede werkwoord blijft in de infinitief.

Passé récent in het FransPassé Récent

Met het passé récent zeg je dat iets net of zojuist is gebeurd. De basisvorm is venir in de tegenwoordige tijd + de/d’ + infinitief: Je viens de manger betekent “Ik heb net gegeten”. Alleen venir wordt vervoegd; het werkwoord dat de handeling noemt, blijft in de infinitief.

Vergelijkingen in het FransLe Comparatif

In het Frans vergelijk je meestal met plus ... que (meer ... dan), moins ... que (minder ... dan) en aussi ... que (even ... als). Bij hoeveelheden gebruik je plus de, moins de of autant de, en bij bon en bien kies je vaak de onregelmatige vormen meilleur en mieux. Anders dan in het Nederlands blijft het tweede verbindingswoord steeds que: zowel plus grand que als aussi grand que.

Betrekkelijke voornaamwoorden *qui* en *que* in het FransPronoms Relatifs: qui, que

Gebruik qui als het betrekkelijk voornaamwoord zelf het onderwerp is van de bijzin: la femme qui parle (de vrouw die praat). Gebruik que als het het lijdend voorwerp is: la femme que je vois (de vrouw die ik zie). Voor een klinker of stomme h wordt que verkort tot qu’, maar qui wordt nooit verkort.

De gebiedende wijs in het FransL'Impératif

De Franse gebiedende wijs, l’impératif, gebruik je voor een bevel, verzoek, advies, instructie of uitnodiging. Je neemt meestal de tegenwoordige tijd van tu, nous of vous en laat het onderwerp weg: Tu parles wordt Parle ! Bij regelmatige werkwoorden op -er verliest de tu-vorm bovendien meestal zijn laatste -s.

Dubbele voorwerpsvoornaamwoorden in het FransPronoms Doubles

Staan er twee Franse voorwerpsvoornaamwoorden bij één werkwoord, dan bepaalt een vaste volgorde waar ze komen: meestal me/te/se/nous/vous + le/la/les + lui/leur + y + en. Zo krijg je Je te le donne en Je le lui explique. Alleen bij een bevestigend bevel staan de voornaamwoorden achter het werkwoord en geldt een andere volgorde: Donne-le-moi !

B1 (14)

Futur simple in het FransFutur Simple

De futur simple drukt uit wat in de toekomst zal gebeuren. Bij regelmatige werkwoorden neem je de infinitief en voeg je -ai, -as, -a, -ons, -ez, -ont toe: je parlerai, tu finiras, nous attendrons. Een aantal veelgebruikte werkwoorden heeft een onregelmatige stam, zoals être → ser-, avoir → aur- en aller → ir-.

Conditionnel présent in het FransConditionnel Présent

Het Franse conditionnel présent komt vaak overeen met zou/zouden + infinitief: je voyagerais betekent ‘ik zou reizen’. Je vormt het met de stam van de futur simple en de uitgangen van de imparfait: -ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient. De vorm dient onder meer voor beleefde verzoeken, advies, hypothetische gevolgen en toekomst gezien vanuit een moment in het verleden.

Imparfait versus passé composé in het FransImparfait vs Passé Composé

Gebruik het imparfait om een situatie van binnenuit te beschrijven: de achtergrond, een toestand, een gewoonte of iets dat gaande was. Gebruik het passé composé om een gebeurtenis als afgerond geheel te presenteren. In een verhaal staan ze vaak samen: Il pleuvait quand je suis sorti — het regende toen ik naar buiten ging.

De subjonctif présent in het FransSubjonctif Présent

De subjonctif présent is een werkwoordsvorm waarmee het Frans vaak geen neutraal feit weergeeft, maar bijvoorbeeld een wens, noodzaak, emotie of twijfel: Il faut que tu viennes (Je moet komen). Hij staat meestal in een bijzin na que. Voor de meeste werkwoorden neem je de stam van de ils-vorm in de tegenwoordige tijd en voeg je -e, -es, -e, -ions, -iez, -ent toe.

Signalen voor de subjonctif in het FransDéclencheurs du Subjonctif

Na bepaalde uitdrukkingen met que gebruikt het Frans de subjonctif (een werkwoordsvorm waarmee de spreker onder meer noodzaak, wens, gevoel of een niet als feit gepresenteerde situatie uitdrukt): Il faut que tu viennes. Belangrijke signalen zijn il faut que, vouloir que, avoir peur que, bien que, pour que, avant que, jusqu’à ce que en à moins que. Heeft het tweede werkwoord hetzelfde onderwerp, dan kiest het Frans vaak liever een infinitief: Je veux partir.

Het plus-que-parfait in het FransPlus-que-parfait

Het plus-que-parfait drukt uit dat iets al gebeurd of voltooid was vóór een ander moment in het verleden: J'avais déjà mangé quand Léa est arrivée — “Ik had al gegeten toen Léa aankwam.” Je vormt het met de imparfait van avoir of être + participe passé: avait compris, était parti. In het Nederlands komt dit meestal overeen met “had” of “was” + een voltooid deelwoord.

De overtreffende trap in het FransLe Superlatif

De Franse overtreffende trap bestaat meestal uit le, la of les + plus of moins + een bijvoeglijk naamwoord: la plus rapide (de snelste), le moins cher (de minst dure/goedkoopste). Het lidwoord en het bijvoeglijk naamwoord passen zich aan het bijbehorende zelfstandig naamwoord aan. Bij bon gebruik je meestal de onregelmatige vorm le meilleur; bij mauvais kun je le pire gebruiken.

Où en dont in Franse betrekkelijke bijzinnenPronoms Relatifs: où, dont

Où verwijst in een betrekkelijke bijzin naar een plaats of een tijd: la ville où j'habite en le jour où je suis arrivé. Dont vervangt een zinsdeel dat met de begint: je parle de cet homme wordt l'homme dont je parle. Het Nederlandse woord waarmee je vertaalt — waar, waarop, waarvan, over wie of soms helemaal niets — bepaalt dus niet welk Frans voornaamwoord nodig is; de Franse zinsbouw doet dat.

De lijdende vorm in het FransVoix Passive

De Franse lijdende vorm bestaat uit een vervoegde vorm van être plus een voltooid deelwoord: La lettre est envoyée (de brief wordt verstuurd). Het voltooid deelwoord past zich aan het onderwerp aan in geslacht en getal. De uitvoerder kan volgen na par, maar in alledaags Frans klinkt een actieve zin met on vaak natuurlijker.

Indirecte rede in het FransDiscours Indirect

Met de indirecte rede geef je weer wat iemand zegt of vraagt zonder de oorspronkelijke woorden letterlijk te citeren. Een mededeling verbind je meestal met que, een ja-neevraag met si en een bevel of verzoek vaak met de + infinitief. Staat het inleidende werkwoord in een verleden tijd, dan kunnen ook de werkwoordstijd, voornaamwoorden en tijdsaanduidingen verschuiven.

Faire causatif in het FransFaire Causatif

Met faire + infinitief zeg je dat het onderwerp een handeling veroorzaakt of laat uitvoeren: Je fais réparer ma voiture betekent “Ik laat mijn auto repareren”. Alleen faire wordt vervoegd; het werkwoord erna blijft in de infinitief (de onbepaalde vorm, zoals réparer). Met se faire + infinitief laat iemand iets bij zichzelf doen, of ondergaat die persoon iets: Elle se fait couper les cheveux.

Het gérondif in het FransLe Gérondif

Het Franse gérondif bestaat uit en + participe présent (tegenwoordig deelwoord): en parlant, en lisant, en attendant. Het geeft meestal aan dat iets tegelijkertijd, op een bepaalde manier of onder een bepaalde voorwaarde gebeurt. De uitvoerder van beide handelingen moet normaal dezelfde zijn.

Onpersoonlijke uitdrukkingen in het FransExpressions Impersonnelles

In Franse onpersoonlijke uitdrukkingen verwijst il niet naar een man of een ding: het vult de verplichte onderwerpsplaats. Na zulke uitdrukkingen volgt vaak de + infinitief voor een handeling zonder genoemd handelend persoon, of que + een vervoegd werkwoord als de bijzin een eigen onderwerp heeft. Noodzaak en beoordeling leiden vaak tot de subjonctif, terwijl een feitelijke mededeling meestal de indicatif krijgt.

Voorwaardelijke zinnen met *si* in het FransPhrases Conditionnelles

Wanneer si ‘als’ betekent, zijn er op B1-niveau twee hoofdpatronen. Gebruik si + présent voor een reële of goed mogelijke voorwaarde en si + imparfait, gevolgd door de conditionnel présent, voor een denkbeeldige situatie: Si tu viens, je serai content tegenover Si j'avais le temps, je viendrais. Zet in een gewone voorwaardelijke bijzin geen futur of conditionnel direct na si.

B2 (11)

De subjonctif passé in het FransSubjonctif Passé

De subjonctif passé vormt u met de subjonctif présent van avoir of être plus een voltooid deelwoord: qu'il ait compris, qu'elle soit partie. U gebruikt deze vorm wanneer een voltooide of eerdere handeling staat in een context die de subjonctif verlangt, bijvoorbeeld na een emotie, twijfel, noodzaak of bepaald voegwoord: Je suis ravi que vous soyez venus.

Conditionnel passé in het FransConditionnel Passé

Het Franse conditionnel passé drukt uit wat gebeurd zou zijn, had kunnen gebeuren of had moeten gebeuren: j'aurais accepté betekent “ik zou hebben ingestemd”. Je vormt het met de conditionnel présent van avoir of être + een participe passé: elle aurait compris, nous serions partis. Het wordt vooral gebruikt voor een onwerkelijk verleden, spijt, gemiste kansen en voorzichtige berichten over iets dat mogelijk is gebeurd.

Voorwaardelijke zinnen over het verleden in het FransPhrases Conditionnelles au Passé

Voor een onwerkelijke of niet-vervulde situatie in het verleden gebruikt het Frans meestal si + plus-que-parfait, gevolgd door de conditionnel passé: Si j'avais su, je serais venu — als ik het had geweten, was ik gekomen. Zet nooit een conditionnel direct na si: dus si j'avais su, niet si j'aurais su. Voor een oorzaak in het verleden met een gevolg dat nu nog geldt, staat in de hoofdzin de conditionnel présent: Si j'avais étudié, je serais médecin maintenant.

Samengestelde betrekkelijke voornaamwoorden in het FransPronoms Relatifs Composés

Na een voorzetsel verwijst het Frans vaak met lequel, laquelle, lesquels of lesquelles terug naar een genoemd zelfstandig naamwoord: la chaise sur laquelle je suis assis. Met à en de ontstaan vormen als auquel en duquel. Zonder concreet antecedent gebruik je voor ‘wat/datgene wat’ meestal ce qui, ce que of ce dont, afhankelijk van hun functie in de bijzin.

Het participe présent in het FransParticipe Présent

Het Franse participe présent is een vorm op -ant: parlant, finissant, sachant. Als echte werkwoordsvorm verandert het nooit: les personnes parlant français. Wordt zo'n vorm een bijvoeglijk naamwoord, dan past hij zich wél aan het zelfstandig naamwoord aan: une histoire passionnante. De gérondif heeft altijd en: en parlant.

De infinitif passé in het FransInfinitif Passé

De infinitif passé drukt uit dat een handeling al voltooid is: avoir of être + participe passé (voltooid deelwoord), bijvoorbeeld avoir mangé en être venu. Je gebruikt deze vorm onder meer na après, na bepaalde werkwoorden en in bedank- of excuusformules: Après avoir mangé..., Je regrette d’avoir dit cela, Merci d’être venu.

Nadrukstructuren in het FransMise en Relief

Met c’est…qui leg je de nadruk op degene of datgene dat de handeling uitvoert; met c’est…que benadruk je een ander zinsdeel. Wil je eerst een idee of behoefte noemen en daarna pas de kern geven, dan gebruik je ce qui/ce que…c’est. In gesprekken zijn ook hernemingen als moi, je… en ce livre, je l’ai lu heel gewoon.

Futur antérieur in het FransFutur Antérieur

Het futur antérieur drukt meestal uit dat iets vóór een ander toekomstig moment voltooid zal zijn: Quand tu arriveras, j'aurai fini — ‘Wanneer je aankomt, zal ik klaar zijn.’ Je vormt het met het futur simple van avoir of être plus een voltooid deelwoord: j'aurai parlé, elle sera partie. Het kan daarnaast een vermoeden over het verleden uitdrukken: Il aura oublié betekent dan ‘Hij zal het wel vergeten zijn.’

Onderschikkende voegwoorden in het FransConjonctions de Subordination

Een Frans onderschikkend voegwoord verbindt een hoofdzin met een bijzin. Bien que, quoique, pour que en afin que krijgen de subjonctif; tandis que, alors que, dès que en aussitôt que krijgen de indicatif. Vooral na dès que verschilt het Frans van het Nederlands: bij een toekomstige gebeurtenis gebruikt het Frans meestal de futur, waar het Nederlands vaak de tegenwoordige tijd gebruikt.

Restrictieve ontkenning in het FransNégation Restrictive

Met ne...que beperk je iets tot één persoon, zaak, moment of handeling: Je n’ai que dix euros betekent “Ik heb maar tien euro.” Hoewel de vorm op een ontkenning lijkt, ontken je het genoemde element niet; que staat vlak vóór wat je tot “alleen” beperkt. Daarom gebruik je na ne...que gewoon un, du, de la of des als de zin dat lidwoord nodig heeft.

Bijwoorden van wijze in het FransAdverbes de Manière

Een bijwoord van wijze vertelt hoe iets gebeurt: Il parle lentement betekent “Hij spreekt langzaam.” Veel Franse bijwoorden ontstaan uit een bijvoeglijk naamwoord: meestal neem je de vrouwelijke vorm en voeg je -ment toe (lent → lente → lentement). Daarnaast zijn er vaste spellingpatronen zoals -ant → -amment en -ent → -emment, plus veelgebruikte vormen als bien, mal en vite.

C1 (10)

Passé simple in het FransPassé Simple

De passé simple is een enkelvoudige verleden tijd die vooral in romans, verhalen, geschiedschrijving en plechtige geschreven taal voorkomt. Hij stelt een afgeronde gebeurtenis als een stap in het verhaal voor: Il ouvrit la porte et entra betekent ‘Hij opende de deur en ging naar binnen’. In een gewoon gesprek gebruikt men daarvoor meestal de passé composé: Il a ouvert la porte et il est entré.

Passé antérieur in het FransPassé Antérieur

De passé antérieur is een literaire Franse tijd voor een handeling die volledig afgelopen is vóór een andere handeling in de passé simple. Je vormt hem met de passé simple van avoir of être en een voltooid deelwoord: Quand il eut fini, il partit — ‘Toen hij klaar was, vertrok hij.’ In hedendaagse gesprekken gebruikt men meestal de passé composé of de plus-que-parfait in plaats daarvan.

De subjonctif imparfait in het FransSubjonctif Imparfait

De subjonctif imparfait is een vooral literaire en zeer formele werkwoordsvorm: Je voulais qu’il vînt betekent ‘Ik wilde dat hij kwam’. In hedendaags Frans gebruikt men in dezelfde zin vrijwel altijd de subjonctif présent: Je voulais qu’il vienne. Actief gebruiken is zelden nodig, maar voor romans, historische teksten en plechtige stijl is herkennen op C1-niveau waardevol.

Concordance des temps in het FransConcordance des Temps

De concordance des temps stemt de tijd van een bijzin af op het gezichtspunt van de hoofdzin. Na een werkwoord in het verleden wordt een gelijktijdige handeling vaak een imparfait, een eerdere handeling een plus-que-parfait en een latere handeling een conditionnel: Il a dit qu’il travaillait, qu’il avait fini et qu’il reviendrait. De keuze volgt dus niet alleen de kalender, maar ook het tijdstip vanwaaruit iemand spreekt of denkt.

Geavanceerde onpersoonlijke constructies in het FransTournures Impersonnelles Avancées

Formeel Frans gebruikt vaak il zonder dat dit woord naar een persoon of zaak verwijst: Il ressort du rapport que les coûts ont augmenté. Zulke constructies presenteren een vaststelling, plicht of taak als objectief en institutioneel. Let vooral op het vaste vervolg: que + persoonsvorm, à + persoon + de + infinitief, of de + bron + que.

Complexe inversie in het FransInversion Complexe

In formeel Frans kan het vervoegde werkwoord vóór het onderwerp staan, ook als de zin geen vraag is: Peut-être viendra-t-il en Ainsi va la vie. Bij een zelfstandig naamwoord als onderwerp blijft dat vaak vóór het werkwoord staan en wordt het na het werkwoord herhaald met een voornaamwoord: Peut-être Paul viendra-t-il. Deze woordvolgorde komt vooral voor in verzorgde schrijftaal, toespraken, journalistiek en literatuur.

Nominalisatie in het FransNominalisation

Bij nominalisatie druk je een handeling, eigenschap of toestand uit met een zelfstandig naamwoord: développer l'économie wordt le développement de l'économie en possible wordt la possibilité. Deze vorm is gebruikelijk in academische, bestuurlijke en journalistieke teksten, maar het juiste zelfstandig naamwoord is niet altijd voorspelbaar. Leer daarom niet alleen achtervoegsels, maar ook het lidwoord en de vaste aanvullingen bij elk woord.

Formeel register in het FransRegistre Soutenu

Het Franse registre soutenu is verzorgd, afstandelijk Frans voor onder meer officiële correspondentie, toespraken, academische teksten en contact met instanties. Het ontstaat door een combinatie van precieze woordkeus, volledige ontkenningen, beleefde formuleringen en zorgvuldig opgebouwde zinnen; alleen een paar plechtige woorden toevoegen is niet genoeg. Goed formeel Frans blijft helder en past bij de situatie.

Nuances van Franse pronominale werkwoordenNuances des Verbes Pronominaux

Bij veel Franse pronominale werkwoorden is se niet letterlijk met zich te vertalen: het maakt deel uit van een vaste betekenis. Zo betekent se passer ‘gebeuren’, se passer de ‘zonder kunnen’, s’en prendre à ‘iemand aanvallen of de schuld geven’ en s’y connaître en ‘veel verstand hebben van’. Leer daarom de hele constructie, inclusief en, y en het vaste voorzetsel.

Liaison en enchaînement in het FransLiaison et Enchaînement

Bij liaison wordt een normaal stille eindmedeklinker vóór een klinkerklank toch hoorbaar: les enfants wordt les [z]enfants. Bij enchaînement was de eindmedeklinker al hoorbaar en schuift hij in de uitspraak door naar de volgende lettergreep: avec elle klinkt vloeiend als a-ve-kelle. Liaison kan verplicht, verboden of facultatief zijn; enchaînement gebeurt doorgaans vanzelf in vloeiende spraak.

C2 (9)

De subjonctif plus-que-parfait in het FransSubjonctif Plus-que-parfait

De subjonctif plus-que-parfait is een zeldzame literaire werkwoordstijd, gevormd met de subjonctif imparfait van avoir of être en een voltooid deelwoord: qu’il eût compris, qu’elle fût partie. Hij drukt meestal uit dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden, in een bijzin die de subjonctif verlangt. In hedendaags Frans staat daar gewoonlijk de subjonctif passé: qu’il ait compris, qu’elle soit partie.

Conditionnel surcomposé in het FransConditionnel Surcomposé

Het conditionnel surcomposé is een uiterst zeldzame, vooral regionale vorm als j’aurais eu fini. Sprekers gebruiken hem om een handeling voor te stellen die in een denkbeeldig verleden al voltooid zou zijn; in algemeen Frans zegt men vrijwel altijd j’aurais fini. Voor de meeste leerders is herkennen belangrijker dan zelf gebruiken.

Ne explétif in het FransNe Explétif

Het Franse ne explétif is een ne zonder ontkennende betekenis. In verzorgd of formeel Frans kan het verschijnen in een bijzin na onder meer avant que, à moins que, uitdrukkingen van vrees en sommige vergelijkingen: J’ai peur qu’il ne vienne betekent dus ‘Ik ben bang dat hij komt’, niet ‘dat hij niet komt’. Het is meestal mogelijk om dit ne weg te laten zonder de kernbetekenis te veranderen.

Archaïsche vormen in het FransArchaïsmes

Franse archaïsmen zijn oude woorden en constructies die uit het gewone taalgebruik zijn verdwenen, maar nog voorkomen in literatuur, historische teksten, plechtige formuleringen en ironische nabootsingen daarvan. Lees Je ne sais point als ‘Ik weet het niet’, céans als ‘hier in huis’ en oncques als ‘ooit/nooit’ afhankelijk van de ontkenning. Voor een C2-leerder is herkennen en juist duiden belangrijker dan ze zelf vaak gebruiken.

Informeel Frans: het *registre familier*Registre Familier

Het registre familier is het informele Frans van vrienden, familie, berichten en spontane gesprekken. Kenmerkend zijn onder meer het wegvallen van ne, on in plaats van nous, vragen met alleen intonatie, verkortingen zoals resto en woorden uit het verlan zoals ouf. Deze vormen zijn niet zomaar “slecht Frans”, maar ze passen niet in elke situatie.

Regionale variatie in het FransVariation Régionale

Frans is geen taal met één overal identieke norm. Een Franstalige kan dezelfde auto une voiture of un char noemen, en 90 uitspreken als quatre-vingt-dix of nonante, afhankelijk van streek, situatie en gesprekspartner. Op C2-niveau gaat het er vooral om dat je zulke vormen herkent, ze niet automatisch als fouten beoordeelt en zelf bewust kiest tussen een regionale vorm en een vorm die internationaal breed begrepen wordt.

Retorische middelen in het FransProcédés Rhétoriques

Retorische middelen sturen niet alleen wat een zin meedeelt, maar ook hoe krachtig, voorzichtig, ritmisch of verrassend die mededeling overkomt. In het Frans kun je onder meer afzwakken met een litote, overdrijven met een hyperbole, elementen kruisen in een chiasme, woorden herhalen in een anaphore of bewust een volledige zin openbreken. Op C2-niveau gaat het vooral om de juiste dosering: hetzelfde middel kan in een redevoering overtuigend zijn, maar in een gewoon gesprek gekunsteld klinken.

Discoursconnectoren in het FransConnecteurs de Discours

Franse discoursconnectoren maken duidelijk hoe een nieuwe gedachte zich verhoudt tot de vorige: als tegenstelling, toegeving, aanvulling of herneming. Néanmoins en toutefois voeren een beperking in, par ailleurs en en outre voegen informatie toe, terwijl vaste formuleringen als force est de constater que een conclusie nadrukkelijk presenteren. Op C2-niveau gaat het niet alleen om betekenis, maar vooral om register, plaatsing en retorisch effect.

Administratief FransLangue Administrative

Administratief Frans is de sterk geformaliseerde taal van overheden, instanties, reglementen, besluiten en juridische stukken. Kenmerkend zijn vaste formuleringen zoals vu que, sous réserve de en il est porté à votre connaissance que, maar ook veel passieve zinnen en zelfstandige naamwoorden waar gewoon Frans eerder een werkwoord gebruikt. Op C2-niveau gaat het niet alleen om zelf correct formuleren: je moet vooral precies herkennen wie iets beslist, voor wie een regel geldt en onder welke voorwaarden.