Savoir en connaître in het Frans
Savoir et Connaître
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.
In het kort
Gebruik savoir voor een feit, informatie of een aangeleerde vaardigheid: Je sais où il habite en Elle sait conduire. Gebruik connaître wanneer je bekend of vertrouwd bent met een persoon, plaats, zaak of onderwerp: Je connais Léa en Nous connaissons Lille. Het Nederlandse kunnen wordt dus vaak savoir + infinitief als het om weten hoe iets moet gaat.
Overzicht
Het Nederlands maakt meestal een duidelijk onderscheid tussen weten en kennen: je weet een antwoord, maar je kent een persoon. Toch loopt die verdeling niet helemaal gelijk met het Frans. Voor “kunnen zwemmen” gebruikt het Frans bijvoorbeeld savoir nager, letterlijk “weten te zwemmen”. Bovendien kan savoir bij een beperkt aantal woorden rechtstreeks voor een zelfstandig naamwoord staan, zoals in savoir la réponse.
Savoir gaat in de kern over kennis die je als informatie kunt formuleren, of over weten hoe je iets doet. Connaître gaat over vertrouwdheid: je hebt iemand ontmoet, je bent ergens geweest, of je hebt voldoende ervaring met een zaak of onderwerp. Het verschil is dus niet alleen grammaticaal; de gekozen vorm zegt ook welk soort kennis je bedoelt.
Dit is een basisonderscheid op A1-niveau. Zinnen als Je ne sais pas (“Ik weet het niet”) en Tu connais ce restaurant ? (“Ken je dit restaurant?”) komen voortdurend voor. Leer eerst de eenvoudige hoofdregel. De nuances in het verleden en enkele vaste uitdrukkingen staan verderop apart, zodat je die in het begin gerust kunt overslaan.
Hoe het werkt
De hoofdregel
| Je bedoelt… | Kies | Typische bouw | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| een feit of antwoord weten | savoir | savoir + bijzin/vraagwoord | Je sais où il est. |
| weten hoe iets moet; een vaardigheid beheersen | savoir | savoir + infinitief | Elle sait cuisiner. |
| een persoon of plaats kennen | connaître | connaître + zelfstandig naamwoord | Nous connaissons Paul. |
| vertrouwd zijn met een ding of onderwerp | connaître | connaître + zelfstandig naamwoord | Tu connais ce livre ? |
Een infinitief is het hele, onvervoegde werkwoord, zoals nager (“zwemmen”) of lire (“lezen”). Een bijzin is een zinsdeel met een eigen werkwoord, zoals “dat hij thuis is”. Een zelfstandig naamwoord noemt een persoon, plaats, ding of begrip, zoals Nora, Paris, ce film of la littérature.
Een handige eerste test is daarom:
- volgt er een hele mededeling, een vraagwoord of een infinitief? Kies meestal savoir;
- volgt er een persoon, plaats, voorwerp of onderwerp waarmee iemand vertrouwd is? Kies meestal connaître.
Die test is nuttig, maar betekenis blijft doorslaggevend. La réponse is grammaticaal een zelfstandig naamwoord, maar het drukt concrete informatie uit en komt daarom vaak bij savoir: Je sais la réponse.
Tegenwoordige tijd
Beide werkwoorden zijn onregelmatig. Je kunt hun uitgangen niet afleiden van regelmatige Franse werkwoorden op -er.
| Persoon | savoir | connaître |
|---|---|---|
| je | je sais | je connais |
| tu | tu sais | tu connais |
| il / elle / on | il sait / elle sait / on sait | il connaît / elle connaît / on connaît |
| nous | nous savons | nous connaissons |
| vous | vous savez | vous connaissez |
| ils / elles | ils savent / elles savent | ils connaissent / elles connaissent |
Let vooral op nous savons, vous savez en ils savent: die lijken niet op je sais. Bij connaître hebben de meervoudsvormen de stam connaiss-.
Voor de uitspraak is het nuttig vormen in groepjes te leren. Je sais en tu sais klinken hetzelfde; ook je connais en tu connais klinken hetzelfde. De geschreven uitgangen blijven uiteraard wel belangrijk.
Savoir voor feiten en informatie
Na savoir staat vaak que (“dat”), si (“of”) of een vraagwoord zoals où (“waar”), quand (“wanneer”), pourquoi (“waarom”) en comment (“hoe”).
| Frans | Nederlands | Opmerking |
|---|---|---|
| Je sais que Luc est en vacances. | Ik weet dat Luc op vakantie is. | Een feit na que |
| Tu sais si le magasin est ouvert ? | Weet jij of de winkel open is? | Een indirecte ja-neevraag na si |
| Elle sait où nous habitons. | Zij weet waar wij wonen. | Informatie na où |
| Nous ne savons pas pourquoi il part. | Wij weten niet waarom hij vertrekt. | Informatie na pourquoi |
Let op een verschil met het Nederlands: in où nous habitons blijft de Franse woordvolgorde gewoon onderwerp + werkwoord. Maak er niet de directe vraag où habitons-nous ? van binnen deze zin.
Savoir met een infinitief: een vaardigheid
Savoir + infinitief betekent dat iemand geleerd heeft hoe een handeling moet worden uitgevoerd. In natuurlijk Nederlands vertalen we dit vaak met kunnen, niet met “weten”.
- Je sais conduire. — Ik kan autorijden.
- Il ne sait pas lire. — Hij kan niet lezen.
- Vous savez utiliser cette machine ? — Kunt u deze machine gebruiken?
Dit is niet hetzelfde als alle betekenissen van Nederlands kunnen. Voor mogelijkheid of omstandigheden gebruikt het Frans vaak pouvoir:
- Je sais nager. — Ik kan zwemmen; ik beheers die vaardigheid.
- Je peux nager aujourd’hui. — Ik kan vandaag zwemmen; het is mogelijk of toegestaan.
Vraag jezelf dus af: “Heb ik geleerd hoe dit moet?” Dan past savoir. Bedoel je “het lukt, het mag of de omstandigheden laten het toe”? Dan past vaak pouvoir.
Connaître voor vertrouwdheid
Connaître wordt rechtstreeks gevolgd door datgene waarmee iemand bekend is. Dat kan een persoon, plaats, werk, zaak of vakgebied zijn.
- Je connais Amine. — Ik ken Amine.
- Elle connaît bien Bruxelles. — Zij kent Brussel goed.
- Nous connaissons cette chanson. — Wij kennen dit lied.
- Il connaît l’histoire de France. — Hij is bekend met de Franse geschiedenis.
Bij personen staat geen voorzetsel tussen het werkwoord en de naam: connaître Sophie, niet connaître à Sophie. Bij een persoonlijk voornaamwoord krijg je een lijdend-voorwerpsvorm (een kort woord dat vervangt wie of wat je kent): Je la connais (“Ik ken haar”) en Tu le connais ? (“Ken je hem?”).
Connaître wordt normaal niet gevolgd door een hele bijzin. Voor “Ik weet dat…” zeg je Je sais que…, niet Je connais que….
Savoir met een zelfstandig naamwoord
De beginnersregel “connaître vóór een zelfstandig naamwoord” is te grof. Savoir kan bij woorden die een duidelijk afgebakend stukje informatie voorstellen. Veelvoorkomende combinaties zijn:
- savoir la réponse — het antwoord weten;
- savoir son nom — zijn of haar naam weten;
- savoir l’adresse — het adres weten;
- savoir la vérité — de waarheid weten;
- savoir sa leçon — de les uit het hoofd kennen.
Soms zijn beide werkwoorden mogelijk, maar verandert het gezichtspunt:
- Je sais son adresse. — Ik weet zijn/haar adres; ik kan het noemen.
- Je connais cette adresse. — Ik ken dit adres; het is mij bekend, bijvoorbeeld omdat ik er geweest ben.
Voorbeelden in context
| Frans | Nederlands | Waarom dit werkwoord? |
|---|---|---|
| Tu sais nager ? | Kun je zwemmen? | Aangeleerde vaardigheid |
| Je ne sais pas la réponse. | Ik weet het antwoord niet. | Concrete informatie |
| Savez-vous à quelle heure le musée ferme ? | Weet u hoe laat het museum sluit? | Informatie na een vraagconstructie |
| On sait que le train a du retard. | We weten dat de trein vertraging heeft. | Feit na que |
| Ma fille sait déjà compter jusqu’à cent. | Mijn dochter kan al tot honderd tellen. | Aangeleerde vaardigheid |
| Je sais comment ouvrir ce fichier. | Ik weet hoe ik dit bestand moet openen. | Werkwijze na comment |
| Tu connais Marie ? | Ken je Marie? | Persoon |
| Je connais bien Paris. | Ik ken Parijs goed. | Vertrouwdheid met een plaats |
| Vous connaissez ce restaurant ? | Kent u dit restaurant? | Ervaring met een zaak |
| Nous ne connaissons pas encore nos voisins. | Wij kennen onze buren nog niet. | Personen |
| Il connaît très bien ce sujet. | Hij kent dit onderwerp heel goed. | Kennis door vertrouwdheid of studie |
| Je connais cette chanson, mais je ne sais pas les paroles. | Ik ken dit lied, maar ik ken de tekst niet uit mijn hoofd. | Vertrouwdheid tegenover exacte kennis |
| Elle sait son numéro, mais elle ne le connaît pas personnellement. | Zij weet zijn nummer, maar kent hem niet persoonlijk. | Informatie tegenover persoonlijke bekendheid |
| Tu sais où se trouve la gare, ou tu connais seulement le quartier ? | Weet je waar het station is, of ken je alleen de wijk? | Locatie-informatie tegenover vertrouwdheid |
Veelgemaakte fouten
Connaître gebruiken vóór een bijzin
- Fout: Je connais qu’il travaille ici.
- Goed: Je sais qu’il travaille ici.
- Waarom: een mededeling na que is informatie. Daarvoor gebruik je savoir. Connaître krijgt geen que-bijzin als aanvulling.
Savoir gebruiken voor een persoon
- Fout: Je sais Camille.
- Goed: Je connais Camille.
- Waarom: als je bedoelt dat je met Camille bekend bent of haar ontmoet hebt, gebruik je connaître. Savoir past alleen bij informatie over haar: Je sais où habite Camille.
Pouvoir en savoir verwarren
- Fout: Je peux parler français wanneer je alleen je taalvaardigheid bedoelt.
- Beter: Je sais parler français.
- Waarom: savoir benadrukt dat je de vaardigheid beheerst. Pouvoir parler français kan betekenen dat spreken op dit moment mogelijk of toegestaan is. In de praktijk kan pouvoir soms ook algemene bekwaamheid uitdrukken, maar voor een geleerde vaardigheid is savoir de veiligste keuze.
De regel “zelfstandig naamwoord = connaître” blind toepassen
- Fout: Je ne connais pas la réponse.
- Gebruikelijk: Je ne sais pas la réponse.
- Waarom: la réponse is wel een zelfstandig naamwoord, maar staat voor een concreet stukje informatie. Daarom is savoir hier normaal.
De onregelmatige vormen raden
- Fout: Nous saisons la vérité. / Ils connaîtrent Paris.
- Goed: Nous savons la vérité. / Ils connaissent Paris.
- Waarom: beide werkwoorden zijn onregelmatig. Leer vooral nous savons, vous savez, ils savent en nous connaissons, vous connaissez, ils connaissent als vaste reeksen.
Gebruiksnotities
Je ne sais pas in gesprekken
Je ne sais pas is de gewone neutrale vorm van “ik weet het niet”. In informele spreektaal valt ne vaak weg: Je sais pas. Als beginner kun je beter eerst de volledige vorm gebruiken; die is altijd correct. Herken de korte vorm wel, want je hoort haar vaak.
Tu sais ? kan letterlijk “Weet je?” betekenen, maar dient ook als gespreksinleider, ongeveer zoals Nederlands “weet je”. Vous savez ? is de beleefde of meervoudige variant.
Connaître bien en connaître de nom
Met bijwoorden maak je duidelijk hoe vertrouwd iemand is:
- Je connais bien Lyon. — Ik ken Lyon goed.
- Je connais un peu ce logiciel. — Ik ken dit programma een beetje.
- Je la connais de nom. — Ik ken haar van naam.
- Je le connais de vue. — Ik ken hem van gezicht.
Zonder nadere bepaling zegt connaître alleen dat er enige bekendheid is. Het zegt niet automatisch dat je iemand goed of persoonlijk kent.
Vragen in alledaags Frans
Alle drie deze vragen zijn mogelijk:
- Tu connais ce café ? — gewone spreektaal, met stijgende intonatie;
- Est-ce que tu connais ce café ? — neutraal en heel duidelijk;
- Connais-tu ce café ? — verzorgder of formeler.
Hetzelfde geldt voor Tu sais… ?, Est-ce que tu sais… ? en Sais-tu… ?. De keuze tussen savoir en connaître verandert niet door de vraagvorm.
Verder dan de basis
De volgende nuances hoef je op A1 nog niet actief te beheersen, maar ze helpen bij teksten en gesprekken op een hoger niveau.
Het verschil in de verleden tijd
In de passé composé (een veelgebruikte Franse verleden tijd met een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord) drukken de twee werkwoorden vaak een ontwikkeling uit:
- J’ai su la nouvelle hier. — Ik kwam het nieuws gisteren te weten.
- J’ai connu Paul à l’université. — Ik heb Paul op de universiteit leren kennen / ik kende hem daar.
Avoir su kan het moment aangeven waarop informatie bekend werd. Avoir connu kan betekenen dat je iemand of iets hebt meegemaakt of gekend: Elle a connu une période difficile (“Zij heeft een moeilijke periode gekend”). Voor een voortdurende toestand in het verleden verschijnt vaak de imparfait (de verleden tijd voor achtergronden en aanhoudende situaties): Je savais la réponse en Je connaissais déjà Paris.
Connaître kan grondige beheersing uitdrukken
Bij een vakgebied, tekst of systeem kan connaître meer zijn dan oppervlakkige herkenning:
- Elle connaît bien le droit européen. — Zij kent het Europese recht goed.
- Il connaît son métier. — Hij verstaat zijn vak.
Toch blijft het verschil met savoir zichtbaar. Il connaît la grammaire beschrijft vertrouwdheid met grammatica als onderwerp; il sait expliquer cette règle zegt dat hij weet hoe hij deze regel moet uitleggen.
Vaste constructies met savoir
Savoir komt voor in enkele veelgebruikte constructies:
- faire savoir — laten weten: Faites-moi savoir votre décision. (“Laat mij uw beslissing weten.”)
- à savoir — namelijk, te weten: Deux personnes viennent, à savoir Léa et Karim.
- que je sache — voor zover ik weet: Il n’est pas parti, que je sache.
Ook kan savoir in formeler taalgebruik met een infinitief een ontwikkelde houding of bekwaamheid uitdrukken: Elle sait rester calme (“Zij weet kalm te blijven”). Dat gaat verder dan een eenvoudige handvaardigheid.
Het zelfstandig naamwoord le savoir
Le savoir is ook een zelfstandig naamwoord en betekent “kennis” of “het weten”: le partage du savoir (“het delen van kennis”). La connaissance betekent eveneens “kennis”, maar kan ook “bekendheid” of “een kennis” aanduiden. Deze woordenschat sluit aan bij hetzelfde betekenisverschil, al is de verdeling niet in elke uitdrukking één op één gelijk.
Oefentips
- Sorteer op soort kennis. Maak twee kolommen. Zet personen, plaatsen en bekende werken bij connaître; zet feiten, vraagwoorden en vaardigheden bij savoir. Schrijf daarna met elk item een volledige zin.
- Oefen met Nederlandse zinnen met “kunnen”. Vraag telkens of het om een geleerde vaardigheid gaat (savoir) of om mogelijkheid/toestemming (pouvoir): “Ik kan koken” tegenover “Ik kan vanavond koken”.
- Leer contrastparen. Combineer beide werkwoorden in één situatie: Je connais ce quartier, mais je ne sais pas où est la pharmacie. Zo oefen je betekenis in plaats van alleen losse vervoegingen.
Verwante onderwerpen
- Voorkennis: Regelmatige werkwoorden op -ER — helpt je de gewone Franse tegenwoordige tijd te herkennen en laat zien waarom savoir en connaître apart geleerd moeten worden.
Vereiste kennis
Regelmatige -ER-werkwoorden in het FransA1Meer A1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Savoir et Connaître in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen