A2

Passé composé in het Frans

Passé Composé

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.

Kort gezegd

De passé composé gebruik je vooral voor een afgeronde handeling of gebeurtenis in het verleden: J’ai mangé betekent zowel ‘ik heb gegeten’ als, afhankelijk van de context, ‘ik at’. Je vormt deze tijd met avoir of être in de tegenwoordige tijd plus een participe passé (voltooid deelwoord): nous avons fini, elle est arrivée. De meeste werkwoorden krijgen avoir; een beperktere groep en de wederkerende werkwoorden krijgen être.

Overzicht

De passé composé is de verleden tijd waarmee je op A2-niveau vertelt wat er gebeurd is: wat je gisteren deed, hoe een reis verliep of welke handelingen elkaar opvolgden. Hij komt zeer vaak voor in gesprekken, berichten, nieuws en alledaagse verhalen. De naam betekent letterlijk ‘samengestelde verleden tijd’, omdat de vorm uit twee delen bestaat.

Voor Nederlandstaligen voelt het basisidee vertrouwd. Frans j’ai travaillé lijkt op ‘ik heb gewerkt’ en elle est partie op ‘zij is vertrokken’. Toch lopen Frans en Nederlands niet steeds gelijk. Een Nederlandse onvoltooid verleden tijd kan in het Frans een passé composé worden: ‘Gisteren kocht ik brood’ is Hier, j’ai acheté du pain. Omgekeerd wordt een achtergrond, toestand of gewoonte vaak met de imparfait uitgedrukt, niet met de passé composé.

De eenvoudige beginnersregel is dus: kies voor een afgeronde gebeurtenis, vorm hulpwerkwoord + voltooid deelwoord, en leer bij elk nieuw werkwoord of het avoir dan wel être neemt. De uitzonderingen rond overeenstemming staan later apart, zodat je de basis eerst stevig kunt gebruiken.

Hoe het werkt

De basisformule

Type Opbouw Voorbeeld Betekenis
Meeste werkwoorden onderwerp + vorm van avoir + voltooid deelwoord Nous avons fini. We zijn klaar / We hebben het afgemaakt.
Bepaalde werkwoorden onderwerp + vorm van être + voltooid deelwoord Elle est partie. Ze is vertrokken.

Het onderwerp is wie of wat de handeling uitvoert. Alleen het hulpwerkwoord verandert met het onderwerp; het voltooid deelwoord blijft in de basis hetzelfde: j’ai parlé, tu as parlé, nous avons parlé.

De hulpwerkwoorden

Persoon avoir être
je j’ai je suis
tu tu as tu es
il / elle / on il a / elle a / on a il est / elle est / on est
nous nous avons nous sommes
vous vous avez vous êtes
ils / elles ils ont / elles ont ils sont / elles sont

Let vooral op ils ont tegenover ils sont. In vloeiende uitspraak klinkt de verbinding in ils ont met een z-klank: /il-zɔ̃/.

Regelmatige voltooide deelwoorden

Je maakt het participe passé vanuit de infinitief (de hele werkwoordsvorm, zoals parler of finir).

Infinitief Vorming Voltooid deelwoord Voorbeeld
werkwoorden op -er vervang -er door parler → parlé J’ai parlé.
veel werkwoorden op -ir vervang -ir door -i finir → fini Nous avons fini.
veel werkwoorden op -re vervang -re door -u vendre → vendu Il a vendu sa voiture.

Dit zijn patronen, geen garantie voor ieder werkwoord. Veel veelgebruikte deelwoorden zijn onregelmatig en moeten apart worden geleerd.

Infinitief Voltooid deelwoord Voorbeeld
avoir eu J’ai eu de la chance.
être été Elle a été malade.
faire fait Vous avez fait un choix.
prendre pris On a pris le train.
mettre mis J’ai mis la table.
voir vu Tu as vu Léa ?
lire lu Il a lu le message.
boire bu Nous avons bu un café.
venir venu Elles sont venues.
naître Il est né en 1998.

Let op elle a été: het werkwoord être vormt zijn eigen passé composé met avoir, niet met zichzelf.

Wanneer gebruik je avoir?

Avoir is de standaardkeuze. Het geldt voor de overgrote meerderheid van de werkwoorden, ook voor werkwoorden waarbij het Nederlands soms ‘zijn’ gebruikt. Zo is ‘ik ben begonnen’ in het Frans j’ai commencé en ‘het is veranderd’ meestal ça a changé.

Met avoir krijgt het voltooid deelwoord in de eenvoudige basiszin geen uitgang die bij het onderwerp past:

  • Il a mangé.
  • Elle a mangé.
  • Ils ont mangé.
  • Elles ont mangé.

Wanneer gebruik je être?

Een beperkte groep onovergankelijke werkwoorden — werkwoorden zonder lijdend voorwerp (zonder iets of iemand die de handeling rechtstreeks ondergaat) — vormt de passé composé met être. Belangrijke zijn:

aller, arriver, partir, venir, entrer, sortir, monter, descendre, naître, mourir, tomber, rester, retourner, rentrer, revenir en devenir.

Daarnaast gebruiken alle wederkerende werkwoorden met se in de infinitief être: se lever → je me suis levé(e), se souvenir → nous nous sommes souvenus.

Sommige werkwoorden uit de lijst kunnen ook met avoir voorkomen wanneer ze een lijdend voorwerp hebben. Vergelijk:

  • Elle est sortie. — Ze is naar buiten gegaan.
  • Elle a sorti les clés. — Ze heeft de sleutels tevoorschijn gehaald.
  • Nous sommes montés. — We zijn naar boven gegaan.
  • Nous avons monté les valises. — We hebben de koffers naar boven gebracht.

Leer daarom niet alleen ‘sortir krijgt être’, maar ook welke betekenis en zinsbouw bedoeld zijn.

Overeenstemming met être

Na être past het voltooid deelwoord zich in de gewone gevallen aan het onderwerp aan. Dat heet overeenstemming: de spelling laat mannelijk of vrouwelijk en enkelvoud of meervoud zien.

Onderwerp Uitgang Voorbeeld
mannelijk enkelvoud geen extra uitgang Paul est arrivé.
vrouwelijk enkelvoud -e Nora est arrivée.
mannelijk of gemengd meervoud -s Paul et Marc sont arrivés.
vrouwelijk meervoud -es Nora et Zoé sont arrivées.

De extra -e en -s hoor je meestal niet. Juist daarom moet je er bij het schrijven bewust op letten. Bij je suis allé(e) hangt de vorm af van de persoon die ‘ik’ zegt of schrijft. Bij een gemengde groep gebruikt de traditionele standaardtaal de mannelijke meervoudsvorm: Lina et Marc sont partis.

Ontkenning en woordvolgorde

Bij een ontkenning staan ne en pas om het hulpwerkwoord heen:

  • Je n’ai pas compris. — Ik heb het niet begrepen.
  • Elle n’est pas venue. — Ze is niet gekomen.
  • Nous ne nous sommes pas levés tôt. — We zijn niet vroeg opgestaan.

In informele spreektaal valt ne vaak weg: J’ai pas compris. In verzorgde schrijftaal houd je ne wel. Korte bijwoorden zoals déjà, bien, beaucoup en encore staan vaak tussen hulpwerkwoord en deelwoord: J’ai déjà mangé, Elle a beaucoup travaillé. Langere bepalingen komen gewoonlijk erna: Nous avons travaillé toute la journée.

Voorwerpvoornaamwoorden staan vóór het hulpwerkwoord:

  • Je l’ai vu. — Ik heb hem/haar/het gezien.
  • Nous leur avons parlé. — We hebben met hen gesproken.
  • Tu en as acheté ? — Heb je ervan gekocht?

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Toelichting
J’ai mangé la pizza. Ik heb de pizza gegeten. Afgeronde handeling met avoir.
Hier, j’ai acheté du pain. Gisteren kocht ik brood. Een Nederlandse onvoltooid verleden tijd wordt hier passé composé.
Nous avons fini le travail à six heures. We hebben het werk om zes uur afgemaakt. Regelmatig deelwoord op -i.
Tu as vu ce film ? Heb je deze film gezien? Onregelmatig deelwoord vu.
On a pris le dernier train. We hebben de laatste trein genomen. On betekent hier informeel ‘we’.
Elle est arrivée en retard. Ze is te laat aangekomen. Être en vrouwelijke uitgang -e.
Ils sont partis après le déjeuner. Ze zijn na de lunch vertrokken. Mannelijk of gemengd meervoud op -s.
Mes sœurs sont venues dimanche. Mijn zussen zijn zondag gekomen. Vrouwelijk meervoud op -es.
Je suis allé(e) à Paris en mai. Ik ben in mei naar Parijs gegaan. De geschreven uitgang hangt af van de spreker.
Léa s’est levée à sept heures. Léa is om zeven uur opgestaan. Wederkerend werkwoord met être.
Nous ne sommes pas restés longtemps. We zijn niet lang gebleven. Ontkenning rond het hulpwerkwoord.
Vous avez déjà réservé une table ? Hebben jullie al een tafel gereserveerd? Déjà staat tussen hulpwerkwoord en deelwoord.
D’abord, il a appelé Marie, puis il est sorti. Eerst belde hij Marie, daarna ging hij naar buiten. Opeenvolgende afgeronde gebeurtenissen.
Quand je suis arrivé, le magasin était fermé. Toen ik aankwam, was de winkel dicht. Gebeurtenis in passé composé; toestand in imparfait.

Veelgemaakte fouten

Het hulpwerkwoord letterlijk uit het Nederlands overnemen

  • Fout: Je suis commencé à huit heures.
  • Goed: J’ai commencé à huit heures.
  • Waarom: Nederlands zegt ‘ik ben begonnen’, maar Frans commencer gebruikt avoir.

Être vergeten bij een werkwoord uit de être-groep

  • Fout: Elle a arrivée hier.
  • Goed: Elle est arrivée hier.
  • Waarom: Arriver gebruikt hier être. Omdat het onderwerp vrouwelijk enkelvoud is, komt er ook een -e bij.

Het deelwoord vervoegen als een persoonsvorm

  • Fout: Nous avons finissons le travail.
  • Goed: Nous avons fini le travail.
  • Waarom: Na het vervoegde hulpwerkwoord komt het onvervoegde voltooid deelwoord, niet de tegenwoordige tijd.

De accenten in regelmatige deelwoorden verwarren

  • Fout: J’ai parler avec lui.
  • Goed: J’ai parlé avec lui.
  • Waarom: Bij een regelmatig werkwoord op -er eindigt het deelwoord op . Parler is de infinitief.

Overeenstemming na être overslaan

  • Fout: Elles sont parti tôt.
  • Goed: Elles sont parties tôt.
  • Waarom: Na être past parti zich aan een vrouwelijk meervoud aan: parties.

Pas op de verkeerde plaats zetten

  • Fout: Je n’ai compris pas.
  • Goed: Je n’ai pas compris.
  • Waarom: In de passé composé omsluiten ne ... pas het hulpwerkwoord.

Gebruiksnotities

De passé composé vertaalt niet één-op-één naar één Nederlandse tijd. J’ai perdu mes clés kan ‘ik heb mijn sleutels verloren’ betekenen wanneer het resultaat nu belangrijk is, maar in een verhaal ook eenvoudig ‘ik verloor mijn sleutels’. Kijk dus naar het soort gebeurtenis, niet alleen naar de Nederlandse werkwoordsvorm.

Voor een reeks gebeurtenissen is de passé composé heel natuurlijk: Je suis rentré, j’ai préparé le dîner et j’ai appelé ma sœur. Voor gewoonten, beschrijvingen en een voortdurende achtergrond gebruikt het Frans meestal de imparfait: Quand j’étais étudiant, je travaillais le samedi (‘Toen ik student was, werkte ik op zaterdag’). Vaak staan beide tijden in één zin: Il pleuvait quand nous sommes sortis — het regende al, en toen gingen wij naar buiten.

In alledaags gesproken Frans heeft de passé composé voor veel toepassingen de historische passé simple verdrongen. In romans en geschiedkundige teksten kun je die literaire tijd nog wel tegenkomen. Je hoeft daaruit niet af te leiden dat de passé composé informeel is: hij is ook volledig normaal in verzorgde hedendaagse taal.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet volledig te beheersen, maar ze verklaren vormen die je later zult zien.

Een voorafgaand lijdend voorwerp met avoir

Na avoir is er normaal geen overeenstemming met het onderwerp. Er kan echter wel overeenstemming ontstaan met een lijdend voorwerp (wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat) wanneer dat vóór het voltooid deelwoord staat:

  • J’ai acheté les fleurs. — geen aanpassing; les fleurs staat erna.
  • Les fleurs que j’ai achetées sont rouges.que verwijst naar het vrouwelijke meervoud les fleurs en staat vóór achetées.
  • Je les ai achetées hier.les verwijst naar les fleurs.

Dit verschil is vooral zichtbaar in geschreven Frans; de extra uitgangen zijn vaak niet hoorbaar.

Wederkerende werkwoorden zijn ingewikkelder dan ze lijken

Wederkerende werkwoorden gebruiken altijd être, maar hun overeenstemming hangt op gevorderd niveau af van de functie van het wederkerend voornaamwoord:

  • Elles se sont vues. — Ze hebben elkaar gezien; se is het voorafgaande lijdend voorwerp.
  • Elles se sont lavées. — Ze hebben zich gewassen.
  • Elles se sont lavé les mains. — Ze hebben hun handen gewassen; les mains staat als lijdend voorwerp ná het deelwoord, dus geen -es aan lavé.
  • Ils se sont parlé. — Ze hebben met elkaar gesproken; bij parler à quelqu’un is se een meewerkend voorwerp (aan wie de handeling gericht is), dus geen overeenstemming.

Voor een beginner blijft ‘wederkerend werkwoord → être’ de nuttige eerste regel. Voeg de fijnere analyse toe zodra je met voorwerpvoornaamwoorden en overeenstemming werkt.

Betekenis kan het hulpwerkwoord bepalen

Bij monter, descendre, sortir, rentrer, retourner en passer kan de zinsbouw de keuze veranderen. Zonder lijdend voorwerp duidt être vaak een verplaatsing aan: Elle est descendue. Met een lijdend voorwerp gebruikt het werkwoord avoir: Elle a descendu l’escalier. Bij passer is Elle est passée par Lyon ‘ze is via Lyon gereisd’, maar Elle a passé deux semaines à Lyon ‘ze heeft twee weken in Lyon doorgebracht’.

Oefentips

  1. Leer werkwoord en hulpwerkwoord samen. Noteer niet alleen venir — venu, maar venir — être — venu: elle est venue. Voor de meeste andere werkwoorden noteer je avoir alleen wanneer je Nederlandse intuïtie je op het verkeerde been kan zetten, zoals bij commencer.
  2. Maak een dagelijks rijtje van drie zinnen. Schrijf wat je gisteren eerst, daarna en ten slotte deed. Gebruik minstens één ontkenning en wissel avoir en être af: D’abord, j’ai… Puis, je suis… Enfin, je n’ai pas…
  3. Controleer in vaste stappen. Zoek eerst het onderwerp, kies dan het hulpwerkwoord, vorm vervolgens het deelwoord en controleer als laatste de overeenstemming. Hardop lezen helpt voor vloeiendheid; apart nalezen blijft nodig voor stille uitgangen als -e en -s.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Avoir in het FransA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Passé Composé in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen