A2

Passé composé met être in het Frans

Passé Composé avec Être

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.

In het kort

Een beperkte groep Franse werkwoorden vormt de passé composé met een vervoegde vorm van être plus een voltooid deelwoord: elle est arrivée, nous sommes partis. Het voltooid deelwoord (een vorm zoals arrivé of parti) past zich daarbij aan het onderwerp aan: meestal komt er -e bij voor vrouwelijk, -s voor meervoud en -es voor vrouwelijk meervoud. Sommige werkwoorden gebruiken echter avoir zodra ze een lijdend voorwerp hebben.

Overzicht

De passé composé gebruik je voor een afgeronde gebeurtenis in het verleden. De vorm bestaat uit een hulpwerkwoord (een werkwoord dat een andere werkwoordsvorm helpt maken) en een voltooid deelwoord: j’ai travaillé en je suis venu. De meeste Franse werkwoorden nemen avoir. Een kleinere groep neemt être en vraagt daardoor extra aandacht voor de uitgang van het voltooid deelwoord.

Dit onderwerp verschijnt op A2-niveau, vaak kort nadat je de algemene passé composé hebt geleerd. Veel voorkomende werkwoorden uit deze groep drukken aankomen, vertrekken, ergens binnengaan, terugkomen of een verandering van toestand uit. Toch kun je niet simpelweg aannemen dat ieder bewegingswerkwoord être neemt: j’ai marché en j’ai voyagé hebben bijvoorbeeld gewoon avoir. Leer daarom het hulpwerkwoord samen met het werkwoord.

Voor Nederlandstaligen voelt être soms vertrouwd: je suis parti lijkt op “ik ben vertrokken”. Het grote verschil zit in de overeenkomst. In het Nederlands blijft “vertrokken” gelijk, ongeacht wie vertrok. In het Frans laat de spelling vaak geslacht en getal van het onderwerp zien (de persoon of zaak over wie de zin gaat): il est parti, elle est partie, ils sont partis, elles sont parties.

Hoe het werkt

De basisformule

De volgorde is:

onderwerp + tegenwoordige tijd van être + voltooid deelwoord

Onderwerp être Voorbeeld met partir Betekenis
je suis je suis parti(e) ik ben vertrokken
tu es tu es parti(e) jij bent vertrokken
il / elle / on est il est parti / elle est partie / on est parti(s) hij/zij is, wij zijn vertrokken
nous sommes nous sommes parti(e)s wij zijn vertrokken
vous êtes vous êtes parti(e)(s) u bent / jullie zijn vertrokken
ils / elles sont ils sont partis / elles sont parties zij zijn vertrokken

De letters tussen haakjes hangen af van de persoon of groep. In een echte zin kies je één vorm: een vrouw schrijft bijvoorbeeld je suis partie, niet je suis parti(e). De notatie met haakjes is alleen een handige manier om meerdere mogelijkheden tegelijk te tonen.

Overeenkomst met het onderwerp

Bij deze werkwoorden werkt het voltooid deelwoord ongeveer als een bijvoeglijk naamwoord: het richt zich naar geslacht en getal van het onderwerp.

Onderwerp Uitgang Voorbeeld
mannelijk enkelvoud geen extra uitgang Paul est arrivé.
vrouwelijk enkelvoud -e Sophie est arrivée.
mannelijk of gemengd meervoud -s Paul et Sophie sont arrivés.
vrouwelijk meervoud -es Sophie et Léa sont arrivées.

Bij veel vormen hoor je het verschil niet: arrivé, arrivée, arrivés en arrivées klinken in de standaarduitspraak doorgaans hetzelfde. Daardoor is dit vooral bij schrijven een valkuil. Bij enkele deelwoorden kan de vorm of uitspraak wel duidelijker verschillen, bijvoorbeeld mort tegenover morte.

Bij je, tu, nous en vous moet je uit de context weten wie bedoeld wordt. Een vrouw zegt of schrijft je suis née; twee vrouwen schrijven nous sommes venues. Vous êtes arrivé kan één man formeel aanspreken, vous êtes arrivée één vrouw, vous êtes arrivés een groep met minstens één man en vous êtes arrivées een groep vrouwen.

Het voornaamwoord on is grammaticaal enkelvoud, zodat het hulpwerkwoord altijd est is. Als on in informele taal “wij” betekent, zie je in verzorgd schrift zowel overeenkomst naar de bedoelde personen als een enkelvoudige vorm, afhankelijk van stijl en context: On est arrivés à huit heures voor een gemengde groep is heel gebruikelijk. Voor de eenvoudige A2-regel kun je vooral onthouden: on est, nooit on sont.

Welke werkwoorden nemen être?

De kernlijst bevat de volgende werkwoorden en enkele nauw verwante vormen:

Werkwoord Voltooid deelwoord Nederlandse betekenis
aller allé gaan
venir venu komen
arriver arrivé aankomen
partir parti vertrekken
entrer entré binnengaan
rentrer rentré teruggaan, thuiskomen
sortir sorti uitgaan, naar buiten gaan
monter monté naar boven gaan
descendre descendu naar beneden gaan
rester resté blijven
tomber tombé vallen
retourner retourné teruggaan
naître geboren worden
mourir mort sterven
devenir devenu worden
revenir revenu terugkomen

Een geheugensteun zoals DR MRS VANDERTRAMP kan helpen om de traditionele lijst te onthouden. Zie die letters niet als een grammaticale regel: de betekenis alleen voorspelt het hulpwerkwoord niet altijd. Courir “rennen”, marcher “lopen” en voyager “reizen” beschrijven ook beweging, maar vormen de passé composé met avoir.

Samengestelde werkwoorden volgen meestal hun basiswerkwoord. Naast venir en revenir vind je bijvoorbeeld ook devenir, die eveneens être nemen. Leer wel altijd aan de hand van betrouwbare voorbeelden; niet elk werkwoord met een ruimtelijke betekenis hoort automatisch bij deze groep.

Ontkenning en bijwoorden

Bij een ontkenning staan ne en pas rond het vervoegde hulpwerkwoord:

  • Elle n’est pas venue. — Zij is niet gekomen.
  • Nous ne sommes jamais retournés là-bas. — We zijn daar nooit teruggegaan.

Korte bijwoorden zoals déjà staan vaak tussen het hulpwerkwoord en het deelwoord: Ils sont déjà partis. Langere bepalingen staan meestal na de volledige werkwoordsvorm: Elle est arrivée très tard hier soir.

Wanneer hetzelfde werkwoord avoir krijgt

Monter, descendre, sortir, rentrer en retourner kunnen zonder lijdend voorwerp een verplaatsing van het onderwerp beschrijven. Dan nemen ze être: Elle est montée, “zij is naar boven gegaan”. Een lijdend voorwerp is de persoon of zaak die rechtstreeks door de handeling wordt getroffen, te vinden met de vraag “wie of wat?”. Als zo’n werkwoord iets rechtstreeks als voorwerp heeft, neemt het doorgaans avoir:

Zonder lijdend voorwerp: être Met lijdend voorwerp: avoir
Elle est montée au troisième étage. — Ze is naar de derde verdieping gegaan. Elle a monté les valises. — Ze heeft de koffers naar boven gebracht.
Nous sommes descendus à Lyon. — We zijn in Lyon uitgestapt. Nous avons descendu l’escalier. — We zijn de trap af gelopen.
Il est sorti à midi. — Hij is om twaalf uur naar buiten gegaan. Il a sorti son téléphone. — Hij heeft zijn telefoon tevoorschijn gehaald.
Je suis retourné au bureau. — Ik ben teruggegaan naar kantoor. J’ai retourné la crêpe. — Ik heb de pannenkoek omgedraaid.

Dit is geen vrije keuze tussen twee hulpwerkwoorden: de zinsbouw en betekenis bepalen de vorm.

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Opmerking
Je suis parti hier matin. Ik ben gisterochtend vertrokken. Een mannelijke spreker gebruikt parti.
Je suis partie hier matin. Ik ben gisterochtend vertrokken. Een vrouwelijke spreker voegt -e toe.
Elle est née en France. Zij is in Frankrijk geboren. Onregelmatig deelwoord , hier née.
Ils sont restés à la maison. Zij zijn thuisgebleven. Mannelijk of gemengd meervoud: -s.
Nous sommes descendues à la prochaine station. We zijn bij het volgende station uitgestapt. Een groep vrouwen krijgt -es.
Tu es déjà allé à Marseille ? Ben je al eens naar Marseille geweest? Gericht tot een man of jongen.
Mes sœurs sont venues en train. Mijn zussen zijn met de trein gekomen. venu wordt venues.
Le train est arrivé avec dix minutes de retard. De trein is met tien minuten vertraging aangekomen. Le train is mannelijk enkelvoud.
Paul et Inès sont rentrés tard. Paul en Inès zijn laat thuisgekomen. Een gemengde groep krijgt de mannelijke meervoudsvorm.
Elle n’est pas sortie ce week-end. Ze is dit weekend niet uitgegaan. Ontkenning rond est.
Vous êtes tombée dans l’escalier, madame ? Bent u op de trap gevallen, mevrouw? Formeel vous voor één vrouw.
Après le dîner, nous sommes retournés à l’hôtel. Na het avondeten zijn we teruggegaan naar het hotel. Retourner zonder lijdend voorwerp.
Il est mort en 1998. Hij is in 1998 overleden. Onregelmatig deelwoord mort.
Elles sont devenues médecins. Zij zijn arts geworden. Zowel devenir als devenues hoort bij een vrouwelijke groep.

Veelgemaakte fouten

Avoir gebruiken bij een werkwoord uit de être-groep

  • Fout: J’ai allé au marché.
  • Goed: Je suis allé(e) au marché.
  • Waarom: Aller vormt de passé composé met être. De Nederlandse vorm “ik ben gegaan” helpt hier toevallig, maar vertrouw niet uitsluitend op Nederlandse vertalingen.

De overeenkomst vergeten

  • Fout: Marie est arrivé tôt.
  • Goed: Marie est arrivée tôt.
  • Waarom: Marie is vrouwelijk enkelvoud, dus arrivé krijgt -e. Dat verschil hoor je meestal niet, maar je moet het wel schrijven.

Een meervoud als enkelvoud schrijven

  • Fout: Ils sont resté à la maison.
  • Goed: Ils sont restés à la maison.
  • Waarom: Het onderwerp ils is meervoud, dus het deelwoord krijgt -s. Bij elles wordt dat -es: elles sont restées.

Alle bewegingswerkwoorden met être vormen

  • Fout: Nous sommes voyagé en France.
  • Goed: Nous avons voyagé en France.
  • Waarom: Beweging is slechts een geheugensteun, geen sluitende regel. Voyager, marcher en courir nemen avoir.

Être gebruiken terwijl er een lijdend voorwerp staat

  • Fout: Elle est sorti les poubelles.
  • Goed: Elle a sorti les poubelles.
  • Waarom: Hier betekent sortir dat zij iets naar buiten heeft gebracht. Les poubelles is het lijdend voorwerp, waardoor het werkwoord avoir neemt.

De Nederlandse woordvolgorde kopiëren

  • Fout: Elle est hier arrivée.
  • Goed: Elle est arrivée hier.
  • Waarom: In een gewone Franse mededelende zin blijft hulpwerkwoord plus deelwoord bijeen. Een Nederlandse volgorde als “zij is gisteren aangekomen” kun je dus niet woord voor woord overzetten.

Gebruiksnotities

In alledaags gesproken Frans valt ne vaak weg: Elle est pas venue. In neutraal en verzorgd geschreven Frans blijft ne ... pas de veilige vorm: Elle n’est pas venue. Het gekozen hulpwerkwoord en de overeenkomst veranderen niet door die informele weglating.

De extra -e en -s zijn vaak alleen zichtbaar op papier. Train ze daarom apart tijdens het schrijven. Sprekers maken de overeenkomst grammaticaal ook wanneer de uitspraak identiek blijft. Bij dictees en formele berichten telt de spelling dus wel degelijk.

De traditionele lijst wordt vaak voorgesteld als een groep “werkwoorden van beweging”. Dat is praktisch maar onvolledig. Rester is juist geen beweging, terwijl marcher wel beweging uitdrukt maar avoir neemt. Het betrouwbaarste leerpatroon is daarom partir — être parti, venir — être venu, enzovoort.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet volledig te beheersen, maar ze maken het systeem later begrijpelijker.

Alle wederkerende werkwoorden — werkwoorden met se, waarbij de handeling naar het onderwerp terugwijst — vormen hun samengestelde tijden eveneens met être: elle s’est levée, ils se sont rencontrés. De regels voor overeenkomst kunnen daar ingewikkelder worden wanneer er een lijdend voorwerp bij betrokken is. Behandel dat als een apart vervolghoofdstuk; pas niet zonder meer iedere eenvoudige regel uit dit artikel toe op alle wederkerende zinnen.

Bij sommige werkwoorden verschuift niet alleen het hulpwerkwoord maar ook de betekenis wanneer er een lijdend voorwerp verschijnt. Vergelijk il est sorti (“hij is naar buiten gegaan”) met il a sorti la clé (“hij heeft de sleutel tevoorschijn gehaald”). Hetzelfde contrast helpt bij monter, descendre en retourner. Kijk dus eerst naar wat het werkwoord in de hele zin doet, en pas daarna naar het Nederlandse equivalent.

Ook de overeenkomst bij on en bij groepen hangt samen met betekenis en stijl. On est parties kan bijvoorbeeld aangeven dat “we” uitsluitend vrouwen zijn. In informele berichten komt deze betekenissovereenkomst veel voor. Wie op A2 vooral foutloos wil formuleren, kan bij een expliciet nous de gewone tabel volgen en bij on goed letten op voorbeelden uit betrouwbare teksten.

Ten slotte kan de passé composé in het Frans zowel een Nederlandse voltooide tijd als een gewone verleden tijd weergeven. Elle est arrivée hier kan natuurlijk vertaald worden als “ze is gisteren aangekomen”, maar in andere contexten klinkt “ze kwam gisteren aan” natuurlijker. Het Franse hulpwerkwoord être dwingt dus niet altijd een Nederlandse vertaling met “zijn” af; vertaal de gebeurtenis, niet ieder woord afzonderlijk.

Oefentips

  1. Leer in vaste paren. Noteer niet alleen venir — komen, maar venir — être venu. Maak hetzelfde rijtje voor partir, arriver, rester, naître en mourir.
  2. Maak een viervoudige spellingsoefening. Schrijf bij elk deelwoord vier vormen: arrivé, arrivée, arrivés, arrivées. Zet er daarna passende onderwerpen voor: il, elle, ils, elles.
  3. Controleer iedere passé composé in drie stappen. Zoek eerst het onderwerp, bepaal dan het juiste hulpwerkwoord en controleer ten slotte de uitgang. Vraag bij monter, descendre, sortir, rentrer en retourner bovendien of er een lijdend voorwerp staat.

Verwante onderwerpen

Vereiste kennis

Passé composé in het FransA2

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Oefen Passé Composé avec Être in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen