A2

Passé composé in het Frans

Passé Composé

Overzicht

De passé composé is de meest gebruikte verleden tijd in het gesproken en informeel geschreven Frans. Je gebruikt hem voor afgesloten handelingen in het verleden: een eenmalige gebeurtenis, een actie met een duidelijk begin en einde, of een reeks opeenvolgende handelingen.

De passé composé wordt gevormd met een hulpwerkwoord (avoir of être) plus het voltooid deelwoord (participe passé). De meeste werkwoorden gebruiken avoir als hulpwerkwoord; een specifieke groep van bewegings- en toestandswerkwoorden plus alle reflexieve werkwoorden gebruiken être.

Voor Nederlandstaligen is de passé composé vergelijkbaar met de Nederlandse voltooide tijd (ik heb gegeten, ik ben gegaan).

Hoe het werkt

Structuur: Onderwerp + avoir/être (geconjugeerd) + voltooid deelwoord

Vorming van het voltooid deelwoord:

  • -ER werkwoorden: stam + -é (parler → parlé)
  • -IR werkwoorden: stam + -i (finir → fini)
  • -RE werkwoorden: stam + -u (attendre → attendu)

Met avoir (meeste werkwoorden):

Persoon Voorbeeld Vertaling
j'ai j'ai parlé ik heb gesproken
tu as tu as fini jij hebt beëindigd
il/elle a il a attendu hij heeft gewacht
nous avons nous avons mangé wij hebben gegeten
vous avez vous avez choisi u heeft gekozen
ils/elles ont ils ont vendu zij hebben verkocht

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Opmerking
J'ai mangé une pizza. Ik heb een pizza gegeten. avoir + -ER
Il a fini son travail. Hij heeft zijn werk afgemaakt. avoir + -IR
Nous avons attendu le bus. We hebben op de bus gewacht. avoir + -RE
Tu as vu ce film ? Heb jij die film gezien? onregelmatig deelwoord
Elle a pris un taxi. Ze heeft een taxi genomen. onregelmatig: pris
Vous avez parlé avec lui ? Heeft u met hem gesproken? formeel
Ils ont fini hier soir. Ze hebben het gisteravond afgemaakt. tijdsaanduiding
Je n'ai pas dormi. Ik heb niet geslapen. ontkenning
Qu'est-ce que tu as fait ? Wat heb jij gedaan? vraagzin
Elles ont choisi le rouge. Ze hebben de rode gekozen. vrouwelijk meervoud

Veelgemaakte fouten

Être i.p.v. avoir als hulpwerkwoord gebruiken

  • Fout: Je suis mangé.
  • Correct: J'ai mangé.
  • Waarom: De meeste werkwoorden gebruiken avoir. Alleen een specifieke lijst gebruikt être (zie passé composé met être).

Het voltooid deelwoord niet aanpassen bij être-werkwoorden

  • Fout: Elle est parti.
  • Correct: Elle est partie.
  • Waarom: Bij être-hulpwerkwoord past het deelwoord zich aan in geslacht en getal.

Ontkenning rond hulpwerkwoord vergeten

  • Fout: Je ai pas mangé.
  • Correct: Je n'ai pas mangé.
  • Waarom: De ontkenning omringt het hulpwerkwoord: ne...pas om avoir/être.

Oefentips

  1. Vervoeg vijf veelgebruikte werkwoorden in de passé composé: manger, finir, attendre, voir, prendre.
  2. Beschrijf wat je gisteren gedaan hebt in vijf zinnen met de passé composé.
  3. Leer de meest voorkomende onregelmatige deelwoorden: eu, été, fait, pris, vu, dit, écrit, lu, mis, su.

Verwante concepten

Vereiste kennis

Avoir (hebben) in het FransA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A2-concepten

Wil je Passé composé in het Frans en meer Frans-grammatica oefenen? Maak een gratis account aan om te studeren met spaced repetition.

Gratis beginnen