A2

Het voornaamwoord *en* in het Frans

Le Pronom En

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.

In het kort

Het Franse voornaamwoord en vervangt meestal iets dat met de begint, waaronder de vormen du, de la, de l’ en des: Tu veux du café ? — Oui, j’en veux. Bij een hoeveelheid vervangt en het naamwoord, maar de hoeveelheid blijft staan: J’ai trois frères → J’en ai trois. Meestal staat en vóór het vervoegde werkwoord.

Overzicht

Het woord en is een voornaamwoord: een klein woord dat naar iets verwijst zonder dat je het naamwoord (een woord voor een persoon, dier, ding of begrip) opnieuw hoeft te noemen. Het kan bijvoorbeeld verwijzen naar koffie, boeken, een gespreksonderwerp of een plaats waar iemand vandaan komt. Zo voorkomt het Frans herhaling: Je veux du pain wordt in een antwoord J’en veux.

Dit onderwerp hoort bij A2 en sluit direct aan op de delende lidwoorden, zoals du, de la en des. In het Nederlands vertalen we en soms met ervan, erover, er, daarvandaan of wat. Heel vaak vertalen we het echter helemaal niet: J’en ai deux betekent gewoon ‘Ik heb er twee.’ Er bestaat dus geen Nederlands woord dat altijd bij en past.

Voor Nederlandstaligen voelt vooral de plaats van en ongewoon. Nederlandse woorden als ervan en erover staan vaak later in de zin, terwijl het Franse en doorgaans vlak vóór het werkwoord komt. Leer en daarom niet als een los Nederlands equivalent, maar als vervanger van een Franse woordgroep met de.

Hoe werkt het?

1. En vervangt de + iets

De eenvoudigste proef is: bevat de volledige zin de + naamwoord, of een samentrekking daarvan? Dan kan die groep vaak door en worden vervangen.

Volledige groep Met en Betekenis
du café J’en veux. Ik wil er wat van.
de la musique J’en écoute. Ik luister ernaar / ik luister muziek.
de l’argent J’en ai besoin. Ik heb het nodig.
des légumes J’en achète. Ik koop er / ik koop groenten.
de ce problème J’en parle. Ik praat erover.

De vormen du en des zijn hier samengetrokken vormen: du = de + le en des = de + les. Ook een werkwoord of uitdrukking die vast met de wordt gebruikt, kan en krijgen:

  • avoir besoin de quelque choseen avoir besoin
  • parler de quelque choseen parler
  • se souvenir de quelque choses’en souvenir
  • être content de quelque choseen être content

Let op: niet elk Nederlands van, erover of het leidt automatisch tot en. Kijk naar de Franse constructie. Penser à ce problème wordt bijvoorbeeld y penser, omdat penser à met à wordt gebouwd, niet met de.

2. Bij hoeveelheden blijft het getal of de hoeveelheid staan

Wanneer en een telbaar naamwoord vervangt, laat je het getal of de hoeveelheidsaanduiding staan. Alleen het naamwoord en zijn de-groep verdwijnen.

Volledige zin Zin met en
J’ai deux sœurs. J’en ai deux.
Nous achetons beaucoup de pommes. Nous en achetons beaucoup.
Elle boit un peu de lait. Elle en boit un peu.
Il ne reste aucun billet. Il n’en reste aucun.

Dit geldt ook na een vraag met combien:

Combien de frères as-tu ? — J’en ai deux.

Het Nederlands helpt hier gedeeltelijk: ‘Ik heb er twee’ lijkt sterk op J’en ai deux. Maar vergeet niet dat het Frans en vóór ai zet, terwijl Nederlands er op verschillende plaatsen kan staan.

Bij een exact aantal kan in zorgvuldig Frans een herhaald naamwoord nodig zijn als je een deel nader bepaalt: J’en ai acheté deux rouges (‘Ik heb er twee rode gekocht’) is normaal wanneer duidelijk is waarnaar en verwijst. De kernregel blijft dat het getal niet door en wordt vervangen.

3. En kan herkomst uit een plaats uitdrukken

Na werkwoorden van beweging kan en een plaats vervangen die met de wordt ingeleid:

  • Je viens de Paris.J’en viens.
  • Elle revient du marché.Elle en revient.
  • Nous sortons de la gare.Nous en sortons.

Hier betekent en ongeveer ‘daarvandaan’. Vergelijk dit met y, dat meestal een bestemming of verblijfplaats vervangt: Je vais à Paris → J’y vais, maar Je viens de Paris → J’en viens.

4. De plaats van en in de zin

In een gewone zin staat en vóór het vervoegde werkwoord:

  • J’en veux.
  • Nous n’en parlons pas.
  • Elle en achète souvent.

Bij een samengestelde tijd staat het vóór het hulpwerkwoord (het vervoegde avoir of être):

  • J’en ai acheté.
  • Nous en avons parlé.
  • Elle en est revenue hier.

Staat er een infinitief (de onbepaalde vorm, zoals acheter of parler) waarvan en afhangt, dan komt en vlak vóór die infinitief:

  • Je vais en acheter. — Ik ga er kopen.
  • Il préfère ne pas en parler. — Hij praat er liever niet over.
  • Nous devons en prendre deux. — We moeten er twee nemen.

5. Bevelen: vóór of achter het werkwoord

Bij een bevestigend bevel staat en achter het werkwoord, verbonden met een koppelteken:

  • Prends-en deux ! — Neem er twee!
  • Parlez-en à votre collègue ! — Praat erover met uw collega!
  • Achètes-en ! — Koop er wat!

Bij een ontkennend bevel keert en terug naar zijn gewone plaats vóór het werkwoord:

  • N’en prends pas ! — Neem er niet van!
  • N’en parlons plus ! — Laten we er niet meer over praten!

Voor de uitspraak en spelling krijgt de tu-vorm van een regelmatig -er-werkwoord vóór en een hoorbare -s: manges-en, achètes-en. Die s ontbreekt normaal in het losse bevel Mange ! of Achète !

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Toelichting
Tu veux du café ? — Oui, j’en veux. Wil je koffie? — Ja, graag / ja, ik wil er wat. En vervangt du café.
Combien de frères as-tu ? — J’en ai deux. Hoeveel broers heb je? — Ik heb er twee. Het getal blijft staan.
Tu viens de Paris ? — Oui, j’en viens. Kom je uit Parijs? — Ja, daar kom ik vandaan. Herkomst met de.
J’en ai besoin pour demain. Ik heb het morgen nodig. Avoir besoin de vereist de.
Elle achète des tomates et elle en prend aussi pour sa voisine. Ze koopt tomaten en neemt er ook voor haar buurvrouw mee. En voorkomt herhaling.
Nous parlons souvent de ce film ; nous en parlons encore ce soir. We praten vaak over die film; vanavond praten we er weer over. Onderwerp met parler de.
Il reste du fromage ? — Non, il n’en reste plus. Is er nog kaas? — Nee, er is niets meer van over. In de ontkenning staat en vóór het werkwoord.
J’ai acheté six croissants, mais nous n’en avons mangé que quatre. Ik heb zes croissants gekocht, maar we hebben er maar vier gegeten. Ne … que betekent ‘slechts’.
Elle revient de Lyon demain ; elle en revient en train. Ze komt morgen terug uit Lyon; ze komt daarvandaan met de trein. Beweging vanaf een plaats.
Vous avez des questions ? — Oui, j’en ai une. Hebt u vragen? — Ja, ik heb er één. Une verwijst naar het vrouwelijke question.
Je ne veux pas en discuter maintenant. Ik wil het er nu niet over hebben. En hoort bij de infinitief discuter.
Prends-en un peu, c’est délicieux. Neem er een beetje van, het is heerlijk. Bevestigend bevel: achter het werkwoord.
Elle est fière de son résultat et elle en parle à tout le monde. Ze is trots op haar resultaat en vertelt iedereen erover. Dezelfde verwijzing kan bij een andere de-constructie terugkomen.
Des erreurs, tout le monde en fait. Fouten maakt iedereen. Vooropgeplaatst onderwerp; en neemt de verwijzing weer op.

Veelgemaakte fouten

1. Het naamwoord na en toch herhalen

  • Fout: J’en veux du café.
  • Goed: Je veux du café. of J’en veux.
  • Waarom: En vervangt juist de hele groep du café. In een neutrale zin gebruik je niet beide. In spreektaal kan een los toegevoegd zinsdeel voorkomen, maar dat is niet de beginnersconstructie.

2. Het getal laten verdwijnen

  • Fout: Tu as trois enfants ? — Oui, j’en ai.
  • Goed: Tu as trois enfants ? — Oui, j’en ai trois.
  • Waarom: En vervangt enfants, niet de hoeveelheid trois. Zonder getal betekent j’en ai alleen ‘ik heb er / ik heb ervan’, en verdwijnt de gevraagde informatie.

3. En op de Nederlandse plaats zetten

  • Fout: Je parle en souvent.
  • Goed: J’en parle souvent.
  • Waarom: In een gewone zin staat het Franse objectvoornaamwoord vóór het vervoegde werkwoord. Het Nederlandse ‘ik praat er vaak over’ heeft een andere woordvolgorde.

4. Y en en verwisselen

  • Fout: Tu viens de Bruxelles ? — Oui, j’y viens.
  • Goed: Tu viens de Bruxelles ? — Oui, j’en viens.
  • Waarom: De Bruxelles geeft vertrek of herkomst aan en wordt en. Een bestemming met à krijgt vaak y: Tu vas à Bruxelles ? — Oui, j’y vais.

5. En zonder meer voor een bepaalde persoon gebruiken

  • Minder natuurlijk: Tu parles de Sophie ? — Oui, j’en parle.
  • Gebruikelijker: Tu parles de Sophie ? — Oui, je parle d’elle.
  • Waarom: Bij een duidelijk bepaalde persoon gebruikt het Frans meestal de lui of d’elle. En is heel normaal bij zaken, ideeën, hoeveelheden en onbepaalde personen: Des candidats, nous en avons vu dix.

6. Verkeerde plaats bij een infinitief

  • Fout: J’en vais acheter deux.
  • Goed: Je vais en acheter deux.
  • Waarom: En hoort inhoudelijk bij acheter: je koopt er twee. Daarom staat het voor de infinitief, niet voor vais.

Gebruiksnotities

De Nederlandse vertaling wisselt

Probeer en niet altijd letterlijk te vertalen. Afhankelijk van de zin krijg je onder meer:

  • J’en veux. — Ik wil er wat van / ik wil wat.
  • J’en parle. — Ik praat erover.
  • J’en ai trois. — Ik heb er drie.
  • J’en viens. — Ik kom daarvandaan.
  • J’en ai besoin. — Ik heb het nodig.

Andersom is even belangrijk: Nederlands er wordt niet altijd Frans en. In ‘Ik woon er’ verwijst er naar een plaats waar iemand is; het Frans gebruikt dan y: J’y habite. Vraag dus steeds welke Franse voorzetselconstructie achter de zin zit.

Dingen, personen en hele gedachten

En verwijst zeer vaak naar een ding of begrip: Tu doutes de cette histoire ? — Oui, j’en doute. Het kan ook een hele voorafgaande gedachte samenvatten: Il réussira ? J’en doute. Dat betekent ‘Zal hij slagen? Ik betwijfel het.’

Bij personen is de regel genuanceerder. Voor één bepaalde persoon klinkt een beklemtoonde vorm meestal natuurlijker: Je parle de Marc → Je parle de lui. Bij een aantal of een onbepaalde groep is en juist gewoon: J’ai beaucoup d’amis à Lille → J’en ai beaucoup à Lille.

Uitspraak

Voor een klinker begint en met een neusklank en ontstaat vaak verbinding met het voorafgaande werkwoord of voornaamwoord. In nous en avons klinkt de slot-s van nous als een verbindende [z]. Luister naar de hele woordgroep en oefen niet alleen het losse woord.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A2 nog niet actief te beheersen, maar je zult ze later wel tegenkomen.

Voltooid deelwoord meestal zonder overeenkomst

Na avoir kan een voltooid deelwoord (de vorm zoals mangé, ‘gegeten’) onder bepaalde omstandigheden in geslacht en getal overeenkomen met een voorafgaand lijdend voorwerp (wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat). Met en gebeurt die overeenkomst in de moderne standaardtaal normaal niet:

  • Des pommes ? J’en ai mangé trois.
  • niet: J’en ai mangées trois.

Voor dagelijks taalgebruik is de onveranderde vorm de veilige en normale keuze.

Combinaties met andere voornaamwoorden

En kan samen met een ander objectvoornaamwoord staan. De vaste volgorde moet je als geheel leren:

  • Il m’en donne. — Hij geeft me er wat van.
  • Nous lui en parlons. — We praten er met hem/haar over.
  • Je vais vous en envoyer deux. — Ik ga u er twee sturen.

Bij een bevestigend bevel verandert de volgorde en de vorm: Donnez-m’en deux ! (‘Geef me er twee!’). Zulke combinaties horen eerder bij B1 en hoger.

Vaste uitdrukkingen met en

In sommige veelgebruikte uitdrukkingen kun je de oorspronkelijke de-groep niet meer gemakkelijk aanwijzen:

  • s’en aller — weggaan: Je m’en vais.
  • en avoir marre — er genoeg van hebben, informeel: J’en ai marre.
  • s’en sortir — zich redden / eruit komen: Elle s’en sort bien.
  • en vouloir à quelqu’un — boos zijn op iemand: Il m’en veut.

Vertaal deze uitdrukkingen als één geheel. Vooral en vouloir à quelqu’un betekent niet ‘iets van iemand willen’.

Een onderwerp vooraan opnieuw opnemen

In gesproken Frans wordt een onderwerp vaak eerst genoemd en daarna met en hervat:

  • Ce livre, j’en connais la fin. — Van dit boek ken ik het einde.
  • Les démarches administratives, j’en ai horreur. — Aan administratieve rompslomp heb ik een hekel.

Deze zinsbouw legt nadruk op het onderwerp. Hij is heel gewoon in gesprekken, maar voor beginners is de neutrale volgorde meestal eenvoudiger.

Oefentips

  1. Maak verkortingsparen. Schrijf vijf volledige zinnen, bijvoorbeeld J’achète des pommes, en maak er daarna een antwoord met en van: J’en achète. Voeg bij telbare zaken ook een aantal toe: J’en achète quatre.
  2. Stel drie controlevragen. Zoek eerst de Franse groep met de, bepaal daarna wat moet blijven staan (zoals deux of beaucoup) en zet ten slotte en vóór het juiste werkwoord. Zo voorkom je dat je vanuit het Nederlandse woord er gokt.
  3. Oefen contrasten met y. Maak vaste tweetallen: Je vais à Lyon → J’y vais tegenover Je viens de Lyon → J’en viens. Spreek ze hardop uit, zodat ook de plaats en uitspraak van het voornaamwoord vertrouwd worden.

Verwante onderwerpen

  • Vereiste voorkennis: Delende lidwoorden — helpt je groepen als du pain, de la soupe en des légumes herkennen.
  • Ter vergelijking: Het voornaamwoord y — vervangt vaak een plaats of zaak die met à wordt ingeleid.

Vereiste kennis

Delende lidwoorden in het FransA1

Meer A2-concepten

Dit concept in andere talen

Vergelijk in alle talen

Oefen Le Pronom En in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A2 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen