Het plus-que-parfait in het Frans
Plus-que-parfait
Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.
In het kort
Het plus-que-parfait drukt uit dat iets al gebeurd of voltooid was vóór een ander moment in het verleden: J'avais déjà mangé quand Léa est arrivée — “Ik had al gegeten toen Léa aankwam.” Je vormt het met de imparfait van avoir of être + participe passé: avait compris, était parti. In het Nederlands komt dit meestal overeen met “had” of “was” + een voltooid deelwoord.
Overzicht
Het plus-que-parfait is de Franse voltooid verleden tijd. Het plaatst een handeling vóór een verleden referentiepunt: een andere gebeurtenis, een toestand of een moment waarover al wordt verteld. In À huit heures, le magasin avait déjà fermé is acht uur het referentiepunt; het sluiten gebeurde daarvoor. Je kunt deze tijd daarom zien als “een stap terug” vanuit het verleden.
Op B1-niveau leer je het plus-que-parfait gebruiken om verhalen, verklaringen en herinneringen duidelijker op te bouwen. Daarvoor heb je twee eerdere bouwstenen nodig. Van de passé composé ken je het participe passé (voltooid deelwoord, zoals mangé, fini of pris) en de keuze tussen avoir en être. Van de imparfait heb je de vormen avais, avait, étions enzovoort nodig.
Voor Nederlandstaligen is de basisbetekenis vertrouwd: j'avais oublié lijkt sterk op “ik had vergeten” en elle était partie op “zij was vertrokken”. Die overeenkomst helpt, maar is niet volledig. Je moet het hulpwerkwoord volgens de Franse regels kiezen, het voltooid deelwoord soms laten overeenkomen en niet elke reeks gebeurtenissen automatisch in het plus-que-parfait zetten.
Zo werkt het
De basisformule
Een plus-que-parfait bestaat uit twee delen:
onderwerp + avoir/être in de imparfait + participe passé
Het hulpwerkwoord is avoir of être, dat helpt om de samengestelde tijd te maken. Alleen dat hulpwerkwoord wordt vervoegd. Het hoofdwerkwoord staat als voltooid deelwoord:
- j'avais travaillé — ik had gewerkt
- tu avais choisi — jij had gekozen
- elle était venue — zij was gekomen
- nous nous étions trompés — wij hadden ons vergist
De regelmatige voltooid deelwoorden zijn dezelfde als in de passé composé:
| Infinitief | Uitgang | Participe passé | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| parler | -er → -é | parlé | nous avions parlé |
| finir | -ir → -i | fini | elle avait fini |
| vendre | -re → -u | vendu | ils avaient vendu |
Ook onregelmatige vormen veranderen niet: faire → fait, voir → vu, prendre → pris, écrire → écrit, boire → bu, avoir → eu en être → été. Zo krijg je il avait fait, nous avions vu en elle avait été.
Avoir in de imparfait
De meeste werkwoorden gebruiken avoir.
| Persoon | Hulpwerkwoord | Met finir |
|---|---|---|
| je / j' | avais | j'avais fini |
| tu | avais | tu avais fini |
| il / elle / on | avait | elle avait fini |
| nous | avions | nous avions fini |
| vous | aviez | vous aviez fini |
| ils / elles | avaient | ils avaient fini |
De vormen avais, avait en avaient klinken in de standaarduitspraak gelijk. Luister dus naar het onderwerp en de context; let bij het schrijven goed op de juiste uitgang.
Être in de imparfait
Werkwoorden die in de passé composé être nemen, doen dat ook in het plus-que-parfait. Daartoe behoren onder meer aller, venir, arriver, partir, naître en mourir, plus alle wederkerende werkwoorden (werkwoorden met se, zoals se lever en s'endormir).
| Persoon | Hulpwerkwoord | Met partir |
|---|---|---|
| je / j' | étais | j'étais parti(e) |
| tu | étais | tu étais parti(e) |
| il / elle / on | était | il était parti / elle était partie |
| nous | étions | nous étions parti(e)s |
| vous | étiez | vous étiez parti(e)(s) |
| ils / elles | étaient | ils étaient partis / elles étaient parties |
Bij être komt het voltooid deelwoord normaal overeen met het onderwerp (wie of wat centraal staat in de zin):
- Paul était arrivé.
- Sophie était arrivée.
- Paul et Marc étaient arrivés.
- Sophie et Léa étaient arrivées.
De extra -e en -s zijn vaak niet hoorbaar, maar in geschreven Frans wel verplicht. Bij een gemengde groep gebruikt de traditionele standaardtaal de mannelijke meervoudsvorm: Sophie et Marc étaient arrivés.
De plaats op de tijdlijn
Het plus-que-parfait heeft een verleden referentiepunt nodig, maar dat hoeft niet altijd letterlijk in dezelfde zin te staan.
| Laag | Franse zin | Functie |
|---|---|---|
| eerder verleden | J'avais perdu ma carte. | De kaart was al kwijt. |
| verleden referentiepunt | Je suis arrivé à la caisse. | Daarna kwam ik bij de kassa. |
| verteltijd | nu | Nu vertel ik wat er gebeurde. |
Samen: Quand je suis arrivé à la caisse, j'ai découvert que j'avais perdu ma carte. Het ontdekken is een gebeurtenis in het verhaal; het kwijtraken vond daarvoor plaats.
Het andere verleden moment kan ook een toestand in de imparfait zijn: Elle était fatiguée parce qu'elle avait mal dormi. De vermoeidheid was toen aanwezig; het slechte slapen lag nog eerder.
Ontkenningen, bijwoorden en voornaamwoorden
Bij een ontkenning staat ne ... pas rond het vervoegde hulpwerkwoord:
- Je n'avais pas compris. — Ik had het niet begrepen.
- Ils n'étaient pas encore arrivés. — Ze waren nog niet aangekomen.
- Nous n'avions jamais visité Lille. — We hadden Lille nog nooit bezocht.
Korte, veelgebruikte bijwoorden staan vaak tussen hulpwerkwoord en voltooid deelwoord: avait déjà mangé, avait bien préparé, n'avait jamais vu. Langere bepalingen staan meestal na het voltooid deelwoord: avait travaillé toute la nuit.
Een onbeklemtoond voornaamwoord staat vóór het hulpwerkwoord:
- Je l'avais appelé. — Ik had hem/haar gebeld.
- Elle leur avait écrit. — Ze had hun geschreven.
- Nous nous étions déjà rencontrés. — We hadden elkaar al ontmoet.
Vragen
In gewone gesprekken is een vraag met intonatie heel normaal: Tu avais réservé ? Je kunt ook est-ce que gebruiken: Est-ce qu'ils étaient déjà partis ? In verzorgde of formele taal is inversie mogelijk: Aviez-vous reçu notre message ? Alleen het hulpwerkwoord wisselt dan van plaats met het onderwerp.
Voorbeelden in context
| Frans | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| J'avais déjà mangé quand vous avez appelé. | Ik had al gegeten toen u belde. | De maaltijd was vóór het telefoontje klaar. |
| Elle était partie quand je suis arrivé. | Zij was vertrokken toen ik aankwam. | Partir neemt être; partie past bij elle. |
| Nous avions fini avant lui. | Wij waren vóór hem klaar. | Het Franse avions fini kan in natuurlijk Nederlands ook “waren klaar” worden. |
| Il avait dit qu'il viendrait. | Hij had gezegd dat hij zou komen. | Een eerdere uitspraak binnen een verhaal. |
| À notre arrivée, le film avait commencé. | Toen wij aankwamen, was de film begonnen. | Een zelfstandig naamwoord kan het referentiepunt geven. |
| Je ne pouvais pas entrer : j'avais oublié mes clés. | Ik kon niet naar binnen: ik had mijn sleutels vergeten. | Het plus-que-parfait verklaart de toestand. |
| Quand le serveur est revenu, nous n'avions pas encore choisi. | Toen de ober terugkwam, hadden we nog niet gekozen. | Pas encore staat rond en na het hulpwerkwoord. |
| Les enfants s'étaient endormis avant minuit. | De kinderen waren vóór middernacht in slaap gevallen. | Wederkerend werkwoord met être. |
| Tu avais déjà vu ce tableau ? | Had jij dit schilderij al gezien? | Informele vraag met intonatie. |
| Il faisait froid parce qu'il avait neigé toute la nuit. | Het was koud omdat het de hele nacht had gesneeuwd. | Imparfait voor de toestand, plus-que-parfait voor de eerdere oorzaak. |
| Les photos qu'elle avait prises étaient floues. | De foto's die ze had gemaakt waren onscherp. | Prises komt overeen met het voorafgaande lijdend voorwerp. |
| Après le dîner, ils ont raconté ce qu'ils avaient vécu. | Na het eten vertelden ze wat ze hadden meegemaakt. | De ervaring ging aan het vertellen vooraf. |
| Nous pensions que vous étiez rentrés. | We dachten dat jullie naar huis waren gegaan. | Een eerdere handeling gezien vanuit een gedachte in het verleden. |
| À neuf heures, personne n'était encore arrivé. | Om negen uur was er nog niemand aangekomen. | Het referentiepunt is een tijdstip. |
Veelgemaakte fouten
Het hulpwerkwoord in de passé composé laten staan
- Niet: Quand elle est arrivée, j'ai déjà fini.
- Wel: Quand elle est arrivée, j'avais déjà fini.
- Waarom: Als het afmaken vóór haar aankomst lag, moet avoir in de imparfait staan: avais.
Een extra vervoegde vorm toevoegen
- Niet: Nous avons avions réservé.
- Wel: Nous avions réservé.
- Waarom: Je hebt maar één vervoegd hulpwerkwoord nodig. Avions drukt de persoon én de tijd uit.
Het Franse hulpwerkwoord uit het Nederlands afleiden
- Niet: Elle avait partie tôt.
- Wel: Elle était partie tôt.
- Waarom: Kies zoals in de passé composé: elle est partie wordt elle était partie. Vertaal niet eerst mechanisch via Nederlands “had” of “was”.
De overeenkomst met être vergeten
- Niet: Elles étaient arrivé en avance.
- Wel: Elles étaient arrivées en avance.
- Waarom: Bij être komt het voltooid deelwoord normaal overeen met het vrouwelijke meervoudige onderwerp elles.
Pas achter het voltooid deelwoord zetten
- Niet: Je n'avais compris pas la question.
- Wel: Je n'avais pas compris la question.
- Waarom: In een samengestelde tijd omsluit ne ... pas het hulpwerkwoord avais.
Voor elke eerdere gebeurtenis het plus-que-parfait kiezen
- Onnodig: J'avais fermé la porte, puis j'étais parti.
- Natuurlijker in een gewone chronologische opsomming: J'ai fermé la porte, puis je suis parti.
- Waarom: Puis vertelt de gebeurtenissen van vroeg naar laat. Het plus-que-parfait is vooral nodig wanneer je vanuit een later verleden moment terugkijkt: Quand je suis revenu, j'ai vu que j'avais mal fermé la porte.
Gebruiksnotities
Het plus-que-parfait is heel gewoon in zowel gesproken als geschreven Frans. Je hoort het bij uitleg achteraf (Je n'ai pas répondu parce que je n'avais pas vu ton message), herinneringen, nieuws, getuigenissen en verhalen. Het is dus geen plechtige of uitsluitend literaire vorm.
Woorden als déjà (al), encore (nog), jamais (nooit), avant (vóór) en jusque-là (tot dan toe) maken de tijdsverhouding vaak zichtbaar. Ze zijn niet vereist: in La rue était mouillée ; il avait plu maakt de combinatie van tijden de volgorde al duidelijk.
Let op het verschil tussen een opeenvolging en een terugblik:
- Elle a terminé son travail et elle est partie. — Ze maakte haar werk af en vertrok. De verteller gaat vooruit.
- Elle est partie parce qu'elle avait terminé son travail. — Ze vertrok omdat ze haar werk had afgemaakt. De verteller kijkt terug naar de oorzaak.
In het Nederlands gebruiken we soms een gewone verleden tijd als de volgorde vanzelf spreekt. Ook Frans hoeft niet overal zwaar te markeren dat iets eerder kwam. Maar zodra de lezer de twee momenten kan verwarren, maakt het plus-que-parfait de tijdlijn helder.
Sommige bewegingswerkwoorden wisselen van hulpwerkwoord afhankelijk van hun gebruik. Sortir neemt bijvoorbeeld être zonder lijdend voorwerp: elle était sortie. Met een lijdend voorwerp neemt het avoir: elle avait sorti les verres. Volg ook hier de regels die je voor de passé composé hebt geleerd.
Verdieping en gevorderd gebruik
Overeenkomst met avoir
Bij avoir blijft het voltooid deelwoord doorgaans onveranderd: Elle avait écrit les lettres. Staat het lijdend voorwerp (wie of wat de handeling rechtstreeks ondergaat) vóór het voltooid deelwoord, dan komt het deelwoord er in verzorgd geschreven Frans mee overeen:
- Les lettres qu'elle avait écrites — de brieven die ze had geschreven
- Je les avais mises sur la table — ik had ze op tafel gelegd, waarbij les naar vrouwelijke meervoudige zaken verwijst
- Quelle chanson avais-tu choisie ? — welk lied had je gekozen?
Bij wederkerende werkwoorden is de overeenkomst soms ingewikkelder dan de eenvoudige regel “met être altijd aanpassen”. Vergelijk elles s'étaient lavées (ze hadden zichzelf gewassen) met elles s'étaient lavé les mains (ze hadden hun handen gewassen). In de tweede zin is les mains het lijdend voorwerp en staat het na het werkwoord; daarom blijft lavé onveranderd. Voor dagelijkse communicatie is herkenning eerst voldoende, maar in formeel schrijfwerk is dit onderscheid belangrijk.
Onwerkelijke voorwaarden in het verleden
Het plus-que-parfait staat na si wanneer je een verleden voorwaarde noemt die niet is vervuld. In de hoofdzin staat dan meestal de conditionnel passé (de vorm voor wat in die situatie zou zijn gebeurd):
- Si j'avais su, je serais venu. — Als ik het had geweten, was ik gekomen.
- Si nous étions partis plus tôt, nous n'aurions pas raté le train. — Als we eerder waren vertrokken, hadden we de trein niet gemist.
Na si gebruik je hier geen conditionnel: dus si j'avais su, niet si j'aurais su. Dit patroon wordt uitgebreider behandeld bij voorwaardelijke zinnen in het verleden.
Indirecte rede en perspectief
In de indirecte rede (weergeven wat iemand zei, dacht of wist zonder letterlijk te citeren) markeert het plus-que-parfait vaak een handeling die al voltooid was vóór het zeggen of denken:
- Elle a expliqué qu'elle avait changé d'adresse. — Ze legde uit dat ze van adres was veranderd.
- Ils pensaient que nous étions déjà partis. — Ze dachten dat we al vertrokken waren.
Het gaat steeds om perspectief. Het plus-que-parfait betekent niet simpelweg “heel lang geleden”; een verschil van enkele seconden is genoeg. In Quand j'ai ouvert la porte, le chat avait disparu kan de kat vlak daarvoor verdwenen zijn. Omgekeerd kan een gebeurtenis jaren oud zijn zonder plus-que-parfait als er geen later verleden referentiepunt wordt gekozen.
Een niet-gerealiseerde wens of spijt
In uitroepen met si seulement kan het plus-que-parfait spijt over het verleden uitdrukken: Si seulement j'avais écouté ! — “Had ik maar geluisterd!” De verwachte hoofdzin blijft onuitgesproken. Je begrijpt uit de context dat de spreker niet heeft geluisterd en daar nu spijt van heeft.
Oefentips
- Teken een tijdlijn met twee kruisjes. Zet eerst het latere verleden moment neer en vraag: “Wat was daarvoor al gebeurd?” Schrijf daarna één zin, bijvoorbeeld Quand le cours a commencé, j'avais éteint mon téléphone.
- Bouw voort op bekende vormen. Zet paren naast elkaar: j'ai compris → j'avais compris, elle est venue → elle était venue, nous nous sommes levés → nous nous étions levés. Zo oefen je tegelijk het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord.
- Vertel een klein probleem achteraf. Gebruik drie zinnen met parce que, quand en déjà: waarom je te laat was, waarom je niet kon betalen of waarom je iemand niet antwoordde. Controleer daarna bij elke vorm: wat gebeurde eerst?
Verwante begrippen
- Voorwaarde: Passé composé — levert de keuze tussen avoir en être en de vormen van het voltooid deelwoord.
- Nuttige herhaling: Imparfait — nodig voor avais, avait, étions, étaient en de andere hulpwerkwoordsvormen.
- Vergelijking: Imparfait tegenover passé composé — helpt achtergrond, gebeurtenissen en tijdlijnen in verhalen uit elkaar te houden.
- Volgende stap: Voorwaardelijke zinnen in het verleden — combineert si + plus-que-parfait met de conditionnel passé.
Vereiste kennis
Passé composé in het FransA2Meer B1-concepten
Dit concept in andere talen
Vergelijk in alle talen
Oefen Plus-que-parfait in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · B1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.
Dit concept oefenen