A1

Het Franse werkwoord *venir*

Le Verbe Venir

Dit artikel maakt deel uit van de grammaticaboom voor Frans op Settemila Lingue.

In het kort

Venir betekent meestal komen. De tegenwoordige tijd is onregelmatig: je viens, tu viens, il/elle vient, nous venons, vous venez, ils/elles viennent. Voor herkomst gebruik je venir de (Je viens de Bruxelles); voor een bestemming staan onder meer à en chez (Tu viens à la fête ?, Elle vient chez moi).

Overzicht

Venir is een onmisbaar Frans werkwoord. Je gebruikt het om te vertellen dat iemand komt, waar iemand vandaan komt en wanneer iemand arriveert. Het duikt al op A1-niveau op in kennismakingen, uitnodigingen en afspraken: D’où venez-vous ?, Tu viens demain ? en Nous venons en train.

De vervoeging (de werkwoordsvorm die bij de handelende persoon past) is onregelmatig. Je kunt dus niet eenvoudig een uitgang aan ven- toevoegen zoals bij een regelmatig werkwoord. In je viens staat vien-, in nous venons staat ven- en in ils viennent verschijnt vienn-. Deze afwisseling moet je leren, maar ze keert terug in nuttige werkwoorden als revenir, devenir en tenir.

Voor Nederlandstaligen lijkt Frans venir sterk op “komen”, maar de voorzetsels lopen niet altijd gelijk. “Uit Amsterdam komen” wordt venir d’Amsterdam, terwijl “naar Amsterdam komen” venir à Amsterdam is. Ook kan het Franse venir de vóór een werkwoord iets heel anders betekenen: Je viens de manger is “Ik heb net gegeten”. Die latere uitbreiding staat apart onder Verder dan de basis.

Zo werkt het

De tegenwoordige tijd

Het onderwerp (wie of wat de handeling uitvoert) bepaalt de vorm. Dit is de volledige vervoeging in de présent, de gewone tegenwoordige tijd:

Persoon Frans Nederlands
je je viens ik kom
tu tu viens jij komt
il / elle / on il / elle / on vient hij / zij / men komt; we komen
nous nous venons wij komen
vous vous venez u komt; jullie komen
ils / elles ils / elles viennent zij komen

Leer de vormen in drie stamgroepen:

  • enkelvoud: vien- + -s, -s, -t;
  • nous en vous: ven- + -ons, -ez;
  • meervoud ils/elles: vienn- + -ent.

De spelling verraadt niet rechtstreeks wat je hoort. Viens en vient klinken hetzelfde; de slot-s en slot-t spreek je niet uit. In viennent hoor je de n, maar niet de uitgang -ent. Daarom is alleen op je gehoor afgaan bij een dictee niet genoeg.

On vient is in gesprekken vaak natuurlijker dan nous venons wanneer “wij komen” wordt bedoeld. On krijgt altijd de enkelvoudsvorm: nooit on venons.

Herkomst: venir de

Voor “uit” of “ergens vandaan” gebruik je venir + de. De vorm van de hangt af van het volgende woord:

Plaats Patroon Voorbeeld Betekenis
stad de / d’ Je viens de Rotterdam. Ik kom uit Rotterdam.
woord met klinker of stomme h d’ Elle vient d’Anvers. Zij komt uit Antwerpen.
vrouwelijk land de Nous venons de France. Wij komen uit Frankrijk.
mannelijk land du Il vient du Maroc. Hij komt uit Marokko.
land in het meervoud des Vous venez des Pays-Bas. U komt uit Nederland.
persoon of diens woning de chez Je viens de chez Léa. Ik kom bij Léa vandaan.

Du is de samentrekking van de + le en des die van de + les. Bij steden staat normaal geen lidwoord: de Paris, d’Utrecht. De landregels hebben uitzonderingen, maar voor veelvoorkomende namen vormt dit een bruikbaar beginnerspatroon.

Met d’où vraag je naar het vertrekpunt of de herkomst: D’où viens-tu ? betekent “Waar kom je vandaan?” Een beleefde vraag is D’où venez-vous ?

Een bestemming: à, en, au, aux en chez

Wanneer de plaats juist het doel van de beweging is, gebruik je niet de. Een voorzetsel is een klein verbindingswoord zoals “naar”, “in” of “bij”. Bij venir kies je meestal als volgt:

Bestemming Voorzetsel Voorbeeld
stad à Elle vient à Liège.
plaats of evenement à Ils viennent à la réunion.
vrouwelijk land en Nous venons en Belgique.
mannelijk land au Tu viens au Canada ?
land in het meervoud aux Elle vient aux Pays-Bas.
persoon, woning of beroepszaak chez Venez chez nous.

Het Nederlands gebruikt bij een bestemming zowel “naar” als “bij”: “Kom je naar het feest?” en “Kom je bij ons?” Het Frans onderscheidt hier à la fête en chez nous. Vergelijk ook Je viens de Paris (Parijs is vertrekpunt) met Je viens à Paris (Parijs is bestemming).

Tijd, vervoer en gezelschap

Venir kan zonder plaats staan wanneer de context al duidelijk is: Je viens demain (“Ik kom morgen”). Voor vervoer staat meestal en bij een vervoermiddel waarin je zit en à in vaste verbindingen zoals à pied: venir en train, venir en voiture, venir à vélo, venir à pied. Met gezelschap gebruik je avec: Elle vient avec sa sœur.

De tegenwoordige tijd kan een afgesproken nabije toekomst uitdrukken. Nous venons samedi betekent heel natuurlijk “We komen zaterdag”. Anders dan in het Nederlands staat er in de Franse hoofdzin geen apart woord dat overeenkomt met “zullen”.

Vragen en ontkenningen

In een informeel gesprek volstaat vaak een stijgende intonatie: Tu viens ? Neutraal en duidelijk is est-ce que: Est-ce que vous venez ? Bij inversie (omkering van werkwoord en onderwerp) krijg je een formelere of schriftelijkere vraag: Venez-vous ? en D’où vient-elle ?

Een ontkenning zet ne ... pas om het vervoegde werkwoord: Je ne viens pas. Vóór een klinker wordt ne verkort: Il ne vient pas. In spontane spreektaal valt ne dikwijls weg (Je viens pas), maar in verzorgd schrift gebruik je de volledige vorm.

Revenir, devenir en tenir

Deze veelgebruikte werkwoorden hebben hetzelfde stamritme:

Werkwoord Kernbetekenis je nous ils/elles
venir komen je viens nous venons ils viennent
revenir terugkomen je reviens nous revenons ils reviennent
devenir worden je deviens nous devenons ils deviennent
tenir vasthouden, houden je tiens nous tenons ils tiennent

Devenir drukt een verandering uit: Le ciel devient gris (“De lucht wordt grijs”). Être beschrijft daarentegen een toestand: Le ciel est gris (“De lucht is grijs”). Tenir is qua betekenis geen bewegingswerkwoord, maar de vervoeging lijkt sterk op die van venir.

Voorbeelden in context

Frans Nederlands Opmerking
Je viens de Londres. Ik kom uit Londen. Herkomst met de.
D’où viens-tu ? Waar kom je vandaan? Informele inversievraag.
Ils viennent à la fête. Ze komen naar het feest. Bestemming met à.
Vous venez des Pays-Bas ? Komt u uit Nederland? Beleefd vous; herkomst met des.
On vient vers huit heures. We komen rond acht uur. Gesproken on voor “wij”.
Tu viens chez moi ce soir ? Kom je vanavond bij mij? Chez bij een persoon of woning.
Nous venons en train. We komen met de trein. Vervoer met en.
Je ne viens pas demain. Ik kom morgen niet. Volledige ontkenning.
Est-ce que Léa vient avec nous ? Komt Léa met ons mee? Neutrale vraagvorm.
Mon frère revient lundi. Mijn broer komt maandag terug. Revenir voor terugkeer.
Elle devient médecin. Zij wordt arts. Verandering van beroep of status.
Les enfants deviennent fatigués. De kinderen worden moe. Verandering van toestand.
Je tiens la porte pour vous. Ik houd de deur voor u open. Tenir met vergelijkbare vervoeging.
Elles viennent souvent ici. Ze komen vaak hier. Meervoudsvorm viennent.

Veelgemaakte fouten

Een regelmatige -ir-vorm maken

  • Niet goed: Je venis à neuf heures.
  • Goed: Je viens à neuf heures.
  • Waarom: Venir volgt niet het patroon van finir. Leer viens, viens, vient, venons, venez, viennent als één reeks.

De weglaten bij herkomst

  • Niet goed: Nous venons Bruxelles.
  • Goed: Nous venons de Bruxelles.
  • Waarom: Een vertrekpunt of herkomst vereist venir de. Voor een klinker wordt dat d’: venir d’Amsterdam.

Vertrekpunt en bestemming verwisselen

  • Niet goed: Je viens de la fête ce soir wanneer je bedoelt dat je naar het feest komt.
  • Goed: Je viens à la fête ce soir.
  • Waarom: De wijst terug naar waar je vandaan komt; à kan wijzen naar waar je heen komt. De foute zin betekent dat je van het feest vandaan komt.

De verkeerde stam bij nous of vous gebruiken

  • Niet goed: Nous vienons en vous vienez.
  • Goed: Nous venons en vous venez.
  • Waarom: Alleen ven- staat in deze twee vormen; de i verdwijnt.

On met een meervoudsvorm combineren

  • Niet goed: On venons demain.
  • Goed: On vient demain.
  • Waarom: On kan in betekenis “wij” zijn, maar is grammaticaal enkelvoud en krijgt dus vient.

Être gebruiken waar een verandering bedoeld is

  • Niet goed: Elle est médecin als je bedoelt “Zij wordt arts”.
  • Goed: Elle devient médecin.
  • Waarom: Elle est médecin zegt dat zij al arts is. Elle devient médecin legt de nadruk op de overgang naar die rol.

Gebruiksnotities

Tu viens ? is een zeer gewone, volledige uitnodiging wanneer uit de situatie blijkt waarheen. Het kan zowel “Kom je?” als “Ga je mee?” betekenen. Frans kiest het werkwoord vanuit het standpunt van de plek of groep waarheen iemand komt; daardoor kan Nederlands “meegaan” soms natuurlijker klinken als vertaling.

Vous venez ? is dubbelzinnig zonder context: het kan tot meerdere personen gericht zijn (“Komen jullie?”) of beleefd tot één persoon (“Komt u?”). De werkwoordsvorm verandert niet.

Met nationaliteit en herkomst moet je precies zijn. Je viens de Belgique vertelt waar je vandaan komt, niet noodzakelijk welke nationaliteit je hebt. Daarvoor zeg je bijvoorbeeld Je suis belge. In Je viens d’Amsterdam aujourd’hui kan Amsterdam alleen het vertrekpunt van vandaag zijn.

Let ook op arriver. Venir bekijkt de beweging naar een plaats of persoon: Tu viens chez moi ? Arriver legt de nadruk op het bereiken van de bestemming of het aankomsttijdstip: J’arrive à dix heures. Het Nederlandse “aankomen” vertaal je daarom meestal met arriver, niet met venir.

Verder dan de basis

De volgende punten hoef je op A1 nog niet actief te beheersen. Ze zijn wel belangrijk om zinnen die je later tegenkomt goed te begrijpen.

Het recente verleden: venir de + infinitief

Voor venir de + infinitief betekent de constructie dat iets zojuist is gebeurd. De infinitief is de basisvorm van het werkwoord, zoals manger of partir.

Frans Nederlands
Je viens de manger. Ik heb net gegeten.
Elle vient de partir. Zij is net vertrokken.
Nous venons de recevoir le message. We hebben het bericht net ontvangen.

De vorm van venir geeft aan wie de handeling heeft verricht. Vergelijk Je viens de Rome (na de staat een plaats: herkomst) met Je viens de finir (na de staat een werkwoord: iets is net afgerond).

Verleden tijd met être

In de passé composé (een veelgebruikte voltooide verleden tijd) vormt venir de tijd met être: je suis venu, elle est venue, nous sommes venus. Venu is het voltooid deelwoord (de vorm die samen met een hulpwerkwoord een voltooide tijd maakt). Na être past de geschreven uitgang zich aan het onderwerp aan:

Onderwerp Vorm Nederlands
il il est venu hij is gekomen
elle elle est venue zij is gekomen
ils ils sont venus zij zijn gekomen
elles elles sont venues zij zijn gekomen

Dezelfde hulpwerkwoordkeuze geldt voor bewegingsbetekenissen van revenir: Elle est revenue hier. Bij devenir staat eveneens être: Il est devenu célèbre.

Meer werkwoorden uit dezelfde familie

Later kom je onder andere prévenir (waarschuwen, vooraf laten weten), intervenir (tussenbeide komen) en se souvenir de (zich herinneren) tegen. Ze tonen herkenbare vormen: je préviens / nous prévenons, j’interviens / nous intervenons en je me souviens / nous nous souvenons. Hun betekenissen en zinsbouw leer je het best afzonderlijk; een herkenbare vervoeging betekent niet dat je de betekenis automatisch uit venir kunt afleiden.

Een betekenisnuance van tenir

Tenir kan behalve “vasthouden” ook “houden aan” betekenen in tenir à: Je tiens à cette photo (“Ik ben aan deze foto gehecht”) of Je tiens à vous remercier (“Ik wil u nadrukkelijk bedanken”). Dit zijn gevorderde toepassingen. Voor de basis volstaan concrete zinnen als Il tient le sac.

Oefentips

  1. Leer in klankgroepen. Zeg achter elkaar je viens, tu viens, il vient; daarna nous venons, vous venez; sluit af met ils viennent. Schrijf de reeks vervolgens zonder te kijken, zodat uitspraak en spelling beide aandacht krijgen.
  2. Teken twee pijlen bij echte plaatsen. Schrijf links je vertrekpunt met venir de en rechts je bestemming met venir à/en/au/aux. Bijvoorbeeld: Je viens d’Utrecht tegenover Je viens à Paris. Zo voorkom je dat Nederlands “uit” en “naar” door elkaar raken.
  3. Maak mini-afspraken. Beantwoord hardop Tu viens quand ?, Tu viens comment ? en Tu viens avec qui ? met tijd, vervoer en gezelschap. Vervang daarna venir door revenir om terugkeer te oefenen.

Verwante concepten

  • Vooraf handig: Regelmatige werkwoorden op -ER — biedt een eenvoudig vervoegingspatroon waarmee je het onregelmatige karakter van venir kunt vergelijken.
  • Volgende stap: Het recente verleden — behandelt uitgebreid hoe venir de + infinitief uitdrukt dat iets net is gebeurd.

Vereiste kennis

Regelmatige -ER-werkwoorden in het FransA1

Concepten die hierop voortbouwen

Meer A1-concepten

Oefen Le Verbe Venir in Frans met een gratis Settemila Lingue-account. We stellen Frans · A1 voor je in en genereren kaarten voor precies dit grammaticaconcept.

Dit concept oefenen